Hij is iets kleiner dan ik. Broeder David. Met hem sta ik midden in de kerk van Abdij Koningshoeven bij Tilburg. Ik met de KRO- microfoon voor het programma Het Klooster in de hand en een paar vragen in mijn hoofd. Hij aan het woord. Vol vuur. Over deze abdijkerk, zijn kerk. Hij wijst op de koor-banken, die rechts en links aanleunen tegen de kerkmuren; en op het middenschip, de grote leegte in het midden; hij beschrijft wat hij elke zondag beleeft, als de broeders van de abdij en mensen uit de omgeving hier samen zijn; hoe ze dan psalmen zingen, vanuit de koorbanken naar elkaar toe, over en weer; en hoe dat midden in de kerk, in die lege ruimte, samenkomt, als één klank omhoog stijgt. Broeder David zegt: “Daar in die leegte ontstaat dan bijna vanzelf zoiets als de aanwezigheid van God.” Op de terugweg in de trein uit Tilburg zie ik hem nog voor me. En ik denk aan al die kerken die me voorbijflitsen. Gebeurt daar niet ook zoiets als wat Broeder David beschrijft?
Intussen kreeg ik daar in die abdij precies te horen wat liturgie is: je doet het samen, en het is gericht is op de Eeuwige. En zo krijgt het iets goddelijks. Liturgie is al een beetje hemel. De kerkvaders zeiden het al: ons spel met brood en wijn, de woorden gesproken en gezongen, het is allemaal een voorafschaduwing op de eeuwigheid. Ofwel: wat wij hier doen op zondag, zo is het straks in de hemel ook. Behalve dan natuurlijk de collecte.
Samen. We bidden samen, luisteren samen en zijn samen stil; maar vooral: we zingen samen. Op hoge tonen nemen we grote woorden in de mond; soms misschien wel iets te groot; we zouden die woorden niet zomaar zeggen; maar als we ze zingen, dan gaat het wel; en vooral als we samen zingen; als ik hoor en voel: ik ben niet de enige; we hebben allemaal wat met die woorden.
Toch zijn muziek en liturgie vanouds als water en vuur. Om het maar grofweg samen te vatten: in de katholieke traditie moest de muziek tot de jaren zestig in wervelende schoonheid aansluiten bij het gezang van engelen en dat uitte zich soms in pompeuze vier- of zelfs achtstemmige missen of in het ijle gekringel van het Gregoriaans; allemaal in onverstaanbaar Latijn, zodat de gemeente er beter het zwijgen toe deed. Onze bijdrage bleef vaak beperkt tot een marialiedje tijdens het lof.
Het is vooral te danken aan het talent van Bernard Huijbers en Huub Oosterhuis, dat het lied is teruggekeerd in het hart van de gemeente. Het motto van Bernard Huijbers was: muziek voor podium en zaal tegelijk: mooie, goede, meerstemmige muziek, mooi om naar te luisteren, maar ook om mee te zingen; zodat er ook in de muziek die rolverdeling is van voorganger, of koor, en gemeente. En Huub Oosterhuis, die weer woorden gaf aan wat in mensen is; het lied niet alleen als geloofsbelijdenis, of als preek tegen onszelf, maar woorden uit het hart; laat de Eeuwige maar weten wat we voelen. Dus niet alleen “Overal zijt gij onzichtbaar gegeven”, maar ook “Die zegt god te zijn, laat hij tevoorschijn komen”. Bernard Huijbers en Huub Oosterhuis hebben dat niet uitgevonden, maar opgediept uit het boek van de Psalmen en een nieuwe impuls gegeven. En velen zijn hen gevolgd op dat spoor: stem geven aan wat in je is en een evenwicht proberen te vinden met de grote woorden die je uit de Schrift worden aangereikt.
Psalm 146 is in het boek van de Psalmen de prelude voor het slotakkoord. Het is de eerste van de vijf psalmen, waarmee dit boek op een daverende manier eindigt. Deze vijf psalmen zouden spiegelen met de vijf van Mozes en wat psalm 146 betreft klopt dat in elk geval, want het gaat over Genesis, over de schepping. En natuurlijk in een lofzang, maar toch met de nuance die psalmen eigen is. Want tussen de regels door wordt de Eeuwige ook herinnerd aan de hemel op aarde die er zou zijn, en het recht dat gedaan zou worden. Komt daar nog wat van, klinkt er in een tweede stem mee.
Psalm 146 balanceert op het snijvlak van de prachtige verhalen die we lezen en datgene wat we elke dag meemaken. Die grote woorden nemen je als het ware mee. O, ja, dat is waar ook: die schepping en alles wat er zo maar is; zo vanzelfsprekend dat je het zou vergeten. En toch zo mooi, zo bijzonder. Maar ook de tegenstem: als god dat gemaakt heeft, en toen hij klaar was, zag dat het goed was, waarom is het dan niet goed? Waarom zijn er altijd mensen die de macht grijpen, die zich niets aantrekken van recht en gerechtigheid en het verder uitstekend maken; waarom geldt altijd het recht van de sterkste; en waarom zitten wij altijd maar te rommelen met wat oude verhalen, die ons van alles voorspiegelen en beloven, zonder dat we het ook zien. Of zien we toch iets?
Met name in de psalmen zing je zelf er weer een beetje bovenop. Je staat als het ware te kijken voor de leegte, die je voelt in jezelf. Die ruimte tussen hopen en niet-weten; tussen verdriet en dankbaarheid. Die opvullen. Weten en bewust willen weten dat ik er ben, dat ik besta, dat ik heel vaak doe wat ik kan, en dat ik soms niet weet hoe verder en waarom. Daarvan zingen. De woorden naar binnen zingen, misschien langzaam voelen, dat het mijn woorden worden, dat het kan. En dat wij het kunnen, want ik sta niet alleen te zingen.
En altijd voor jou, zo zegt de psalm. Als eerbetoon, als dankbetuiging, als klacht. Alles wat ik voel, daarmee kom ik uiteindelijk toch altijd weer terug bij jou, Eeuwige. En soms kan dat het beste met een lied. En voor jou, Eeuwige, zit er dan ook niets anders op, dan dat te horen en er te zijn. Voor mij. Voor ons.
Wat wij doen, in dit uur op zondag, is deze plek hier vullen, leegmaken en weer vullen. We drentelen rond om een plaatsje te zoeken, we komen naar voren om brood en wijn tot ons te nemen, en straks lopen we er met een kopje koffie en praten wat na. En verder zitten we op onze plaats en luisteren naar oude verhalen, maken de gebaren mee en zingen. Dan lopen we als het ware op de toppen van onze tenen en raken even, waar het ons om gaat. En in alle toonaarden. In de psalm 146 sporen we elkaar aan om het lied te zingen met hart en ziel. Voor de één zal dat zijn een loflied voor God, voor de ander misschien een lied dat hij dan in gods naam maar zingt. En Thom Jansen heeft ervoor gezorgd, dat al die tonen meeklinken. Onze uitbundigheid en onze aarzeleling. En dat met elkaar, en nog in harmonie ook. Dat is het wonder van muziek.