Het evangelie van Matteüs gaat van het begin tot het einde over het rijk van God in de deze wereld. Dat rijk is het goede nieuws dat in de persoon van Jezus verschijnt. We worden uitgenodigd hem te volgen, zoals hij Matteüs uitnodigde om dat te doen in de evangelietekst van de vorige week. Maar het blijft niet bij een volgen alleen.
Er gebeurt iets met hen die op die uitnodiging ingaan. In hen die dat doen komt het ‘koninkrijk van God’ aanwezig. Matteüs maakte dat niet alleen maar mee in zijn eigen persoon, maar nog veel sterker in de ‘huisgemeenten’ voor wie hij zijn evangelie schreef. Die gemeenten, en de leden van die gemeenten, deelden in een kracht die van Jezus ‘uitgegaan’ was.
Het is de kracht waar Matteüs het over heeft als hij nu schrijft: ‘Hij riep zijn twaalf leerlingen bij zich en gaf hun de macht om boze geesten uit te drijven en alle ziekten en kwalen te genezen…’ Het woord dat Matteüs voor die kracht gebruikt is exousia (Gerhard Kittel besteedt in zijn Theologisches Wörterbuch zum Neuen Testament twaalf bladzijden aan deze term). In onze context hier geeft deze term aan dat zijn volgelingen de autoriteit, de invloed, de kracht van Jezus krijgen en dan ook houden.
Die macht van Jezus bestaat in het feit dat hij ‘God met ons’, ofwel Immanuël is. Daarom is in hem het koninkrijk Gods onder ons aanwezig. ‘God met ons’ is de naam die Matteüs vanaf het allereerste begin van zijn evangelie aan Jezus geeft (1,23). Het is de term die we ook aantreffen op het einde van zijn evangelie. Voor Jezus heengaat zijn zijn laatste woorden: ‘Ik zal altijd met jullie zijn’ (28,20).
Omdat ‘God met ons’ steeds bij ons zal zijn, zijn wij met diezelfde kracht bezield. Wij zelf zijn als ‘God met ons’ in deze wereld. In beginsel dragen we het koninkrijk van God in ons. Als we aan dat beginsel in ons trouw zijn, dan zullen wij de duivels rond ons uitdrijven en de wereld genezen. We zullen dan de rechtvaardigheid, de dikaiosunê, beoefenen, waar we het in onze tekstmeditatie voor de negende zondag over hadden.
Het rijk Gods is zo als een ‘zaad’ dat in ons allen en in onze gemeenten present is. Een zaad dat in ons moet opgroeien, niet omdat het einde van de wereld nabij zou zijn of iets dergelijks, maar eenvoudigweg omdat we zo ‘met God’ zijn.
Het is daarom dat we niet aan die taak ontkomen wanneer we als een gemeente bij elkaar komen om ons te bezinnen op onszelf en op onze wereld. Het is daarom dat gelovigen die - waar dan ook - bij elkaar komen om zich op Jezus’ woorden en daden te bezinnen tot die conclusie komen. Matteüs noemt hen die dat doen de ‘rechtvaardigen’ (dikaioi). Een woord dat hij zeventien keer gebruikt, meer dan alle andere evangelisten samen. Die ‘rechtvaardigen’ zullen in het koninkrijk van God ‘schitteren als de zon’ (13,43), niet alleen maar later, maar nu al hier op aarde. Ze zijn bezig met het omvormen van deze wereld, het verdrijven van alles wat schade aanricht en onkruid is, en met het genezen en stimuleren van alles wat baat en goed zaad is. Zij die deze ‘schat’ ontdekken laten al wat ze tot nog toe hadden in de steek (13,44-46), om niet alleen maar hun levens maar ook de hele wereld rond hen te herordenen.
Toen ik, nu alweer lang geleden, ergens op een jeugdfestival uitgenodigd werd om deze tekst van Matteüs over de missie die hij aan zijn leerlingen gaf te gebruiken voor een homilie, vroeg het liturgische comité dat de dienst regelde, mij om het verhaal niet uit het evangelie voor te lezen. Ze zeiden: iedereen kent die tekst zo goed, en ze hebben hem al zo vaak gehoord, dat hij eigenlijk niets meer betekent. Ze vroegen me om een pet op te zetten, en over mijn liturgische kleren een windjack aan te trekken en dan gewoon te zeggen: ‘Ik ben Matteüs, en ik zou jullie een verhaal willen vertellen over een goede vriend van me, in feite over mijn beste vriend. Zijn naam is Jezus en dit is wat Hij eens deed….'
Als je dat doet, dan is het mogelijk dat je plotseling weer merkt hoe die verhalen en parabels vuur op aarde brengen. Wij vertellen en behandelen de evangelieverhalen vaak als mythen. Mythen zijn verhalen die een bestaande orde stabiliseren, zoals apologieën die verdedigen, en satiren die aanvallen.
De verhalen over Jezus en diens parabels zijn van een andere aard. Ze blijven de bestaande orde feitelijk helemaal ondersteboven gooien. Het rijk Gods in deze wereld, in ons en in onze gemeenten, is een macht - de ‘God-met-ons’-kracht - die de bestaande chaos en economische, politieke, sociale, psychologische maar ook godsdienstige wanorde in de huidige wereld ondermijnt.
Ze schept een nieuwe orde, die van een goed geordende liefde. Juist met die taak werden zijn leerlingen uitgezonden, eerst alleen maar onder de verloren schapen van het huis van Israël, maar daarna ook onder alle naties en volkeren van de wereld…