Uittocht en eredienst

A-cyclus · Tijd door het jaar · 10e zondag · groen

Op een van zijn eerste tochten in onze wereld zag Jezus een man, die als belastingambtenaar een gehate vertegenwoordiger was van de Romeinse bezettende macht. Matteüs zat voor zijn tolhuis bij een slagboom die hij niet alleen maar gebruikte om de verplichte staatsbelasting te innen, maar ook voor de extra’s die hij daarvan in zijn eigen zak stak. Jezus zei tegen hem: ‘Volg mij.’ De man stond op en volgde hem. Tot op dat ogenblik was Matteüs geen vrij man geweest. Hij was een gekolonialiseerd iemand. Hij had zich afhankelijk gemaakt van de onderdrukkers van zijn volk. Hij moest voortdurend blijk geven van zijn loyaliteit aan hen, en dansen op de tonen van hun muziek. Hij was een landverrader, een collaborateur.

Matteüs had zijn vrijheid ook op een andere manier verloren. Op een vlak dat dieper lag. Hij was een zondaar. Hij zat vast aan zijn liefde voor geld, zijn carrière. Daarom had hij zich ingelaten met al de corruptie waarin hij nu gevangen zat. Hij zat zo verankerd in al dat bedrog en die leugens over zichzelf, dat hij niet meer kon doen wat hij zou willen doen. Hij had zijn controle over zichzelf en zijn prioriteiten in het leven verloren. Hij leek in dit alles op velen onder ons. Hij leek op bijna iedereen van ons. Daarom is het verhaal over hem zo’n belangrijk gebeuren.

Dan komt Jezus dat leven binnen. Eerst is het alsof hij er alleen maar langs heen loopt. Maar dan staat hij stil, kijkt hem aan, en pikt hem uit die cirkel die hem gevangen houdt. Hij nodigt hem uit. Hij forceert niets. Hij dwingt niets af. Hij zegt alleen maar: ‘Kom met me mee, volg me, bevrijd jezelf, stap je gevangeniscel uit, pak je leven opnieuw aan, leef het leven dat je wilt leven, kom..!’ Hij kwam mee. Hij volgde hem, hij bevrijdde zich uit de handen van de Romeinen en van zijn interesse voor geld.

Het is een ware exodus, een uittochtverhaal. Matteüs begint een nieuw leven. Het leven van de bevrijde Jezus. Dat exodusgebeuren bepaalt het hele leven van Jezus. Hij wachtte tot Pasen voor hij zelf zijn alles beslissende ‘uittocht’ begon. Hij deed dat op de avond dat alle gelovigen in Jeruzalem en alle steden en dorpen van Israël hun exodus uit Egypte vierden. De avond dat in iedere familie de jongste in het gezin aan zijn ouders vroeg: ‘Waarom zitten we hier nu zo samen rond deze tafel met die bittere kruiden en al die andere dingen?’ De avond dat het verhaal verteld werd over hun uittocht uit Egypte, hoe ze die avond alle banden en boeien verbraken, al hun moed bij elkaar raapten en met Jahweh optrokken naar de vrijheid van een nieuwe toekomst.

Toen hij dat maal voor de laatste keer met hen vierde zei hij tegen hen wat hij tegen Matteüs gezegd had: ‘Volg mij!’ Het is die exodus van Jezus en van al degenen die hem volgden, die we nu hier vieren.

Het is niet zijn bedoeling dat we dat alleen maar doen als een soort gedachtenis, die niet meer dan rite is. We worden geacht te doen wat hij deed, om hem te gedenken. We worden uitgenodigd te doen wat Matteüs deed toen hij van zijn stoel opstond en de oude banden verbrak.

Zijn onze vieringen dergelijke uittochten? We vieren onze liturgie soms op een manier, dat ze precies het tegenovergestelde bewerkt. Dat zo’n viering geen bevrijding betekent, maar dat het alleen maar een soort valse vertroosting is, een doekje voor het bloeden, een reden om verder helemaal niets aan onze wereld en aan onze situatie daarin te doen.

De Westindische psychiater en politicus Franz Fanon beschreef eens hoe gekolonialiseerde mensen dansend hun riten vieren. Hij schreef: ‘Op een vastgesteld uur, en op een vaste datum, komen mannen en vrouwen samen, en terwijl de hele bevolking toekijkt, ontspannen zij zich in een pantomime, die aanvankelijk chaotisch lijkt, maar die dan in feite een systematisch schudden van het hoofd, een buigen van de rug, een vooruit en achteruit bewegen van het lichaam blijkt te zijn…’ Hij zegt dan dat dansers en toeschouwers even van hun frustraties, hun woede, hun geweld en agressiviteit verlost worden. Hij beweert dat zo’n viering zelfs een economische rol speelt. Als ze komen dan zijn de deelnemers gespannen, ongeduldig, in de war, en wanhopig. Na de dans zijn ze ontspannen, gedwee, op orde gezet, en weer klaar om hun lot te aanvaarden. De dans is een kalmeringsmiddel, een soort opium.

Ook wij kunnen onze liturgie, Jezus’ uittocht, zijn dood en verrijzenis, zijn nieuwe leven en zijn ‘sta op en volg mij!’ op een dergelijke manier vieren. We staan op, we gaan zitten, we knielen, we staan weer op, we slaan op onze borst, we buigen ons hoofd, en we blijven bij dat alles op de plaats rust in onze wereld. We worden geacht op te staan, en hem te volgen, uit ons gemeenschappelijke, maar ook uit ons persoonlijke Egypte, zoals Matteüs dat deed…

Zoeken in Preken Online