Roeping, het lijkt zo’n groot woord. God roept je voor een bepaalde taak, als volk, als persoon. Soms is het heel groot, een levensroeping. Voor het werk in het pastoraat heb je echt roeping nodig; anders houd je het niet vol. Maar roeping lijkt me ook iets voor het leven van alledag, voor ieder van ons. Roeping heeft te maken met: open staan voor inspiratie. Bij belangrijke zaken niet verkeerd om je af te vragen: wat vraagt God van mij op dit moment in deze situatie? Wat vraagt God van mij?
Wat vraagt God van mij? Dat is iets anders dan “Hoe hoort het eigenlijk?”. Want iets kan in het algemeen goed zijn, maar niet voor jou op dit moment. Het is ook iets anders dan “Wat zou Jezus gedaan hebben als hij nu geleefd had?”. Want dat is gauw inlegkunde. Dan ga je met je verstand een antwoord zoeken. Roeping gaat veel dieper. Wat roeping dan wel is wil ik duidelijk maken aan de hand van een voorbeeld uit de pastorale praktijk: het kan een roeping voor iemand zijn om om te leren gaan met zijn of haar handicap, een geestelijke of lichamelijke handicap.
Als ik op huisbezoek ben bij iemand die echt in de problemen zit, gebeurt het wel eens dat het gesprek blijft hangen op een bepaald niveau. Mensen vertellen eindeloos dezelfde verhalen over wat er gebeurd is, wat hen overkomen is. U herkent dat vast wel. Soms is het goed om die verhalen alle ruimte te geven. Sommige verhalen moeten steeds weer verteld kunnen worden; alleen zo is iemand in staat het gebeurde stapje voor stapje een plaats te geven in zijn leven. Maar soms denk ik: nou weet ik het allemaal wel. De kunst is dan om meer diepgang in het gesprek te brengen. Laatst zei ik tegen iemand: praten met jou is als het rondlopen in een kamer. Aan de wand hangen grote schilderingen uit jouw leven. Over jouw trofeeën, over alles waar je trots op bent. Maar vooral over jouw tragiek, over alles wat je ongelukkig maakt. Hoe meer je ernaar kijkt, hoe groter en massiever ze worden. Laten we eens met de rug naar de verhalen gaan staan. Laten we naar het midden van de ruimte gaan. Laten we de trap afdalen naar de ruimte eronder. We verlaten de wereld van de gedachten, de herinneringen en de emoties. We gaan naar de ruimte van de ziel, de ruimte waar zichtbaar kan worden wie jij ten diepste bent. Je kunt daar iets ontdekken: je hebt verdriet, je hebt woede, maar je bent niet een en al verdriet en woede. Onder al die gevoelens is er nog een andere laag, de laag van je diepste Zelf, de laag waar je rechtstreeks met God verbonden bent. Misschien kun je daar de kracht opdoen om op een andere manier terug te keren naar je dagelijks leven, de kamer van je verhalen. Dat je daar langs de schilderijen heen loopt. Je weet dat ze er zijn, maar je aandacht wordt er niet meer door opgeslokt. Zomaar ineens ga je de ramen openen, en je snuift frisse lucht op, met diepe halen. De frisse lucht van de lente, van het nieuwe leven dat in jezelf gaat groeien.
Mijn gesprekspartner had het gevoel dat de toegang tot de verdieping ónder de vele gedachten en emoties, de toegang tot de ziel geblokkeerd was. Er moest als het ware puin geruimd. Toch bleek de trap makkelijker toegankelijk dan eerst werd gedacht. Als je maar weet dat de trap naar die ruimte er is. Het vraagt wat discipline; je moet je even durven losmaken van je normale manier van doen. Maar eenmaal met de rug naar de steeds herhaalde verhalen komt er snel diepgang in het gesprek. Ineens komt de herinnering op aan een bijna-dood-ervaring, die lang gelden een tijdlang zoveel energie gaf. En de herinnering aan momenten van troost, toen het opzetten van mooie muziek of een wandeling door de natuur de depressieve gevoelens langzaam deed oplossen. En de herinnering aan een ziekenzalving, die iemand zoveel rust bracht, en overgave.
Op de bovenste verdieping kunnen mensen eindeloos dezelfde verhalen vertellen; verhalen, doorspekt met emoties, waar ze ook in gevangen kunnen zitten. Ze willen zo graag greep krijgen op hun situatie, en daarom vertellen ze steeds weer hun levensverhaal. Het kan een cirkel worden waar je eindeloos in rond blijft draaien. Op de verdieping er onder, de verdieping van de ziel, gaat het anders. Daar worden ook verhalen verteld, maar andere. Verhalen over schepping, zondeval en verlossing, Verhalen over verraad, dood en verrijzenis. Verhalen over een doortocht door de woestijn, en over mensen die openstonden voor de roepstem van God. Als we hier regelmatig naar de kerk komen, dan is dat ook om ruimte te maken voor onze ziel; om even uit onze gewone dagelijkse praktijk te stappen en naar binnen te keren. Om op een dieper niveau voedsel te vinden voor onze ziel.
Al onze verhalen en rituelen hier in de kerk zijn bedoeld om positieve krachten in ons vrij te maken. Positieve krachten, die wij genade noemen, geschenken van Gods Geest aan ons. Op de verdieping van de herinneringen en de emoties willen we ons groot houden, alles begrijpen, alles de baas worden. Maar als we durven afdalen naar de laag van de ziel komen we erachter dat het wezenlijke ons geschonken wordt. Ik ken wel mensen die zeggen: als ik met iets tob vraag ik in mijn avondgebed aan mijn engelbewaarder om mijn vraag mee te nemen naar God. En het gebeurt regelmatig dat het antwoord in me opwelt als ik wakker wordt. Zo gevoelig worden voor wat God ons wil geven, en wat God van ons vraagt; het lijkt me enorm belangrijk op onze weg naar het geluk.