Naamgeven is opnieuw geboren worden

A-cyclus · Advent · 4e zondag van de Advent · paars

Hier is de nieuwe Jozef. Iemand uit het Huis van David, zoais Matteüs in de stamboom van Jezus duidelijk schrijft, maar allerminst ‘n vorst. Ook in onze afbeeldingen heeft hij nooit iets vorstelijks gekregen. Maria was aanvankelijk ook geen koningin, maar ze is door de geschiedenis tot koningin gekroond. Jozef niet. Hij is achter de troon blijven staan. Ik denk, dat deze ontwikkeling niet de bedoeling is geweest van degenen die de verhalen over de geboorte van Jezus hebben opgeschreven. Als je goed leest, zijn daar Maria en Jozef gelijk en wordt er door de evangelist ook een dui­delijke lijn getrokken naar de eerste Jozef, onderkoning van Egypte. Want beiden zijn dromers. Ze dromen zich een nieuwe wereld en ze dromen zich een eigen rol in dat nieuwe bestel. De ene Jozef komt bij zijn familie aan met een droom over zon, maan en sterren, over korenschoven, die buigen en eer bewijzen aan de Ene. En de tweede Jozef droomt over een engel des Heren die hem verschijnt evenals aan zijn echtgeno­te en zegt: “Vrees niet.” En dan hoor je diezelfde prachtige boodschap zoals bij Maria: “Vrees niet uw vrouw Maria tot u te nemen, het kind in haar schoot is van de heilige Geest.” “En Hij zal groot zijn”, zegt de engel tegen Maria; en tegen hem: “en gij zult hem Jezus noemen.” “En hij zal Koning zijn voor eeuwig”, horen we bij Maria. “En Hij zal zijn volk redden van hun zonden”, zegt de engel tegen Jozef.

Maria en Jozef, zo meen ik, hebben beiden de speciale verkondiging van de komst van de Heer mogen horen en beiden hebben ze een rol in het heilsbestel. Zij zal baren; gij zult noemen. Zoals u weet, is het noemen van een naam een tweede geboorte. Het geven van de naam hij de doop betekent: instaan voor ‘n hele opvoe­ding. Het betekent: je hand opleggen en zeggen: ik neem jouw leven in mijn hand, ik ga met jou verantwoordelijkheid dragen voor je toekomst. Al in het eerste Bijbelboek staat: toen voerde God de Heer alle dieren tot de mens om te zien, hoe de mens ze zou noemen. En zoals de mens ze noemde, zo zouden ze heten. Daar wordt verant­woordelijkheid voor de hele schepping in de handen van mensen gelegd. Nog een voorbeeld. Als Mozes in de woestijn naar zijn volk moet, dan vraagt hij ten leste aan zijn opdrachtgever, God de Heer zelf: “En als ze mij vragen wie mij heeft gestuurd, wat moet ik dan zeggen?” En God noemt zijn Naam. “Zeg: ‘Ik-ben-die-ben’ heeft mij gezonden. De God van uw vaderen Abraham, Isaak en Jakob. Dit is mijn Naam bij u voor eeuwig.” Daarmee levert God zich uit aan mensen. Hij wordt ons gezelschap in de geschiedenis. Hij heeft de plaats die wij Hem geven. Nooit zal Hij zich een plaats veroveren.

“En gij zult hem Jezus noemen.” Wat betekent dat anders dan dat het leven van de Heer wordt gelegd in Jozefs handen? In hun nabijheid en door hun toedoen is Jezus gegroeid in de loop van een lang leven. Jozef en Maria hebben ingestaan voor het programma dat Hem bij de geboorte is meegegeven. Want de naam Jezus betekent: “De Heer redt.” Zij zal baren én gij zult noemen én Hij zal redden. Dat is de rolverde­ling van dat heilsspel dat wij in deze weken gedenken en vieren. Niemand te veel, niemand te weinig. Maria en Jozef, ze staan daar samen in de geschiedenis, met Jezus tussen hen in. En je kunt ook zeggen: Jezus is Jezus geworden door Jozef. Zo hebben zij elkaar aan het licht getild…

Zoeken in Preken Online