Zusters en broeders,
Uit mijn kinderjaren is me de herinnering aan mijn angst voor het donker bijgebleven. Ik was misdienaar. Elke dag waren er drie missen: om halfzeven, zeven en halfacht. Veel te vroeg voor een kind, maar in ons dorp, dat een boerendorp was, was het voor iedereen vroeg dag. Dat vroege opstaan vond ik een kwelling, maar vanaf september-oktober veranderde die kwelling in een maandenlange nachtmerrie. Het bleef dan ’s morgens lang donker. We woonden niet zo ver van de kerk, maar er was in die tijd nauwelijks straatverlichting. Ik holde van lichtvlek naar lichtvlek, mijn hart bonkte in mijn keel, elke dag kwam ik buiten adem in de kerk, en in volle winter, wanneer het wel eeuwig donker leek te blijven, kwam ik ook buiten adem weer thuis. De angst zat de hele dag in mijn lijf, want de klaarte was niets meer dan een kort intermezzo, de volgende morgen was nooit veraf, en dan begon de nachtmerrie opnieuw.
Die angst voor het donker verdween toen ik wat ouder was, maar ik herkende hem later in mijn kinderen en vandaag ook in kleinkinderen. En ik herken hem ook in onze maatschappij. Angst voor elkaar, voor de ander, voor het verkeer, voor wat gisteren gebeurde en voor wat morgen kan gebeuren, voor ziekte en dood, voor werkloosheid en vreemdelingen, voor oorlog en terrorisme, voor alles en nog wat. Veel wat oudere chauffeurs durven nog nauwelijks met de auto rijden, massa’s mensen komen niet meer uit hun huis, hele stadswijken liggen er van acht uur ’s avonds doods en verlaten bij, alsof ze onbewoond zijn. De woorden van Jezus dat we niet bevreesd hoeven te zijn, lijken wereldvreemd, bestemd voor een andere planeet.
Zusters en broeders, schrik zit ons in de genen, en het is mee aan die schrik te danken dat de mens het verder gebracht heeft dan gelijk welk ander levend wezen. Die angst deed onze oervoorouders immers vluchten wanneer het nodig was, en zo overleefden ze beter dan de andere soorten. En ze ontwikkelden ook allerlei methodes om het gevaar te bezweren. Angst is dus heel normaal. Ook Jezus had angst de avond voor zijn lijden en dood. Niets menselijk was Hem immers vreemd. Dus bad Hij zijn Vader dat Hij die beker, die pijn aan Hem zou laten voorbijgaan, maar tegelijk aanvaardde Hij wat de Vader met Hem voorhad.
Vandaag zegt Hij: ‘Wees niet bang voor de mensen’, en vooral beklemtoont Hij: ‘Wees niet bang voor God. Hij kan u zonder meer in het verderf storten, maar dat doet Hij niet. Hij is u integendeel zo genegen dat Hij u helemaal kent, dat Hij u draagt in alles wat ge doet en in alles wat ge zijt. Elk haar op uw hoofd is geteld.’ En dat is een prachtig beeld voor de zorg, de kommer, de liefde waarmee God ons omringt. Bij Hem kunnen we terecht met onze angst, met onze onzekerheid, met onze gebreken. En we mogen dat ook verkondigen: ‘Spreek dat uit in het licht en verkondig het van de daken’, zegt Jezus. Spreek het uit dat je in Gods hand bent, schreeuw het van de daken.
In de eerste lezing weet ook Jeremia zich in Gods hand geborgen, zozeer zelfs dat Hij God oproept om wraak te nemen op hen die hem achtervolgen, die hem vernederen, die hem dood willen. Maar kan dat wel: bij God wraak bestellen op mensen die u niet genegen zijn? Is dat geen heiligschennend misbruik van de heilige naam van God? Het antwoord is ondubbelzinnig ja: het is een heiligschennend misbruik van God. Even heiligschennend als de ontelbare misdaden die moslimfundamentalisten over de hele wereld begaan. Even heiligschennend als het ‘God bless America’ van de Amerikaanse president Bush wanneer hij de oorlog tegen Irak aankondigde. Even heiligschennend als de godverdommes die wij, ongeweten, maar soms ook bewust, uit onze mond laten rollen.
Heiligschennend omdat we God voor de wagen van onze eigen wraak willen spannen, omdat we Hem onze vuile werkjes willen laten doen, omdat we willen dat Hij miserie en ellende bezorgt aan mensen die ons een loer hebben gedraaid, die meer chance lijken te hebben dan wij of die we gewoon niet kunnen uitstaan. Heiligschennend, omdat we God tot een beeld willen herleiden van onszelf, omdat we het wezen zelf van God ontkennen, en dat is liefde. Heiligschennend, en tegelijk heel menselijk. Ieder van ons heeft wel eens iemand vervloekt, ziekte en dood toegewenst, met de blikken vermoord. Misschien lucht het op. Ik denk hier aan mensen die vroeger en nu in kampen, in gevangenissen, in kazernes, achter prikkeldraad in elkaar geslagen werden en worden, gemarteld en vernederd, uitgehongerd en vermoord, en even verder staan de mannen die van hun leven een hel maken. Ze hebben zwepen, geweren, stokken, honden. Ze zijn weldoorvoed, ze lachen je uit, jouw pijn is hun plezier. Misschien wordt je gebed in zulke omstandigheden spontaan een vloek, een vraag om verdoemenis, een kreet om wraak. Nee, goed is het niet, wel menselijk.
Ik zei daarnet dat Jezus volledig mens was, dat niets menselijks Hem vreemd was. Behalve onze tekortkomingen. Hij kende onze angst, maar onze wraakzucht was Hem vreemd. ‘Heer, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen’, bad Hij op het kruis. Dat was zijn antwoord op de vernedering, de pijn, de onrechtvaardige dood.
Zusters en broeders, laten we het van de daken schreeuwen: ieder haar op ons hoofd is geteld, altijd is God ons nabij. Ook en vooral in pijn en verdriet. Laten we die nabijheid niet misbruiken, maar ze ervaren zoals Jezus ze heeft ervaren. Amen.