11e zondag door het jaar A - 2002

A-cyclus · Tijd door het jaar · 11e zondag · groen

‘Bij het zien van de menigte werd Jezus door medelijden bewogen’ - en in de Griekse basistekst staat er eigenlijk letterlijk: zijn darmen keerden binnenste buiten. Zozeer was Hij aangegrepen toen Hij de velen zag die doodmoe waren, uitgeleefd en zonder hoop, en als schapen zonder herder.

Zusters en broeders, dit medelijden van Jezus is het beeld van God zelf: God is tederheid en barmhartigheid, en die gevoelens gaan volledig uit naar de mens. De mens die zichzelf voorbij leeft, tot hij er afgetobd bij neervalt. Voor die mens wil God er zijn, voor die mens is Jezus gekomen. En we zien hoe Hij reageert: ‘Aan het werk’, zegt Hij, ‘want wij zijn Gods handen en voeten.’ En dus zendt Hij zijn leerlingen uit, de wereld in. Het is voor het eerst dat Hij dit doet, en die zending is zo belangrijk dat we er ook de volgende twee weken in de evangelielezing zullen over horen. Want wat Jezus hier zegt en doet, is tot op vandaag de grondwet voor elke zending en voor elke zendeling.

Vooreerst zegt Hij dat ze moeten bidden tot de Heer van de oogst. Immers, “de oogst is groot, maar arbeiders zijn er weinig.” Het is iets dat we maar al te goed kennen. Ook nu zijn er weinig arbeiders voor Gods oogst. Komt dat misschien omdat we te weinig bidden dat God er meer zou roepen, meer zou zenden?

En nadat ze gebeden hebben, kiest Hij er twaalf uit die Hij zijn apostelen noemt. Geen grote geesten of geboren helden maar doodgewone mensen, met hun fouten en hun zwakheden, die bovendien onderling zeer verschillend waren: een paar vroegere leerlingen van Johannes, enkele vissers, zelfs een tollenaar en een zeloot. Maar een tollenaar en een zeloot, dat kàn niet samengaan. Want een tollenaar, dat was iemand die als belastingsambtenaar met de Romeinse bezetter meewerkte, terwijl een zeloot die Romeinse bezetter juist met alle mogelijke middelen bestreed, ook met de wapens. En toch brengt Jezus ze in zijn kerngroep samen. Met hen wil Hij het doen. En op die manier zegt Hij tot ons: ‘Voor God is iedereen goed genoeg. Ge moet niet volmaakt en heilig zijn om mee te werken aan zijn Rijk. En ge moet ook niet allemaal gelijk zijn, integendeel: God wil precies mensen van verschillende herkomst en van verschillende huidskleur, en ook met verschillende, zelfs tegenstrijdige talenten in zijn Huis samenbrengen.’ Zusters en broeders, als God er zo over denkt, wie zijn wij dan om daar niet mee akkoord te gaan?

Jezus heeft dus zijn twaalf apostelen gekozen, en dan zendt Hij ze uit, twee aan twee, maar eerst geeft Hij hun de macht om allerlei dingen te doen. Ook hier blijven we even bij stilstaan.

Vooreerst: Jezus geeft hun de macht. Ze gaan dus niet in eigen naam, wel in zijn naam. Hij wordt een deel van hen, en zij een deel van Hem. Samen vormen ze één geheel. Naar ons toe luidt dat: Wie over God wil spreken, wie mee wil werken aan zijn Rijk, moet effectief God verkondigen, niet zichzelf of zijn eigen opvattingen. Hij moet Gods woorden en Gods daden in herinnering brengen en ze ook beleven. Vandaag wordt van de Kerk voortdurend gezegd dat ze niet meer van deze tijd is omdat ze zich niet wil aanpassen, bijvoorbeeld inzake abortus en euthanasie. Maar de Kerk - en dat zijn wij allemaal - kàn zich niet zomaar ‘aanpassen’ en om het even wat verkondigen. Zij verkondigt en beleeft immers niet zichzelf, wel God, en onze God is een God van levenden, niet van doden. Hij, en niemand anders, bepaalt de richting die zijn Kerk moet gaan.

De apostelen worden dus uitgezonden in zijn naam, en ze krijgen vier opdrachten. Vooreerst moeten ze de zieken genezen. Zoveel mensen zijn immers getekend door kwetsuren, vooral door kwetsuren in het hart. Er is zoveel open en verborgen leed dat vraagt om troost. Er is zoveel pijn te helen. En verder moeten ze doden opwekken, moeten ze hen die levend dood zijn, die het opgegeven hebben, die moe zijn en bitter en afgestompt door de slagen van het leven of door de slagen van anderen, moeten ze al die mensen die het niet meer zien zitten nieuwe hoop geven. Moeten ze nieuw leven geven. En ze moeten ook melaatsen genezen, ze moeten toegaan naar mensen die uitgestoten worden, die wegkwijnen in eenzaamheid, die ten onder gaan aan de vele vormen van verslaving waar onze maatschappij zo ziek van is, en ze moeten hen bevrijden uit hun moordende isolement. En ten slotte moeten ze duivels uitdrijven. Ze moeten het opnemen tegen de afgoden van deze tijd: tegen genot, bezit, macht, tegen alles wat eindigt in leegte en zinloosheid. Ze moeten nieuwe zin en zingeving bieden Zusters en broeders, de opdrachten die de apostelen meekrijgen gelden onverkort tot op vandaag. Het Rijk Gods - en dat is een leefbare wereld voor iedereen - kan alleen tot stand komen wanneer mensen gegrepen worden door de nood van medemensen, wanneer mensen ertoe bewogen worden zich voor anderen in te zetten, want deze bewogenheid, dit medelijden, is het beeld zelf van God. Immers, Hij wil voor ons zijn een goede Herder. Laten we ons aan Hem spiegelen. Amen.

Zoeken in Preken Online