* Joh. de Doper, die vorige week met veel brio de Messias had aangekondigd, zit vandaag gekerkerd in Herodes’ burchtgevangenis Macheronte, aan de verlaten oostkant van de Dode Zee. Intussen had Jezus zelf de wijk genomen naar Galilea om zijn zending te starten.
* Het was een tijd van zenuwslopende crisissen: Een politieke en economische crisis: de Joden moesten tot 35 à 40 % van hun inkomsten afstaan aan de Romeinse bezetter. Maar ook een tijd van zedelijk verval. Men zag koortsachtig uit naar een bevrijder: ofwel iemand die gewapenderhand de Romeinen buiten zou drijven (de Farizeeën en zeloten); ofwel iemand die drastisch het moreel verval zou stoppen (de groep van de Doper): “De bijl ligt reeds aan de wortel… Hij zal het kaf verbranden…” (Mt 3, 1-12). Maar Jezus treedt niet op met geweld, en Hij gaat de Doper niet bevrijden. Vandaar de vertwijfeling van de Doper: “Zijt Gij het die komen moet, of hebben we iemand anders te verwachten ?” (Mt 11, 2-11).
\
1. De ontgoocheling van Joh. de Doper is het begin van de spiraal van de geleidelijke en diepgaande zelfopenbaring van Jezus tegenover het hardnekkig onbegrip van zijn tijdgenoten.
In de vraag welke Messias of verlosser men moest verwachten, schuilde een groot misverstand. En dit misverstand werd een constante doorheen de vier evangeliën.
\
- Dat onbegrip bestond vanaf het begin reeds bij zijn verwanten en dorpsgenoten. Het leefde bij zijn leerlingen. Daarom zei Jezus tot hen: “ En wie zegt gij dat Ik ben ?” (Mt 16, 16) waarop Petrus het gekende antwoord gaf: “ Gij zijt de Christus (Messias)…” Doch dat woord “Messias” was besmet met een politieke betekenis, en daarom verbood Jezus hun dit voort te vertellen. Men zou het verkeerd verstaan hebben. Eerst zou de Mensenzoon moeten lijden. Dat is het Messiaans geheim. Het woord “Mensenzoon” geeft ons het beeld van de man die niet leeft van harde wetten, noch van wapengekletter of dwang, maar wel van iemand wiens macht de kracht van de liefde is: “ blinden zien, lammen lopen, melaatsen genezen, … en aan de armen wordt de Blijde Boodschap verkondigd. Gelukkig hij die zich aan Mij niet ergert”. – Dat onbegrip kwam terug bij de hogepriester Kajafas: “Zijt Gij de Christus…?” En Jezus: “Dat woord gebruikt gij. Maar Ik zeg u: ge zult de Mensenzoon zien komen…” (Mt 26, 63-64). Zo ook bij Pilatus: ”Zijt Gij koning ?” (Joh. 18, 33), waarop Jezus: “ Mijn koningschap is niet van deze wereld… Mijn koningschap is niet van hier.” (Joh. 18,36). Jezus heeft altijd moeten corrigeren en bijsturen. Zijn Messiasschap was anders.
– Er bestaat een wondere zin van Jezus tot de Joden : “Wanneer gij de Mensenzoon omhoog zult hebben geheven, dan zult ge inzien dat Ik ben.” (Joh 8,28). “ Ik ben” is de naam van God. Op het kruis leren we God kennen. Pas daar wordt het woord van Johannes de Doper volledig ontsluierd: “Zie het Lam Gods “ (Joh 1, 29). Dat woord had de Doper eerst zelf onderschat. Hij had toch gezegd: “ Onder u staat Hij die gij niet kent” (Joh 1, 26), en bij herhaling: “Ook ik kende Hem niet.” (Joh 1, 31,33). Hij kende Hem wel. Hij was zijn kozijn. Maar Hij kende Hem niet in de diepte, zoals Hij als Mensenzoon wilde zijn. Johannes die de bekering preekte, was zelf nog aan bekering toe. Daarom zei Jezus: “ De kleinste in het Rijk der hemelen is groter dan hij.” (Mt 11, 11) Met Jezus begint een ommekeer in de geschiedenis. Pas op het kruis leren we de Liefde kennen die bij de kerstkribbe begint.\
2. De vraag van Joh. de Doper leeft vandaag nog in ons. Van welke Messias dromen wij ?
- Wij houden van een Jezus die we zelf ontwerpen; van een God die we onderschikken aan onze planning of spectaculair tussenkomt om het kwade in de wereld ongedaan te maken. Anno 1985 zei de Paus te Leuven: “Jezus is het antwoord”. Maar wat zijn onze vragen? Van welke vragen leven wij ? In onze vragen leren we onszelf kennen.
\ - Of wij willen een Kerk zoals wij die projecteren. De Franse auteur Gerard Leclercq schreef een boek: “Pourquoi veut-on tuer l’Eglise ?”( Waarom wil men de Kerk doden ?) En hij geeft als antwoord: “Omdat men de Christus verwerpt, zoals de Kerk Hem al 20 eeuwen heeft verkondigd.” Zoals Christus een teken van tegenspraak was, een “steen des aanstoots” (Rom. 9,32; Jes. 28,16; 8,14) of “de steen die de bouwlieden hebben afgekeurd, maar die hoeksteen is geworden” (1 Petr. 2, 4-7), zo gaat het ook met de Kerk die Christus voortzet, en met iedereen die Christus’ leerling wil zijn. Wat Hij van ons vraagt is de grote ommezwaai, de bereidheid af te dalen naar de dingen die niet op onze agenda stonden, naar de echtheid, naar de eenvoud van de liefde in de dingen van elke dag, om Hem onverwacht te ontmoeten in de arme of hulpeloze die ons nodig heeft, in de ongewenste bezoeker… in de zieke en in de stervende. Daar is Hij de Komende: “Gij komt tot ons gans onverwacht… in ’t kind dat lacht in licht en vuur… in duizend, duizend dingen…”( ZJ 715). Pas dan worden we opgenomen in zijn onvoorstelbare Liefde, die onze blijvende kerstvrede zal zijn.