Stelt u zich eens voor, dierbare gasten en parochianen, wij gaan met elkaar in gesprek. Wij gaan met elkaar in gesprek als huisgenoten, binnen de familie, of als collega’s, op het werk, of we gaan in gesprek binnen onze kerkgemeenschap, als “huisgenoten des geloofs”. We zitten met z’n vijven, achten of tienen bij elkaar. Eén persoon leidt het gesprek. En de beginvraag, aan de hand waarvan wij met elkaar in gesprek gaan, is deze: Aan welk dier doen de andere mensen met wie je hier samen bent; aan welk dier doen die afzonderlijke mensen jou denken? Schrijf het op een papiertje. En dan gaan we inventariseren. Achter de naam van elke collega, elk familielid en elke kerkgenoot komt een lijstje met dierennamen: alle namen van dieren die de mensen in het gezelschap bij hem, bij haar vinden passen. Bij wijze van voorbeeld neem ik even Wilfred Kemp, de dirigent van ons koor. Ik neem hem, want hij is het gewend en hij kan wel tegen een stootje. Op welk dier vind u Wilfred lijken? Lijkt hij op een muis? Lijkt hij op een giraffe? Lijkt hij op een gazelle, op een pinguïn, op een nachtegaal, op een kraai, op een pauw, op een hyena, op een dolfijn, op een ander dier? Denk even na.
Denk zó, op die manier, na over alle andere mensen met wie je samen bent. We maken die lijstjes en dan gaan we daarover met iedereen in gesprek
Het kan bijna niet anders, dierbare gasten en parochianen, of de profeet Jesaja, de adventsprofeet, die wij hoorden in de eerste lezing vandaag, op deze tweede adventszondag; het kan bijna niet anders of de profeet Jesaja heeft ook gedacht aan wat de dieren die samen met ons deze aarde bevolken (nóg wel tenminste); het kan bijna niet anders of ook Jesaja heeft gedacht aan wat de verschillende dieren door hun gestalte en door hun aard als het ware “laten zien”, aan wat zij onthullen over mensen. Hij spreekt, Jesaja, over een toekomstige tijd waarin een raadselachtige “twijg” die “ontspruit aan de stronk van Isaï”, een “telg” die “ontbloeit aan zijn wortels”; Jesaja spreekt over een tijd waarin, over een dag waaróp deze “twijg”, deze “telg” heersen zal. Wij denken in de kerk dan meteen aan Jezus van wie wij de geboorte opnieuw verwachten. Als Jezus heersen zal, uiteindelijk, dán “wonen wolf en lam samen, dan vlijt de panter zich naast het bokje, dan weiden kalf en leeuw samen, dan sluiten koe en berin vriendschap, hun jongen liggen bijeen. De leeuw eet stro, net als de os. De zuigeling speelt bij het hol van de adder, het kind strekt zijn hand uit naar het nest van de slang.” Een dierentuin zonder tralies en hekjes! Wauw!
Maar waar heeft Jesaja het over veelgeliefden? !k denk, natuurlijk, hij heeft het over mensen … Ménsen kunnen het karakter hebben van, kunnen zich ontpoppen als of zich ontplooien als wolven of lammetjes, als panters, als bokjes, als kalveren of leeuwen, als koeien, als beren, als slangen, als adders. Waarop, op welk dier lijkt Wilfred Kemp? Waarop lijkt Michiel Mirck de organist? Waarop lijk ik? Waarop lijkt pastor Lokkerbol? Waarop Iijkt uzelf? Waarop Iijk jezelf? Bedenk het maar! En: vraag het maar aan anderen. Als je durft!
We hebben onszelf niet gemaakt. Nou ja … toch ook wel, voor een stuk. We hebben ook allemaal onze eigen vrijheid; een vrijheid waar we ons misschien vaak te weinig van bewust zijn en waar we misschien te weinig mee doen, maar toch … die vrijheid is er zeker wél altijd, in een bepaalde mate en tot op zekere hoogte. Want: je hebt jezelf niet gemaakt, zelfs de self-made man of woman heeft zichzelf niet echt, gehéel gemaakt. Want er is altijd een vertrekpunt, een uitgangspunt. Er is altijd basis-materiaal. Je moet het altijd doen met wát, met hoe je jezelf aantreft. Je moet het altijd doen, om te beginnen, met het lichaam en met de aard, met het karakter en met de achtergrond die jou gegeven zijn. Je hebt bijvoorbeeld de gestalte van een giraffe, van een olifant of van een chiwawa. En je kunt er moeilijk een stuk afzagen of aan vast naaien. En zo is het met het karakter of de aard ook: je hebt iets van een poesje in je of van een piranha of van een pauw. En dat laat zich niet verloochenen. Ik denk: het is ook belangrijk dat je jezelf bewust bent daarvan. En dat je het kunt beamen: ja, dat zit in mij, de pauw, de piranha, het poesje. Dat je dat niet ontkent, dat je het niet loochent. Dat je mag zijn van jezelf wie je bent.
De wereldwijde samenleving, de Nederlandse samenleving, de familie, de werkvloer, de kerk: het is soms net een dierentuin. Het gaat er vaak niet zachtzinnig aan toe. Het wemelt er van de tralies en hekjes. Want de één voelt zich bedreigd door de ander. De één kan de ander niet luchten of zien. Dieren en mensen, ja de dieren in de mensen kunnen zijn, ten opzichte van elkaar, als water en vuur. Ja, zelfs binnen de kerkgemeenschap: Dit is mijn domein! Kom er niet aan! Want dan begin ik te blazen en te grommen. En dan gaan mijn haren recht overeind staan.
Dierbare gasten en parochianen: wat moeten we ermee? Wat moeten we met elkaar beginnen? Hoe houden we het met elkaar uit? Hoe houden we het leuk? Hoe kunnen we ervoor zorgen dat het zelfs leuker wórdt? Aangenamer, vriendelijker, plezieriger, vreugdevoller? Hoe kunnen we met elkaar stappen vooruit zetten? Hoe kunnen we ervoor zorgen dat er minder of zelfs helemaal geen tralies en hekjes meer nodig zijn tussen ons in? In de drie schriftlezingen van deze zondag kunnen we wat dit betreft volgens mij drie elementen of stappen onderscheiden.
Om te beginnen: het evangelie. Johannes de Doper zegt: “bekeer u, want het koninkrijk der hemelen is ophanden”. “Bereid de weg van de Heer, maak zijn paden recht”. Dat heeft, zo zegt het evangelie, ook Jesaja gezegd. De mensen lieten zich door Johannes dopen “en bekenden openlijk hun zonden”. Dat hoort er dus om te beginnen, ten eerste, in elk geval bij veelgeliefden. Als wij in onszelf en in ons midden de “weg van de Heer” willen bereiden, als onszelf willen instellen op dat “koninkrijk der hemelen” dat ophanden is, dan dienen wij ons bewust te worden van wat we verkeerd hebben gedaan. En dan dienen wij bereid te zijn om dat in alle openheid ook uit te spreken - tenminste ten overstaan van de priester in het kader van het sacrament van de verzoening oftewel: de heilige biecht. Maar we hoeven ons daartoe niet te beperken. De biecht in strikte zin is maar een begin. Want die wil ons in staat stellen om gemakkelijk te spreken over onze schaduwzijden, juist met de mensen die we daarmee hebben belast, ja die onder die schaduwzijden van ons geleden hebben. Dat lucht op. Dat klaart de lucht. Dan wordt een nieuw begin, dan wordt een wending mogelijk. Dan maak je ruim baan voor de komende Christus die met het vuur van Zijn Geest je binnenste kan verwarmen nadat het eerst is gereinigd. Dat ten eerste.
Dan ten tweede. De apostel Paulus, in de tweede lezing uit de brief aan de christenen van Rome; hij schrijft aan hen en aan ons vandaag: “Aanvaard (…) elkaar, zoals ook Christus u aanvaard heeft.” Zo is dat. Het is niet alleen nodig dat wij onszelf, maar ook dat wij elkaar aanvaarden zoals wij zijn. “God (…) verlene u (…) de eensgezindheid, die u in Christus past, opdat u een van hart en uit een mond de God en Vader van onze Heer Jezus Christus verheerlijkt.” Elkaar aanvaarden. Ja, veelgeliefden, dat leer je ook door samen te bidden en samen te zingen. Wij doen dat hier voortdurend. En dan merk je soms: je irriteert je aan andere mensen. Want ze doen het niet goed. Ze zijn niet geconcentreerd. En ze zingen vals. Maar als je jezelf aan de anderen stoort, dan ben je zelf ook niet geconcentreerd! Je bent zelf precies zo dus! Dat is goed om te merken. Want dan kun je groeien samen. Dit was het tweede: elkaar aanvaarden.
Voor het derde punt keren wij terug naar Jesaja, de eerste lezing. Daar werd gezegd, in verband met die “twijg” of “telg” “van Isaï”: “Hij ademt ontzag voor de Heer.” En ook hoorden wij: “(…) de kennis van de Heer vervult het hele land, zoals het water heel de bodem van de zee bedekt.” Nadat we al het negatieve van onszelf, onze zonden hebben uitgesproken, nadat we bereid zijn geworden om andere mensen te aanvaarden zoals Christus ons aanvaard heeft, dan is het vervolgens zaak om in onszelf alle ruimte te geven aan Christus’ Geest.
Gisteren bezocht ik één van ons in het ziekenhuis. Hij zit vol kanker. Vijf tumoren zitten er maar liefst in zijn hoofd. Ik vroeg: Houd je het hier? Houd je het vol? Kijk je naar de t.v.? “Nee”, zegt hij, rozenkrans om de nek, “ik denk aan de dingen van het geloof. Dan gaat de tijd gauw voorbij”. Dat bedoel ik veelgeliefden. Als ieder van ons vol is van God, vol van Christus’ Geest, als ieder van ons met de eigen geest rust in God, dan houden wij het ook met elkaar uit, dan hebben we ook rust in de tent en dan kunnen we in onze dierentuin alle tralies en hekjes wel weghalen. Amen.