Uitzien naar wat komen gaat

A-cyclus · Advent · 1e zondag van de Advent · paars

Wanneer een vlucht vogels ergens rustig op een vlakte zit, dan kijken ze volgens vogelkenners allemaal dezelfde kant uit, en wel zo dat ze de wind van voren hebben. Maar op een dag ging een vogel precies andersom zitten, zodat zijn veren rechtop stonden in de wind. “Moet jij je nu zo aanstellen en anders doen dan de anderen?” vroe­gen de andere vogels. “Ik doe toch niemand kwaad", antwoordde de vogel die met zijn snavel van de wind af zat. “jawel”, zeiden de andere vogels, wij kijken allemaal dezelfde kant uit en als jij andersom zit, schaad je de eensgezindheid en dus de gemeenschap. Je bent een akelig buitenbeentje. Maar het buitenbeentje bleef de andere kant op kijken. Toen slopen er een paar katten tegen de wind in door de struiken. Die wisten natuurlijk dat vogels altijd met hun snavel naar de wind toe zitten. Maar toen de katten hun spieren al spanden om een paar vogels te verschalken, schreeuwde het buitenbeentje: “Pas op! Wegwezen!” en alle vogels vlogen op en waren weg.

Zo een buitenbeentje was Noach ook. De andere mensen keken niet verder dan hun neus lang was. Zorgeloos brachten zij hun leven door met eten en drinken, met huwen en ten huwelijk geven. Ze keken allemaal in de­zelfde richting van hier en nu en het dreigende onheil zagen ze niet. Maar Noach was anders. Hij keek de ande­re kant op, naar wat ging komen. Hij zag de andere kant van de dingen, waar de menselijke werkelijkheid de wer­kelijkheid van God raakt. En hij bouwde voor zich en zijn familie een ark om aan het dreigende onheil te ontkomen. Die man was een profeet die niet, zoals de anderen, opging in materiële dingen, en die besefte dat het in het dagelijks leven eigenlijk om veel meer gaat, want God komt tot ons in de kleine alledaagse dingen.

Zoals in de dagen van Noach, zo kijken de mensen nu net als de vogels, de verkeerde kant uit. Zij zien het wezenlij­ke niet, zij denken alleen aan eten en drinken, aan leven en laten leven. Zij zijn tevreden als zij elke dag hun natje en hun droogje hebben. Niets vermoedend, dreigen zij, zoals in de dagen van Noach, overspoeld te worden door de zondvloed.

Christus roept ons op om waakzaam te zijn, om onze oogkleppen af te zetten zodat wij de tekenen van de tijd onderkennen. Waakzaam zijn wil zeggen: je gereed maken voor de komst van de Heer, niet alleen met Kerstmis, maar ook in je dagelijks leven. Elke dag komt Hij tot ons in kleine dingen, onopvallende ontmoetingen. Misschien voelen wij ons in deze consumptie­maatschappij als bui­tenbeentjes, wanneer wij bekommerd zijn om Gods droom voor deze wereld, wanneer wij ons verzetten tegen alles wat gericht is op de vernietiging van de vrede, de gerechtigheid en de heelheid van de schepping. Maar alleen zo kunnen wij de wereld redden van de dreigende zondvloed.

Wat waakzaamheid betekent kan het volgende verhaaltje ons misschien duidelijk maken. Rabbi Elieser zei: “Bekeer je een dag voor je dood". Zijn leerlingen vroegen hem: “Weet de mens dan op welke dag hij sterven zal?” De rabbi antwoordde: “Juist daarom moet de mens zich vandaag bekeren, misschien sterft hij morgen en juist daarom moet hij zich alle dagen van zijn leven bekeren”

Wij willen waken en van de nacht een dag maken door daadwerkelijke aandacht voor onze medemensen, door medeleven en bemoediging voor onze zieken.
Laten we waakzaam zijn, want vandaag klopt Christus bij ons aan. Maar zullen wij Hem herkennen en zien dat Hij het is?…

Zoeken in Preken Online