Gemeente van Christus, lieve mensen,
Vrede is een kwetsbaar artikel
in onze wereld. Kijk naar Jeruzalem: in en om de stad wordt een muur
opgetrokken, acht meter hoog, honderd kilometer lang – in een broeierige
en onoplosbare probleemsituatie wordt zo aan vrede gebouwd.
Een nieuwe
muur, een beklagenswaardige muur is het. Want zo drijft vrede gewone
mensen uit elkaar. Het is opgelegde vrede; het zijn buitengesloten mensen.
Kijk ook naar Frankrijk, waar de typisch Franse scheiding van staat en kerk
doorslaat naar het verbod op elk religieus tintje en symbooltje in
openbare gebouwen. Het lijkt op onze rookverbod buiten privé-vertrekken.
Maar kun je mensen zo dwingen zich aan te passen?
Of kijk naar Den
Haag, deze week, waar een jongeman zich in zijn trots, in zijn eergevoel
weet gekrenkt, de trekker van zijn pistool overhaalt en zijn conrector een
lesje leert – kapotgeschoten vrede, verwilderde gezichten van geschokte
jonge mensen en rouwende nabestaanden. Het is een afschuwelijk verhaal. En
vrede is al zo kwetsbaar wanneer mensen elkaar niet meer verstaan.
Maar kijk dan ook naar de kerk. Kerkmensen, gelovigen, wij zijn ook maar
gewone mensen, die de vrede niet in pacht hebben. Ook kerkmensen jagen
elkaar oh zo gemakkelijk de gordijnen in en de kast op. En ik doe er zelf
vast en zeker aan mee. Nee, wij gelovigen van christelijke huize blinken
niet uit in vrede. Binnen de kerk niet, buiten de kerk niet.
Vrede
is een kwetsbaar artikel in onze wereld.
Ik denk ook, omdat dat de aard is van vrede.
Overal waar mensen kwetsbaar zijn is
vrede in het geding.
Want vrede kun je niet afdwingen.
Vrede kun je
niet eenzijdig aanbrengen en ook niet eenzijdig handhaven.
Vrede is zo
kwetsbaar, omdat wij mensen zo kwetsbaar zijn.
In ons leven met elkaar
en met onszelf.
En daar komt dan natuurlijk nog bij, dat je vrede
niet kunt aanwijzen.
Het is iets dat je in de ervaring aan elkaar
opdoet.
Vrede onderga je.
Wij praten wel over ‘vredesbesprekingen’,
maar zulke gesprekken worden gevoerd om juist aan vrede vorm te
geven. Er worden afspraken gemaakt met het oog op vrede. Maar die
afspraken zijn de vrede niet, ook niet de voorwaarden. Wij zelf zijn de
voorwaarde voor vrede. Vrede woont in onze ervaring. Vrede komt mee in wat
we doen en uitstralen. En daarom is het zo kwetsbaar, zo afhankelijk van
wie wij zijn en wat wij doen.
Nu worden vanmorgen op vier manieren
geruggensteund als het om vrede gaat.
Het eerste steuntje in de rug
is die regenboog. Iedere keer al je hem weer ziet, dan mag je even tegen
elkaar zeggen: Oh ja, wij mensen: wij leven onder het teken van Gods
onopgeefbare verbondenheid met heel de schepping. Wij zijn van ná de
oervloed, God zij geloofd en prezen. De regenboog tekent ons bestaan als
verbonden met God. Dat is wat de heilige Doop tot feest maakt: zo
kwetsbaar als wij zijn: wij zijn van God. En ik hoef niemand uit te leggen
dat die regenboog niet een boogje over mijn particuliere leven is. Het is
Gods verbond met heel de schepping. En dus ook met jou en met mij. En als
God daar niet meer achter terug gaat, dan is dat echt een steuntje in de
rug. In al mijn kwetsbaarheid weet ik: wij zijn van na de oervloed.
Het tweede steuntje in de rug is dat Jezus vrede geeft aan zijn
leerlingen. Vrede is niet iets wat in pacht hebt. Vrede blijkt in wat je
doet en wat je uitstraalt. Maar Jezus maakt duidelijk dat vrede altijd een
cadeau is, iets dat van God je gegeven wordt. Kijk je naar jezelf, dan is
dat innerlijke vrede. Die, zegt Jezus, is niet van de wereld – het is een
vrede die God je geeft. Innerlijke vrede is de drager van de vrede met de
wereld en in de wereld. En die vrede wordt je gegeven zonder meer. Je
hoeft er geen moeite voor te doen. Omgekeerd zelfs: je mag alle moeite
loslaten, je mag er de tijd voor nemen en stil gaan zitten, en dan opnieuw
die woorden van Jezus in je opnemen: ‘Mijn vrede geef ik je.’ Cadeautje
van hogerhand. Vrede die je temidden van alle onrust toevalt en vervult.
Wat je daarvoor moet doen is geloven – vertrouwen dat je van het verbond
bent, dat je van ná de oervloed bent. Wat je voor deze vrede moet doen is:
je openstellen. Ontvankelijk zijn. Ontvankelijk voor dat cadeautje van God.
Dan is er nog een derde ruggesteuntje vanmorgen. Dat is de viering van de
eucharistie. Daarin ontvangen we vrede in brood en wijn, omdat Christus
ons in brood en wijn te binnen komt. Weer als cadeautje, als gave. Vrede
weer in alle kwetsbaarheid, want het brood is gebroken brood, de wijn is
vergoten wijn. Dit ruggesteuntje voegt aan het zichtbare teken van de
regenboog en het hoorbare teken van Jezus’ vredeswoord en de smaak toe. We
krijgen een voorproefje van Gods vrede voor altijd.
God is met heel de
schepping verbonden. Ook met heel ons leven, heel ons lichaam, met al onze
zintuigen.
En als vierde ruggesteuntje is er vanmorgen de gave van
de gemeenschap. Zo veelkleurig als de regenboog, zo veelzijdig is ons
kerkelijk leven. Niks mis mee om je thuis te voelen in je eigen kerk,
binnen je eigen kerkelijke traditie. Maar vandaag beleven we de eenheid
die ons ten diepste is gegeven. Wij allen zijn van na de oervloed. Wij
allen zijn van na Pasen. Ons allen is de vrede van God een gave, een gave
die het verlangen naar Gods Rijk aanwakkert en levend houdt.\
Daarom komen de kinderen zo dadelijk met een regenboog weer terug in de kerk.
En dan zingen we een dooplied, een lied van ná de oervloed.
Alleen: op één of andere manier is het ons niet gelukt wat God wel gelukt
is: we konden niet één boog met vele kleuren maken, één boog niet vitaal
is, levend, echt. Het zijn dus verschillende bogen geworden met ieder een
eigen kleur.
We moesten dus allemaal kleur bekennen.
Alsof we
alleen sámen op die veelkleurige geloofsgemeenschap kunnen bogen.
Dus dat is het geworden: één veelkleurige boog van vele éénkleurige bogen
samen.
Om er aan het eind van de viering zelf onder door te gaan.
Nadat we brood en wijn hebben ontvangen en gezegend onze levensweg mogen
gaan.
In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.
Amen.