Jezus confronteert ons met de twee gezichten van onszelf. Soms neigen we meer naar de Farizeeërs, soms lijken we meer op de Tollenaars.
Als we eerlijk in de spiegel kijken moeten we toegeven dat we heel hard ons best doen om Farizeeër te zijn. We willen toch zo graag rechtvaardig, vroom, edelmoedig en rechtschapen zijn. We doen heel hard ons best om goed te zijn, om vooruit te komen in het leven, om carrière te maken, om te imponeren, om de show te stelen. (schrappen wat niet past)
We brengen offers.
Maar we hebben ook onze kleine kantjes, onze zwakke momenten, onze foutjes en gebreken. We zetten al eens een misstapje. Kortom : ook het tollenaarschap is ons niet vreemd.
En wat lezen we vandaag in het Evangelie ? In tegenstelling tot wat je als mens zou verwachten. Jezus kiest voor de zondaar om bij hem thuis uit te nodigen, om te ontmoeten. Wellicht tot ongenoegen van de rechtvaardige goedbedoeler in ons : Wat doet Hij nu ?
Jezus gebruikt de woorden van de kleine profeest Hosea (uit de Eerste Lezing) en zegt : “Ik moet uw offers niet, ik wil barmhartigheid.”
Dit is een heel actuele boodschap omdat hiermee wordt ingegaan tegen de huidige prestatiemaatschappij die constant offers van ons vraagt. We moeten de beste zijn.
Het Evangelie roept ons op te kiezen voor de drugsverslaafden, voor de illegalen, voor de vluchtelingen, voor de aidspatiënten, voor de vereenzaamde arme bejaarden, …., voor al degenen waar we geen tijd voor hebben.
Jezus doorziet ons. Hij zegt ons - met bijna zoveel woorden : Ik moet uw geploeter niet want uw levenswandel komt mij over als schijn ……….. heilig.
Uw offers hebben niet veel met (naasten)liefde, maar eerder met eigenliefde te maken. Uw liefde is te berekend en niet onbaatzuchtig genoeg.
Voorwaar een pijnlijke confrontatie met de spiegel.
Jezus roept ons op om lief te hebben, totaal, onberekend, zonder voorbedachte rade, die mensen die we niet kiezen maar die onze weg ‘toevallig’ kruisen : de bedelaars in het station, de zieken, de kleinen.
Tegelijk vraagt Hij dat we leren tevreden zijn met onze zwakheid om vreugdevol uit te kijken naar zijn barmhartigheid. Als we kinderen van God willen worden is elk streven naar volmaaktheid nutteloos, is elke pretentie van heiligheid ongepast en elk krampachtig ons best doen overbodig.
Want vergeet het niet : “Niet de gezonden hebben een dokter nodig maar de zieken. Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te genezen, maar zondaars …”