‘Wees niet bang voor hen die u vervolgen … die het lichaam doden.’ In Januari 2003 ben ik op bezoek geweest in Zimbabwe, drie weken te gast bij mijn goede vrienden Joseph en Talita. Jarenlange vriendschap en contact per brief moest maar eens bevestigd worden door een persoonlijk bezoek aan hen. Ik ben in drie weken erg geboeid geraakt door hun werk voor gerechtigheid in hun land. Hun organisatie Chiysap gaf/geeft arme mensen een stem, en jonge mensen weer een kans om op een menswaardige manier hun toekomst op te bouwen. Kort geleden, op 11 Mei, kreeg ik een e-mail van Talita. ‘Het is hoog tijd’, schreef zij, ‘dat Mugabe vertrekt; ik ben vastbesloten om daarvoor met deze jonge mensen de barricade op te gaan’. Gisteren stuurde ze weer een bericht: ‘Ik zou zo graag telefonisch contact met jou hebben om je te vertellen, hoe het met mij gaat, maar ook dat jij kunt praten met al de mensen bij mij in huis, die afgetuigd zijn en uit hun huis gejaagd, familieleden, collega’s en jonge mensen van Chiysap.’ Zij voelen angst om wat hun te wachten staat, want a.s. vrijdag zijn er verkiezingen in Zimbabwe.
Wees niet bang voor hen die u vervolgen…"
Dit is geen verhaal van 2000 jaar geleden; het is een e-mailtje van gisteren. Het is bikkelharde realiteit voor mensen, voor eigen vrienden en vriendinnen, op dit moment. Terwijl wij bij elkaar kruipen voor de buis om te kijken naar Oranje (ik doe daar niks aan af, we genieten ervan, ik ook), realiseer ik me dat zij bij elkaar kruipen om steun en bescherming bij elkaar te zoeken, uit angst voor wat hun boven het hoofd hangt in hun land.
Het is de angst die de profeet Jeremia heeft gevoeld. In de eerste lezing spreekt hij over de bedreigingen tegen hem als profeet. Hij hoort mensen fluisteren: ‘daar heb je hem, ontzetting overal, we gaan hem pakken.’ Want wat doet een profeet? Hij/zij toetst het gedrag van mensen aan Gods plan met de wereld en verzet zich tegen het onrecht dat mensen begaan tegen medemensen; en dat wil niet altijd gehoord worden. De despoot Robert Mugabe wil dat niet horen en neemt maatregelen; en Talita en haar collega’s van Chyisap zoeken steun en bescherming bij elkaar. Ik zie het voor mij: Ik ken haar, ik ken haar huis, ik ken haar familie, ik ken haar collega’s van Chiysap.
In het boek Deuteronomium spreekt God: ‘Ik zal uit hun broeders (ik voeg eraan toe: zusters) profeten doen opstaan, die Ik mijn woorden in de mond zal leggen; ze zullen alles zeggen wat Ik hen opdraag.’ Menselijkerwijs gesproken betalen mensen, als Jeremia en Talita, een prijs voor hun onverschrokkenheid; want hun boodschap is lang niet altijd welkom, zeker niet als ze gevestigde belangen aantast. Menselijkerwijs gesproken hebben profeten, als Jeremia en Talita, vaak te vrezen voor hun leven; Gods boodschap uitdragen is riskant. Voor je mening uitkomen, voor een ander opkomen, je mond open doen als mensen onderuit gehaald worden vergt veel durf en moed.
Jezus bemoedigt zijn volgelingen om zich niet te laten weerhouden door angst. Voorafgaand aan het evangelie van vandaag spreekt Hij tot zijn leerlingen over de vervolgingen die zij kunnen verwachten: ‘Ja, ik stuur jullie als schapen onder de wolven; neemt u in acht voor de mensen; zij zullen u overleveren aan de rechtbanken; gij zult voor stadhouders en koningen gebracht worden omwille van Mij; maar maakt u wanneer men u overlevert niet bezorgd over het hoe of wat van uw spreken; op dat ogenblik zal u worden ingegeven wat gij moet zeggen; want niet gij zijt het die spreekt, maar door u spreekt dan de Geest; de leerling staat niet boven zijn meester.’ Wees niet bang voor hen die u vervolgen … voor hen die het lichaam doden.
In mijn eigen leven zal het niet direct een kwestie zijn van leven en dood, als ik eerlijk mijn geweten volg, als ik het opneem tegen het onrecht dat medemensen wordt aangedaan. Wij realiseren ons nauwelijks wat een voorecht het is geboren te zijn en te mogen leven in een land als Nederland. Mijn leven staat niet direct op het spel, als ik kritiek heb op mijn regering, of als ik mijn mond opendoe in gezelschap, wanneer er grof wordt gedaan over allochtonen, over vluchtelingen, over zwervers, over moslims, over verslaafden, over homo’s of lesbiennes. Wel weten wij allemaal uit ervaring, dat er moed voor nodig is om je mond open te doen, als je klasgenoot of je collega op de werkvloer gepest wordt. Er is wel degelijk moed voor nodig, want hoe gemakkelijk wordt er dan niet geginnegapt over jou, niet meer openlijk gesproken met jou, en achter je rug gefluisterd over jou: ‘daar heb je hem/haar’. Er is moed voor nodig om te durven bouwen op je eigen inzicht, op je hart, op je geweten. Er is moed voor nodig om je mond open te doen tegen wangedrag, tegen verharding en verruwing van zeden. Er is moed voor nodig om mee te bouwen aan een mooiere wereld, aan Gods koninkrijk, aan een wereld van vrede, aan een wereld waarin plek is voor iedereen. Er is moed voor nodig om voor je geloofsovertuiging te durven uitkomen.
Tot slot dit: Talita’s verhaal past naadloos op de teksten van de lezingen vandaag. Het is niet iets van toen, het is niet iets van veraf; het is een verhaal van nu, van vrienden. Wat moeten wij met dat verhaal, wat kunnen wij ermee? Ik ga haar bellen, en met haar en met de mensen die bij haar schuilen, praten…. En zeggen dat ik het aan jullie verteld heb vandaag in de kerk, en dat we voor haar bidden. Het zal haar goed doen, … die band, die vriendschap op afstand.