Mensen die excuses maken voor hun onkerkelijkheid hoor je nogal eens zeggen: ‘In de kerk is veel huichelachtigheid. Kijk maar eens wie vooraan zitten en hoe zij zich in het dagelijks leven gedragen. Ze praten en doen wel mooi en hebben hun mond vol over God, maar hun hart kiest een andere golflengte.’ De profeet Hosea zegt ook zoiets in de eerste lezing: ‘Als het jullie Joden slecht gaat, dan kom je wel naar de Tempel, dan sla je wel aan het bidden en offeren. En je denkt: God laat zich vermurwen. Maar de Heer zegt: Alstublieft geen steekpenningen. Jullie vroomheid is slechts ochtendmist. Zo gauw de zon opkomt is alles verdwenen. God laat zich niet omkopen zoals velen van jullie geneigd zijn te doen. Barmhartigheid wil ik en geen offers.’ Jezus zegt het Hosea na in het evangelie. God smeekt ons om zijn beeld te zijn, zijn Zoon, zijn kinderen; Hij smeekt ons om zijn handen in deze wereld te zijn. Zijn voeten op weg naar wie berooid zijn en verdrukt. Kijk maar naar Jezus in het evangelie. Het is de schrijver zelf die dit is overkomen. Matteüs wordt geroepen en treedt toe tot het gezelschap van Jezus. Daar hoort uiteraard een diner bij. En dan zijn er de verwij¬ten van de vromen: ‘Hij is toch een tollenaar, een mens die niet deugt, een overloper en verrader.’ Jezus lijkt hun te antwoorden: ‘Als je buiten blijft staan is dat inderdaad zo, maar als je binnen bent, is die man veel meer dan dat. Als je buiten blijft staan, zie je alleen de buitenkant en zul je niet begrijpen wie hij echt van binnen is. Alleen door bij hen binnen te gaan, zul je echt leren wat je te doen hebt. Daarom eet ik met hen, daarom trek Ik met hen op, daarom overwin Ik mijn angst en probeer te voelen wat er dan met de ander gebeurt.’\
Zo doen, dunkt mij, heeft te maken met de barmhartigheid waarover Jezus vandaag spreekt. Een eindje meelopen met mensen, met hen aan tafel gaan. Luisteren en leren over begeerte naar groot geld, over isolement en uitstoting en toch verlangen naar gemeenschap. Over tekort en vergeving. Je kunt dat overigens alleen maar doen bij hen die je toelaten, die je als reisgezelschap verdragen, die zich bij jou veilig voelen, omdat je door hun tekort heen ziet.
Zo wil Jezus met ons omgaan, als wij tenminste Hem als gezelschap verdragen en dat kan alleen als we durven toegeven dat we soms ziek zijn, ons onmachtig voelen, verkeerde keuzes maken, ons op sleeptouw laten nemen door de wereld en haar verlokkingen. En dan lukt het ook om barmhartig te zijn naar onze omgeving. We weten nu immers wat we de ander met ons gezelschap aandoen. We hebben nu geleerd om even maar te zwijgen over de buitenkant en in te treden in de diepere beweegredenen van hen, die we tegenkomen. Zo doen zal alleen lukken als we beginnen bij onszelf. Meer en meer zien hoe we in elkaar zitten, wat ons beweegt, waarom we doen wat we doen. En dan van ons hart geen moordkuil maken, durven bekennen, geen mooi weer spelen, maar wel weten: ik ben gelukkig meer dan mijn tekort. Door samen tekorten te delen groeit er gemeenschap, gaan mensen bij elkaar binnen, verdampen de vooroordelen en gaat de zon op van gerechtigheid. Letterlijk: dan verschijnen mooie mensen die eindelijk tot hun recht komen. Matteüs kan erover meepraten. Zoals Jezus zegt: ‘Treedt binnen in de vreugde van uw Heer.’…