In het evangelie van dit weekeinde richt Jezus zich tot zijn apostelen. Hij zegt dat ze niet bang hoeven te zijn en dat ze daar ook geen redenen toe hebben. Ze mogen niet zwijgen, ze moeten in alle omstandigheden van de daken verkondigen wat ze van Jezus hebben vernomen. Dat is in het kort wat Jezus in dit evangelie hen wil zeggen. En dat wordt dus van ieder van ons verwacht en van mij ook.
Vorige vrijdag was het wereldvluchtelingen dag. Misschien vindt u dit niet zo opwindend maar het is wel een reuzengroot probleem wereldwijd. We worden stilaan gewoon aan de dagelijkse beelden die de televisie ons voorhoudt. Meestal blijft het dan bij een zucht: “och arme, die mensen!”. Tja, je moet het maar meemaken. Zelf ben ik geen vluchteling geweest maar ik ben wel mijn vroegere parochianen van Rwanda in de kampen van Zaïre en Tanzania gaan opzoeken. Honderdduizenden mensen opeengepakt onder een blauw plastiekzeil van de Verenigde Naties. En dat omwille van corrupte machthebbers en schuldige politieke en financiële medeplichtigen van ginder en uit Oost en West.
Omwille van vechtersbazen en krijgsheren die door de Paus en de Groten der aarde met égards worden ontvangen. Toen ik onlangs een president van een reuze Staat met zoveel eer en vooral genegenheid door Paus Ratzinger zag ontvangen worden en ik hoorde dat hij katholiek zou willen worden (nee, niet de Paus! die president, natuurlijk!…) dacht ik bij mezelf: Nondedju! Als in onze missiegebieden iemand katholiek wilde worden dan mocht, nee dan moest de lokale gemeenschap daar haar zeg ook over hebben. Dan werd door hen de toelating tot doopsel bevestigd of uitgesteld.
Het oorlogsgeweld van de laatste jaren ontketend onder leugens en bedrog vanuit een zogenoemd christelijke Far West, mag niet zomaar onder de mat geveegd worden. Daarvoor werd té veel schade aan mensen en goederen toe gebracht.
U hoort het, het zit mij hoog en het is mij aan het lijf blijven plakken. Letterlijk dan!
Wij moeten het volgens Jezus opnemen voor de verdrukten, niet voor hen die verdrukken. Misschien is dat het goddelijke in ons: dat we doorgaans de neiging hebben het spontaner op te nemen voor de zwakken dan voor de sterken. We laten ons vlugger vertederen door de loosers. Behalve dan in de arena, het stadion en de ring. Daar worden verliezers vertrapt en uitgejouwd. En ik hou mijn hart vast als ik zie dat onze wereld zo dikwijls lijkt op een arena, een stadion en een ring. En dan slaat de angst mij om het hart: hoe kunnen mensen daar in overleven, hoe kan ik daarin boven water blijven? En op dat moment zegt Jezus die troostende woorden: “Weest niet bang”. En om zich te verduidelijken kiest hij het beeld van een mus.
Met regelmaat wordt er in ons land een mussentelling gehouden. Uit het eindresultaat blijkt dat mensen erg veel van mussen houden. Men heeft het nagevraagd. Als men mensen liet doen zouden ze eksters, kraaien en duiven met geweren en gifspuiten te lijf gaan. Mussen, die liggen bij de bevolking in de bovenste schuif.
Het is misschien omdat het zo’n gewone, alledaagse vogeltjes zijn, zonder veel pretentie dat we ons aan hen verwant voelen? Dat denk ik toch. Nochtans kun je een mus bezwaarlijk een bijbelse vogel noemen. Een duif wel en nog niet zo’n klein beetje!… Ik weet niet hoe dikwijls de mus voorkomt in de bijbel. Het is moeilijk de dieren- en plantensoorten correct te vertalen uit het Hebreeuws. Ik weet wel dat Tobit blind werd door mussenpoep.(Tb 2,10) Hij had zich met open ogen te rusten gelegd tegen een muur onder een afhangende struik toen er… jewel!
Eerst wat witte plekken op zijn ogen en de gedachte die bij iedereen eerst opkomt: het zal wel over gaan! Maar het ging niet over, het werd erger en erger en hij werd totaal blind. Toch heeft die blindheid zijn geloof en vertrouwen in God niet aangetast en daardoor kreeg hij van God het licht in zijn ogen terug.
Tobit is hét troostboek geworden van de Joden in “den vreemde”. Tobit als het symbool van Gods barmhartigheid en trouw voor mensen in ballingschap, voor vluchtelingen, voor mensen als zwermen mussen verspreid in de wereld. Een groep kinderen die verongelijkt krijsend of krijtend uiteenvliegt als ze zich in gevaar voelt.
Ik heb ze gezien die “straatmussen” daar in de vluchtelingenkampen van Zaïre en Tanzania, maar ook in de armenbuurten van Kinshasa, van Calcutta, van Antananarivo, van Majunga, van Tulear, van Port-au-Prince… Kinderen in lompen en met twee glinsterende strepen onder hun neus, die zoals alle kinderen ter wereld dromen van toekomst, van geborgenheid, van genegenheid. Die vadertje en moedertje spelen tussen het afval in de straat. Die mee zouden willen tellen in de samenleving.
Die kinderen die, met hun nooit uitdovende lichtjes in de ogen, je bedeesd zeggen dat ze dokter willen worden, of verpleegster, of onderwijzeres, of een beroemde zanger, of taxischauffeur, of zuster,… Die in gedachten met steentjes en wat rommel een mooi huis bouwen en met lege cocacola-blikjes een autootje maken en er in hun dromen mee rond rijden. De straatmussen van een samenleving die niet weet wat ze met hen moet aanvangen.
Een van die jongens heeft een stripalbum getekend over zijn leven in de straat en het boek met de veelzeggende naam: “Straatmussen” betiteld. Hij had zelfs geen tafel om op te tekenen en hij heeft zijn tekenpapier dan maar ergens op de straatstenen van de stad gelegd onder een lichtende lantaarn om te kunnen tekenen. En het is voor mij de zoveelste vingerwijzing, dat de Bijbel nog niet volledig is uitgeschreven. Dat ook op de straatstenen van een armenwijk bijbelse hoofdstukken worden bijgeschreven. Hoofdstukken die nog ontbreken en die mensen aanvullen met hun eigen leven. Het levende woord van God, zeg maar, in vlees en bloed.
Wil je het geloof in een barmhartige God vinden, begin dan zelf weer de mussen te achten en de geringste te beminnen. Ik heb die mussen niet alleen in de straten van Madagaskar gezien, ik heb ze ginder ook gezien in de gevangenis. De schrik is me toen op het lijf gevallen toen ik besefte dat ik daar misschien ook had kunnen zitten. Als ik tegenslag, gebrek aan opleiding en opvoeding of misschien de verkeerde vrienden zou gehad hebben,…? Waar zou ik beland geweest zijn? Ik kan ze niet meer vergeten en achterlaten.
Ik heb gezien hoe men ze liet uithongeren en als beweeglijke skeletten in een kruiwagen naar het hospitaal voerde om eventueel nog te kunnen zeggen dat “men” hen, voor ze stierven, goed heeft laten verzorgen. Maar eigenlijk gaf niemand om hen. Jezus wist het ook al: voor een halve stuiver kon je er een kopen en opeten.
Ik heb ook weet gehad van de onschuld van veel van die in kooien opgesloten mussen. De gedetineerden van Miarinarivo waar wij in onze parochie in het nabije verleden steun aan verleend hebben. Van hun dossiers die verloren gingen, advocaten die ze zich niet konden veroorloven want te duur, rechters die moesten omgekocht worden, vrouwen die er met hun kinderen belandden om hun gevluchte mannen te verplichten zich aan te geven,…
Jezus vraagt ons zijn gelaat in hen te herkennen. En de Kerk rekent dit traditioneel bij de werken van barmhartigheid; “gevangenen verlossen”, noemt ze dat, een beetje naïef. Tegen mensen zeggen: “weest niet bang!” Wij zijn er ook nog, Wij zijn de handen en voeten van een God die zegt dat “ieder haar van je hoofd geteld is."(Mt 10,30) Wij laten je niet vallen.
Binnen enkele maanden ga ik er weer naar toe, naar die mussen van Madagaskar. En ik heb altijd wat meegekregen en goede mensen stoppen me soms wat toe voor hen. Hou me daar niet van tegen als je me hier nog enkele jaartjes wilt zien functioneren. En schudt uw tafelkleed van tijd tot tijd uit met de kruimels voor die mussen. Ik zal ze meenemen naar Madagaskar en aan de zusters overhandigen die zich over die kinderen en die gevangenen ontfermen. En dan zul je leren dat je zelf ook niet bang hoeft te zijn en zeker niet mag denken dat God niet geeft om jou. Want “zelfs een mus die van het dak valt heeft Hij gezien”. Als je dat zou kunnen geloven, dan zou je ook geloven dat God jou liefheeft.