Moederschap is een veel zekerder en onomstotelijker gegeven dan vaderschap. Wat je vader betreft: je moet je moeder maar geloven. Wat je kind betreft: je moet je vrouw, je moet je vriendin maar geloven.
In de bekende roman De passievrucht (1999) van de veel te jong te jong gestorven schrijver en journalist Karel Glastra van Loon (1962-2005), een boek, hoe kan het anders, dat zich natuurlijk weer eens afspeelt in Amsterdam, in ons eigen stadsdeel; in dat boek De passievrucht ontdekt een man die een zoon van dertien heeft, Bo, ná de dood van zijn vrouw, de moeder van Bo, dat hij al zijn hele leven onvruchtbaar is. Een bizar gegeven. Maar u weet: de werkelijkheid sláát altijd elke fictie. Wie is de biologische vader van Bo? Het blijkt de opa van de jongen te zijn, de vader van de hoofdpersoon van het boek. Ga er maar aanstaan.
Wij begrijpen Jozef, de man, de verloofde, de vriend van Maria dus maar al te goed. Het is een gênante situatie waarvoor hij komt te staan. En dat, denk je eens in, “in die dagen”. Ik denk: vergelijk de moraal in die tijd maar met die van strenge moslimsfamilies in onze tijd. Of met die van de katholieken in de tijd dat deze kerk werd gebouwd en nog lang daarná. Deze evangelietekst doet mij altijd onweerstaanbaar denken aan de volwassen wordende jeugd in de sixties. Dat waren de jaren dat in Nederland alles begon te schuiven. Het waren de jaren van de zogenaamde “generatiekloof”: jonge mensen die halverwege de jaren zestig zestien, achttien, twintig jaar oud waren, weigerden om nog langer te leven conform de heilige richtlijnen zoals kerk en samenleving die voorschreven, heilige richtlijnen waaraan hun ouders meestal nog braaf en con amore hadden gehoorzaamd. Er kwam een scheur in die uniformiteit van de voorgeschreven en gedeelde, van generatie op generatie doorgegeven moraal, met name de huwelijksmoraal. Vooral de uitvinding van “de pil” en andere anti-conceptieve methodes waren daarvoor verantwoordelijk denk ik. Want daardoor werd het veel gemakkelijker om het genieten van seksualiteit te scheiden van het zwangerworden. De jeugd ging daarin natuurlijk vooróp. Dit vaak tot grote ontsteltenis, verontwaardiging, ja wóede van brave en vrome ouders. Enorme clashes kwamen er in die tijd tussen ouders en kinderen. Mensen die ouder zijn dan ik weten daar in elk geval alles van. Ik was in die tijd nog maar een kind.
Hét voorbeeld van dit alles in mijn leven is Marianne, mijn oudste nicht aan vaderszijde. In 2003 is zij, ook al veel te jong, op tweeënvijftigjarige leeftijd plotseling gestorven. In 1968 was Marianne dus achttien. En ik weet nog: Marianne bewoog zich in kringen van kunstenaars en wat in die tijd hippies werden genoemd. En Marianne werd ongehuwd zwanger. Zij was wat in die dagen een BOM-moeder, een Bewust Ongehuwde Moeder, werd genoemd. Met name voor haar vader, mijn ome Jaap, een in-goede en diep-godsdienstige man, een echte Jozef-figuur; ome Jaap (hij is pas negentig geworden); hij had toen, net als de man, de verloofde, de vriend van Maria gróte moeite met dat gegeven van die zwangerschap waarmee hij zomaar wordt geconfronteerd. Wat moest, wat móet dat? En: wat moest, respektievelijk: wat moet híj daarmee? Mijn ome Jaap destijds, Jozef in onze evangelie-passage, de hoofdpersoon in De passievrucht van Karel Glastra van Loon en de ervaring is natuurlijk van alle tijden: mánnen kunnen op die manier echt voor het blok worden gezet.
Jozef reageerde minder heftig dan mijn ome Jaap destijds. We hebben het gehoord: omdat hij “haar niet in opspraak wilde brengen, dacht hij erover in stilte van haar te scheiden.” Maar, “terwijl hij dit overwoog, verscheen hem in een droom een engel van de Heer die tot hem sprak.” Ja zo is dat mensen: in onze dromen spreekt ons diepste wezen. In dromen spreekt ons diepste verlangen. In onze dromen spreekt de hoogste wijsheid en spreekt de hoogste liefde. In onze dromen spreekt God. En God kijkt en God denkt anders dan “de mensen” vaak kijken en denken. God kijkt door de oppervlakte van de dingen, van de gebeurtenissen, van de mensen héén. De dingen, de gebeurtenissen, de mensen betekenen vaak iets anders dan wíj geneígd zijn te denken. In Gods Licht wordt alles anders en gaat alles stralen.
Denk maar aan de sneeuw die in deze afgelopen week en ook in de afgelopen nacht zo overvloedig is gevallen. Die “witte Kerst” hebben we vandaag al een beetje. Wat betekent die sneeuw? Hoe beleef je die? Hoe kijk je er tegen aan? Ik was van de week in de hal van het bekende, vanouds katholieke zorgcentrum Sint-Jacob, aan de Plantage Middenlaan. Komt er een mevrouw, begin zestig schatte ik haar, bijna briesend van buiten de hal inlopen: “Getverdemme, die sneeuwtroep”. Ik vond het bijna schokkend om het te horen. Hoe kán iemand zo’n wonder als dat van versgevallen sneeuw zó beledigen? Vervolgens kwam ik in contact met een andere mevrouw, dik in de tachtig denk ik maar heel monter, die in de hal een haring kwam kopen. Ja, dat heb je nog op vrijdag in Sint-Jakob. Deze mevrouw zei, terwijl ze opgetogen naar buiten keek: “Sneeuw bedekt alle schande”. Wat was, wat is dát mooi gezegd. “Sneeuw bedekt al onze schande”. In het Amsterdam van december 2010, geheel van streek en ontdaan door wat zich heeft afgespeeld in “Het Hofnarretje” en “Het Knuffelparadijs”, zijn zulke woorden welkom, dunkt mij. Moge de sneeuw al onze schande bedekken. “Was mij en ik zal witter dan sneeuw zijn”, zo klínkt het in, zo bídt de eenenvijftigste psalm[1]. Mogen die lieve, prachtige kinderen van wie de zuiverheid, de puurheid, ja de heiligheid zo bedreigd of zelfs afschuwelijk geschonden is, mogen zij door de inwerking en de kracht en de liefde van God gereinigd en genezen worden. Mogen ook hun ouders het worden. Mogen allen weer stralen …
Ik ging in Sint-Jakob op bezoek bij één van ons, bij iemand die, om met de woorden van Paulus in de Romeinenbrief vandaag “geroepen is door God tot de gemeenschap van Jezus Christus”, tot “zijn heilige gemeente”. Vele jaren geleden heb ik hem gedoopt. En hij is een prachtige gelovige geworden. Dat was hij eigenlijk altijd al, van kindsbeen af. Nu is hij oud en zit hij vol tumoren. Een buurvrouw had een fotoalbum voor hem samengesteld. Foto’s van hem en zijn vriend met wie hij al vijftig jaar lang lief en leed deelt. Foto’s van hun prachtige flatwoning in Amsterdam-Noord. Een foto van het Mariabeeld thuis. “Het mooiste vind ik achterin” zei hij. De laatste opname in het boek is een foto van de ondergaande zon, genómen vanaf de galerij vóór hun flat, op de tiende etage of zo. De zon die zakt over de stad en de weilanden. De zon die zakt over een leven. “Ik heb overal vrede mee” zegt hij. En met ontroering bidden wij samen een stukje van de rozenkrans, lees ik het evangelie van de dag en mag ik hem de communie geven. Deze man kijkt uit op een binnenplaats van Sint-Jacob. Geen opwindend uitzicht. Maar ook hij zág de sneeuw. En hij genoot ervan. Ook hij zag en ziet … het wonder van God. Mogen wij het allen zien: in de sneeuw, in kinderen, in elk kind, in het kind dat wij, mét Jozef en Maria, opnieuw verwachten. Moge Hij, de komende, de koning der glorie, onze poorten binnengaan (Psalm 24, 7, 9). Amen.