Homilie op de 31e zondag door het jaar B: Het eerste en het tweede gebod
(Mc. 12, 28b-34)
Tielt, 4 november 2012
Met de Bijbel in de hand kun je blijkbaar allerlei kanten uit. Met een beroep op de Bijbel werden soms wapens gezegend; met een beroep op de Bijbel weigerden sommige jongemannen militaire dienst. Omwille van het evangelie scharen christenen zich in Zuid-Amerika aan de kant van de allerarmsten; omwille van hetzelfde evangelie verbieden bisschoppen hun priesters politiek actief te zijn.
Soms lijkt de Bijbel voor allerlei karretjes te worden gespannen en vaak wordt Gods woord gebruikt om het eigen gelijk te onderstrepen. Geen wonder dat veel mensen zich in onze tijd de vraag stellen of de heilige Schrift wel duidelijk antwoord geeft op belangrijke levensvragen.
Die beschuldiging is terecht als je er alleen maar op uit bent regels te vinden voor de buitenkant van het handelen: wat mag en wat moet ik doen om met God in regel te zijn? Op die manier wordt de Bijbel misbruikt, met alle rampzalige gevolgen vandien. Maar dan doen we de Schrift en Jezus van Nazaret wel onrecht aan.
Dat wordt ons vandaag duidelijk in de gekende evangelietekst die we zopas beluisterd hebben. Een schriftgeleerde komt bij Jezus om een gesprek aan te gaan over wat in het leven belangrijk is. “Wat is het allereerste gebod?” vraagt die man. En Jezus antwoordt: “Het eerste is dit: Luister, Israël, de Heer onze God is de enige Heer. U zult de heer, uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel, met heel uw verstand en met heel uw kracht.” Jezus citeert hier letterlijk uit het boek Deuteronomium: een oude bekende tekst voor elke Israëliet.
Maar het nieuwe is dat Jezus er een andere tekst, uit het boek Leviticus, aan toevoegt. Hij zegt: “Het tweede is dit: u zult uw naaste liefhebben als uzelf. Een ander groter gebod, groter dan deze twee, is er niet.”
God is geen strenge meester die regels oplegt. Hij is ook geen werkgever voor wie je werkt in ruil voor een salaris. Hij is zelfs geen familiehoofd dat probeert alle kinderen angstvallig evenveel te geven. Jezus houdt ons een heel andere tekst voor. Het beeld van een God die feestviert om de teruggekeerde zoon, ondanks het gemopper van de oudste zoon. Hij is de wijngaardenier die aan de werkers van het elfde uur evenveel uitbetaalt als aan hen die de hitte van de dag hebben verdragen. Die God van liefde zullen we nooit ontmoeten als we alleen maar vragen: zeg me nu eens precies wat ik wel en wat ik niet mag om met U in het reine te blijven.
Met de Bijbel in de hand kun je alle kanten uit. Dat klopt als je niets anders zoekt dan regels en wetten. Het klopt niet als je het eerste en voornaamste gebod in je hart en je hoofd meedraagt en beleeft: God beminnen boven alles en de naaste als jezelf. Dat is het criterium waarmee we alle argumenten die als bijbels worden voorgesteld, op hun waarachtigheid kunnen toetsen. Als er, met een beroep op de Bijbel of een ander heilig boek, maatregelen worden voorgesteld die mensen schade berokkenen of mensen onvrij maken of mensen discrimineren, zijn die maatregelen niet in overeenstemming met wat de Bijbel ons voorhoudt.
Maar het blijft een hele opgave, die regelrecht ingaat tegen wat de mensen denken, zeggen en doen. Want, zo schreef Mother Teresa:
“De mens is dwaas, onlogisch en zelfzuchtig.
Dat doet er niet toe: heb hem lief!
Als je het goede doet zullen ze zeggen dat je toch jezelf zoekt.
Dat doet er niet toe: doe het goede!
Als je het doel dat je nastreeft bereikt,
zal je valse vrienden en echte vijanden vinden.
Dat doet er niet toe: streef ernaar!
Het goede dat je doet is morgen al weer vergeten.
Dat doet er niet toe: doe het goede!
Eerlijkheid en oprechtheid maken je kwetsbaar.
Dat doet er niet toe: wees eerlijk en rechtschapen!
Waar je jaren aan gewerkt hebt om op te bouwen,
kan plots worden vernietigd.
Dat doet er niet toe: bouw het op!
Als je mensen wilt helpen zullen ze soms kwaad op je worden.
Dat doet er niet toe: help ze!
Geef aan de mensen het beste van jezelf.
Ze zullen misbruik van je maken.
Dat doet er niet toe: geef het beste van jezelf en doe het vandaag!
De naastenliefde begint vandaag!
Vandaag is er iemand in nood, iemand die lijdt.
We hebben enkel vandaag om Jezus te doen kennen
En te beminnen en te dienen.
Vandaag! Laten we niet wachten tot morgen.
Morgen komt misschien niet meer.”
G. Buyse, pastoor-deken em. Tielt
Homilie: De waarde van onze bejaarden (Tielt, 18 november 2012)
Als je in Meulebeke in de Bonestraat komt, zie je vlakbij de twee rusthuizen een groot waarschuwingsbord waarop geschreven staat: “65 +”. De bedoeling van dat bord is niet dat je daar aan meer dan 65 per uur mag rijden. Integendeel! Daar moet je oppassen, want daar kunnen mensen wandelen die meer dan 65 jaar oud zijn.
Vandaag beginnen we de week van de bejaarden. Ik zou hier vooraan moeten staan met zo een bord “65 +” om je aandacht te vragen voor de senioren. Dat bord hoef ik eigenlijk niet te tonen, want ik sta hier zelf als 65-plusser.
Dat is voor vele senioren een hele ervaring. In een maatschappij als de onze waar alleen prestatie telt, voelen sommige ouderen zich waardeloos of minstens in waarde dalen. Ze voelen daarbij de inflatie, niet alleen in de portemonnee maar vooral aan hun eigen vel: de benen willen niet meer zo goed mee, er zit artrose in hun knieën, misschien beginnen hun handen te beven, de ogen zijn verzwakt, het gehoor gaat achteruit, de adem wordt korter, het tempo zakt, veel nieuwe woorden verstaan ze niet en in het geheugen zit de mot.
Het enige dat toeneemt, zijn de vervangstukken: een bril, valse tanden, een hoorapparaat, een stok, een rolstoel, een nieuwe heup of knie en vooral de pilletjes: tegen de hoge bloeddruk of de cholesterol, tegen maagzuur, slapeloosheid, enz… Als je nog geen nieuwjaarsgeschenk gekocht hebt voor je vader of moeder die 65 wordt, koop dan een mooi pilletjesdoosje: een bijzonder nuttig geschenk te gebruiken ’s morgens, ’s middags en ’s avonds.
Als ik aan bejaarden een raad mag geven is het deze: als je oud wil worden, moet je daarmee leren leven. En je hoeft dat niet te camoufleren. Je moet je als vrouw van 65 niet kleden als een meisje van 18 met een strak aangespannen jeansbroek of een korte minirok. En je hoeft ook niet stoer te doen. Een man van 65 zei eens: “Ik ben nu 65 en ik kan nog wat ik deed toen ik 20 jaar was.” Waarop een andere man zei: “t Is teken dat je aan 20 jaar niet veel gedaan hebt.” Er bestaat in dat verband een wijze volksspreuk die zegt: “Aan 50 jaar moet je een paard uitspannen.” D.w.z., wie tot nu toe gereden heeft met een koets met 2 paarden, moet het nu liefst met 1 paard doen, dus kalmer aan.
En, als ik aan de jongeren iets mag zeggen, aanvaard de beperkingen van de senioren in je midden. Neem het hen niet kwalijk als ze in sommige dingen niet meer mee kunnen, als je moet luisteren naar een verhaal uit lang vervlogen tijden dat je al 5 keren gehoord hebt, enz…
Ik zou aan jullie, jongeren, ook willen zeggen dat je van oudere mensen veel kunt leren.
Vooreerst de problemen leren relativeren: je niet druk maken om wat niet zo belangrijk is, je niet vergelijken met anderen die het zogezegd beter hebben. Relativeren, zin voor een beetje humor, dat is een vorm van wijsheid. Als je jong bent, ben je veelal gehandicapt door je koorts naar allerlei overbodige en achteraf gezien ijdele dingen, ben je bekommerd om je status, steunend op titels die uiteindelijk onbelangrijk zijn. Elke bejaarde heeft als het ware een boek geschreven met wel en wee, ervaringen en herinneringen. Laat hem of haar daaruit voorlezen en vertellen. Je kunt er als jongere veel uit leren. Want, zo zegt de Franse schrijver Joubert: “Le soir de la vie porte avec soi sa lampe (de levensavond brengt met zich een lamp mee).” Die lamp belicht enkel nog wat wezenlijk is in het leven, wat een mens blijvend bevredigt. Op voorwaarde dat de levensavond een echte avond wordt en geen kunstmatig uitrekken van een dag die bijna voorbij is. In de avond gaat alles trager, gejaagdheid is tot rust gekomen, de geluiden worden zachter, het licht mildert en kondigt de schemering aan. Dan wordt de lamp ontstoken. De avond is een uitnodiging tot bezinning.
Dan leer je dankbaar zijn omdat je ervaren hebt dat de meeste dingen in het leven geschenk zijn: het plekje waar je geboren bent, het gezin waarin je opgegroeid bent, je vrouw of man, je kinderen en kleinkinderen, je gezondheid, je welstand. Een jonge verpleegster die in het ziekenhuis op een afdeling van bejaarden werkt, zei me eens: “Ik werk daar graag, want oude mensen zijn veel dankbaarder dan jonge.” Jonge mensen, leer van ouderen dankbaar te zijn omdat je zoveel gratis krijgt.
Leer van hen ook blij te zijn om elke dag die je kunt plukken: Timmermans zou zeggen “melken”. Het is een mooi beeld een groep oudere mensen, die nu tijd en vrijheid hebben, te zien fietsen en van een klein kind te horen dat zijn opa eraan denkt een valhelm te kopen toen hij onlangs in de krant die foto zag van een bekend politicus. Jonge mensen, ga niet kapot aan je zorgen, maar leer elke dag die je gegeven is, te melken. Op voorwaarde dat je de room en de boter niet voor jou alleen houdt.
Ook dat zie je bij veel oudere mensen. Er is zoveel dienstbaarheid in die groep. Kijk maar naar het verenigingsleven, onze parochies, caritatieve organisaties, enz…: gedragen door het onbaatzuchtig vrijwilligerswerk van de senioren. Zie maar naar de vele uren die grootouders besteden aan de opvang van hun kleinkinderen. Jonge mensen, leer dat alles waarderen en wees er dankbaar om.
Jonge mensen, schrijf senioren nooit af. Je kunt zoveel van hen leren.
Senioren, voel je nooit overbodig. Behoud je frisheid. Ik wens aan alle oudere mensen een jeugdige oude dag. “Mourir jeune, le plus tard possible.” Dat je jong mag sterven, bij voorkeur zo laat mogelijk.
Gab. Buyse, pastoor-deken em. Tielt