1e zondag in de advent A (2004)

A-cyclus · Advent · 1e zondag van de Advent · paars

Onze organist op rust wordt gevierd; naar aanleiding daarvan deze homilie die vertrekt bij advent, spreekt over liturgie en in het bijzonder de zang en de muziek…

Dank aan collega Johan de Keyser die me de tekst van Guillaume van der Graft bezorgde over ‘ik zing mee…’; de laudatio voor onze organist voeg ik hier uiteraard niet bij…


Vandaag op deze eerste zondag van de advent begint een nieuwe kerkelijk jaar met het uitzien naar de geboorte van het Kind in wie de wereld een Redder heeft herkend. Tezelfdertijd vragen de Belgische bisschoppen aandacht voor de liturgie dit jaar en hier willen wij vandaag even dieper op ingaan. Want de advent als kerkelijk seizoen dat bulkt van verwachting zegt veel over de liturgie zelf.

Het moge duidelijk wezen dat de advent toch veel meer is dan een uitzien naar de geboorte van het kind Jezus waarvan de geboorte ons reeds duizend maal is verteld. De Advent spreekt de mens aan in zijn diepste hunker naar vervulling, zijn uitzien naar ‘morgen misschien wat beter’, zijn verlangen naar vrede. Vrede in de wereld, vrede met de mensen om hem heen, vrede met zichzelf, met zijn onvolkomenheden, zijn beperktheden… Vandaar dat we een klein lichtje aansteken in de duisternis van deze tijd, opdat het licht mag groeien tot een vuurzee en een gloed van warmte voor alle kil en kou in ons en om ons heen. Daarover spreekt het visioen van Jesaja dat we hoorden in de eerste lezing. Eensgezind zijn de volkeren en ze trekken samen, zingend en dansend op naar de berg waar de Heer zelf woont, een bedevaart van verwachting en hoop, van uitzien naar en weten dat je er zelf je steentje kan en mag toe bijdragen; “dan smeden zij hun zwaarden om tot ploegscharen en hun speerpunten tot sikkels; geen volk heft het zwaard tegen een ander en oorlog leren ze niet meer. Huis van Jacob kom, laat ons wandelen in het licht van de Heer.”

Liturgie houdt ons niet alleen in de advent dit visioen voor ogen maar telkens weer, met aandrang, want altijd is er reeds de gemeenschap, maar is ze verre van volledig of volmaakt; is er reeds een verstaan van het Woord van de Heer, maar ook het besef van een voorzichtig-groeien-maar in de beleving van dat woord, is er een maaltijd maar een heel karige van godwelere een klein, klein stukje brood en amper een druppel wijn;

In de liturgie is het bovenal het gezongen woord dat ons steeds weer dit visioen voor ogen houdt. Want meer dan het gesproken woord vertelt het lied ons in een eigen poëtische taal: al ligt de wereld diep verduisterd, al drukt de grauwe tijd, mijn hart heeft met geloof geluisterd, mijn hart heeft zekerheid. En het zingen zelf brengt een andere dimensie aan dan het loutere woord: als het ten goede is dan is het zingen zo overweldigend deugddoend, het is een bewustwording, een opening van vergezichten, verzekering van hoop, zingeving van geloof en troost zoals er vrijwel geen andere is. Wie zingt, bidt dubbel, luidt een spreekwoord; meer nog wie zingt leeft ook even dubbel.

Want wie zingt, zingt mee. Met de mensen naast en voor en achter mij. Met de mensen ‘boven’ mij geplaatst, het koor. Ik zing mee met de gemeenschap en koor, ik zing mee met de muziek en met de poëzie; Ik zing mee met de dichters vanouds, de toondichters, de taaldichters; ik zing mee met de kerk der eeuwen. Met alle heiligen zing ik mee, met alle zondaars, kyrie eleison en gloria. Met de kerkvaders zing ik mee ‘credo in unum Deum’. Met de engelen zing ik mee ‘sanctus, sanctus, sanctus’. Met de straatjongens van Jerusalem zing is mee barouch haba, dat is Benedictus qui venit. En met Johannes dde Doper en alle profeten zing ik mee: agnus Dei, zie het Lam Gods dat de zonden der wereld wegdraagt. Met de dieren uit het boek van de Openbaring en de oudsten zing ik mee, een nieuw lied. Met de vogels zing ik en met de morgensterren. Met de zee zelfs, zoals de psalm durft te zeggen, met de stromen en met de bergen. Ja met de psalmen vooral zing ik mee, met David; Ik zing mee met de traditie en ik zing mee met de belofte. Ik zing mij het nieuwe Jeruzalem binnen want:

David is daar met harp en al,
koormeester van de stad,
Maria, denkend aan de stal
zingt het magnificat.
Simeon heft zijn lofzang aan,
Mirjam en Hanna zijn
bij alle vrolijkheid
vooraan met trom en tanboerijn.

‘Te Deum’ zingt Ambrosius
en alle vaders mee,
Johannes en Gregorius
zingen ‘laudamus te’.

En Luther zingt er als een zwaan
en Bach, de grote Bach
die mag de maat der engelen slaan
de lieve lange dag.

Maar dan ook ik zing mee met het leed, met de pijn en het gekreun, de psalmen zijn er immers vol van. Zo zegt hetzelfde lied:

De negers met hun loftrompet,
de joden met hun ster,
wie arm is achterop gezet,
de vromen van oudsher.

Maar wat zouden wij zingen als daar niet was de man die zingen ondersteunt en begeleid, die de zang de kracht geeft van duizend pijpen, de organist die van hoog gezeten alles overschouwt en juist op tijd de toon inzet en zo de gemeenschap aanspoort en bereidt te zingen Gods lof voor tijd en eeuwigheid.

Zo is bijna een eeuwigheid - een halve eeuw alvast- Wilfried, onze vaste organist in dienst en dienstbaarheid geweest.

LAUDATIO…

Zoeken in Preken Online