Vandaag vinden wij Johannes de Doper terug in de duistere gevangenis. Hij had aan de Jordaan gepreekt, heel Jeruzalem was hem achterna gelopen als de gevierde profeet en nu is hij de gevangene van een bijgelovige koning, de speelbal van een boze vrouw, die enkel nog zijn dood wilde. Maar de beproeving van Johannes ging nog veel dieper. Hij had de komst van een Messias aangekondigd, die de wereld zou oordelen in vuur, als iemand die de wan in de hand heeft om het kaf van het koren te scheiden om het dan te verbranden in het vuur. En wat hoorde hij nu van Jezus? In plaats van geweld kondigde Jezus de barmhartigheid aan, in plaats van de zondaars te veroordelen zat Hij met zondaars aan tafel, in plaats van de mensen te vernietigen bracht Hij hen tot nieuw leven. Was dat de Messias?
Daarom zond hij zijn leerlingen naar Jezus met de vraag: “Zijt Gij de komende of hebben wij een ander te verwachten?” Jezus wijst hen op zijn daden: Kijk wat hier gebeurt, hoe overal mensen tot leven komen. Blinden zien, lammen lopen, melaatsen genezen, doven horen en doden staan op. Hij is niet gekomen om de wereld te veroordelen, maar om leven te brengen, een overvloed van leven. Jezus moet wel begrepen hebben wat er in het hart van Johannes omging en daarom voegt hij er een heel milde opmerking aan toe: “Zalig die zich aan Mij niet ergert!”
Wij staan vaak in dezelfde situatie als Johannes. Wij komen met de persoon van Jezus ook niet klaar. Hoe meer men zich aan Jezus overgeeft, des te groter worden de vragen omtrent de persoon van Jezus. Jezus is altijd anders dan wij, mensen. Ons geloof in Hem wordt dikwijls op de proef gesteld. Ik had gehoopt dat Hij mij zou helpen en Hij laat mij in de duisternis. Ik had gehoopt dat Hij mij zou genezen, zou verlossen van mijn kruis en blijkbaar word ik aan mijn lot overgelaten. Wij zouden verwachten dat God straffend ingrijpt, een oordeel zou vellen over het boze in de wereld en wat zien wij?.
“Zijt Gij het die komen moet, of hebben wij iemand anders te verwachten?” Dat is de vraag die ons nu ook nog bezig houdt. Is het Jezus die de wereld redden kan, of hebben wij de redding van anderen te verwachten? Raakt ons geloof in Jezus het leven, of gaat het leven aan ons geloof voorbij? Veel mensen denken dat het christendom in de oplossing van de wereldproblemen te kort geschoten is. Zij zoeken bij anderen hun redding. Bij politici, bij psychologen of astrologen.
De advent is een oproep om het getuigenis van Jezus aan deze wereld zichtbaar te maken. Dat kunnen wij alleen door onze dienst aan de wereld. Evenals Jezus moeten wij ons in dienst stellen van het leven overal waar het bedreigd wordt. Jezus heeft zijn zending geloofwaardig gemaakt door zich overal in te zetten om het volle leven tot zijn recht te laten komen. Wij moeten de zending van de Kerk in deze wereld geloofwaardig maken, door op onze manier het leven te bevorderen waar het bedreigd wordt. Wij verkondigen de eerbied voor de natuur, die een gave van de Schepper is. De werken van de mensen mogen niet leiden tot de vernietiging van de natuur. Wij verkondigen de eerbied voor het ongeboren leven. Een volk dat zich niet meer bekommert om het leven in de schoot van de moeder, die het als een bezit beschouwt, waarmee men kan experimenteren, gaat ten onder. Wij moeten zorg dragen voor de werklozen en ons inzetten voor een rechtvaardige arbeidsverdeling. Wij moeten zorg dragen voor een gezond gezinsleven voor onze jeugd, voor een menselijke bestaansmogelijkheid voor onze ouden van dagen. Wij moeten zorg dragen ook voor alle mensen in de wereld, opdat ze alles zullen hebben wat nodig is voor een menswaardig leven. Zo alleen zetten wij het heilswerk voort dat Jezus begonnen is door blinden te laten zien en doven te laten horen. Zalig zij die zich aan deze weg niet ergeren. Als veel mensen van anderen redding verwachten dan is het omdat velen niets meer zien van het heilswerk dat door Jezus begonnen is. Daarom ergeren zij zich aan Jezus en zijn Kerk. Daarom kunnen zij niet meer geloven.
In de roman “De Gebroeders Karamazov” heeft de Russische schrijver Dostojewski het over een vrouw, die haar geloof in het eeuwige leven verloren heeft. In haar gewetensangst gaat de vrouw naar een monnik en vraagt hem: “Wat moet ik doen?” Het antwoord van de monnik kan ons verbazen: “Bemin je evennaaste en je zult weer geloven.” Hij spoort de vrouw niet aan om zich te bezinnen in de eenzaamheid. Hij spoort haar ook niet aan om te bidden, opdat God haar het licht van het geloof zal terugschenken. Hij doet geen poging om haar met redeneringen te overtuigen. Hij wijst haar alleen op de werken van de christelijke naastenliefde.
“Zalig die zich aan Mij niet ergert!” Jezus heeft zich helemaal ingezet ten dienste van het leven, Hij is gekomen niet om te veroordelen, maar opdat de mensen het leven in overvloed zouden bezitten. Onze ergernis aan Jezus kunnen wij niet beter overwinnen dan de ogen open te houden voor het goede dat overal geschiedt en ons daarvoor op onze beurt open te stellen…
Zijt Gij het, die komen moet?
A-cyclus · Advent · 3e zondag van de Advent · roze