Maria, inspiratiebron voor vandaag

Thematisch · Maria · groen

Eeuwenlang heeft de katholieke vroomheid Maria getekend als een eenvoudig, dienstbaar meisje uit Nazaret, en haar tot voorbeeld gesteld voor alle vrouwen. Maar welke hedendaagse, iet of wat geëmanci­peerde vrouw wil zich spiegelen aan iemand die zich­zelf ‘de dienst­maagd des Heren’ noemt? Dat is slechts één kant van de medaille. Aan de andere kant staan al diegenen die iets intie­ms hebben met Maria. Ook al brokkelen gods­dien­stige tradi­ties af, bede­vaarten zijn weer in trek; meer mensen dan we ver­moeden lopen zomaar even een kerk binnen om wat te bidden en een kaars­je aan te ste­ken bij haar beeld - ook in onze Emmaü­ska­pel. En hoe­velen, ook al is hun geloof op sterven na dood, bewaren niet een blijvend warm plaats­je in hun hart voor moeder Maria?

Wie voor haar een zwak heeft, mag nu rustig tien minuten gaan wandelen. Ik wil me vandaag speciaal richten tot diegenen onder u die zich niet meer aangesproken voelen door de klassieke Maria­verering maar wel bereid zijn om met mij een aantal verhalen uit het Lucasevan­gelie serieus door te nemen.

“De engel Gabriël werd door God gezonden … naar een jonge vrouw, … haar naam was Maria” (v. 26-27).

Als er een engel ten tonele verschijnt dan is het opletten ge­blazen, want dan staat er iets belangrijks te gebeuren. Abra­ham kreeg van een engel te horen dat hij een kind zou krijgen, en - u weet nog wel - Sarah zijn vrouw stond te luis­ter­vin­ken, en kreeg de slappe lach van zulke onzin want ze was niet meer van de jongsten. Een andere engel kwam Zacha­rias vertellen dat Elisa­bet, “die reeds op ja­ren was” (Lc. 1,18), een zoon zou baren.

Als in de bijbel een engel een geboorte gaat aan­kondigen, dan richt hij zich niet tot de vrouw maar tot de man! Grote uit­zonde­ring: de aan­kondiging van de geboorte van Jezus. Dat een engel recht­streeks naar een vrouw, en dan nog naar een jonge vrouw, wordt gezonden, is in de bijbel dus hoogst uitzonderlijk. Lucas neemt Maria - u moet het zien tegen zijn cultu­rele achtergrond - blijkbaar erg au sé­rieux. Geen braaf, volg­zaam doetje dat je zomaar over het hoofd kunt zien. Als je met haar wat te regelen hebt moet je geen omme­tje maken via de man, het hoofd van het gezin.

De engel komt dus bij Maria binnen en groet haar. Maria schrikt. Hoe zou je zelf zijn… Maar ze is de kluts niet kwijt; ze vraagt hem wat dat te beteke­nen heeft, wat hij van haar wil, wat hij komt doen. En de en­gel licht de reden van zijn komst uitvoerig toe: “U hebt ge­nade gevonden bij God; U zult een zoon baren die u de naam Jezus moet geven. Hij zal Zoon van de Allerhoogste worden genoemd” en verder wordt die zoon gesitueerd in de grote tradi­tie van Is­raël dat ver­langend uitkijkt naar de komst van de Messias-koning. Door al die grote woorden wordt Maria niet uit het lood gesla­gen, want zij merkt nuchter op: “Hoe moet dat dan? Ik heb geen omgang met een man!”. De engel verwijst dan naar de heilige Geest en de Allerhoogste, en om zijn bewering te staven dat voor God niets onmo­gelijk is, meldt hij dat haar bejaar­de nicht Elisabet reeds 6 maanden zwanger is. Pas dan zegt Maria: “Ik ben bereid, ik bied mij aan als dienares van de Heer”.

Dus toch: ‘Maria de dienstbare’? Ja, maar. In onze oren heeft ‘dienst­baarheid’ vaak de bijklank van ‘afhanke­lijk­heid’, van ‘pas­sie­ve volgzaamheid’, ‘je lot niet in eigen handen nemen’. Maar die connotatie vin je in ons verhaal niet terug. Maria biedt zich aan als dienares van de Heer. Dat is actief. Je aanbieden voor een dienst heeft iets weder­zijds. Je biedt je aan, niet blindelings, niet zo­maar, maar omdat wat ge­vraagd wordt en wie het vraagt, je aan­spreekt. Geen slaafse maar een bewus­te keuze. Maria is bereid Gods spel mee te spelen omdat zij in Hem gelooft. En wie is die God in wie Maria ge­looft? Dat horen we in haar Magnifi­cat dat ze uitspreekt als ze op bezoek is bij Elisabet. Haar God ‘ziet om naar mensen, is barm­hartig, toont zo nodig de kracht van zijn arm, verheft geringen en laat preten­tieuzen een toontje lager zingen. Wie honger heeft krijgt van Hem het beste en rijken stuurt Hij wandelen met lege handen.’ Dat is de God in wie Maria gelooft. Op Hem is haar hoop geba­seerd. Aan die God biedt zij zich aan. Als Hij denkt dat zij het kan, is zij bereid haar volle mede­wer­king te verlenen aan wat Hij via haar voor de mensen van plan is. Dat is geen dienstbaarheid uit nederigheid die zo vaak ver­ward wordt met zelfonderschat­ting. Dat is beschikbaar-zijn uit kracht, het antwoord van iemand die goed weet wat er gevraagd wordt en daar weloverwogen ‘ja’ op zegt.

De engel is nog maar net de deur uit of Maria gaat op weg Elisabeth. ‘Met grote spoed’ beklemtoont Lucas. Alsof zij wil nagaan of haar bejaarde nicht werkelijk zwanger is. Heel herkenbaar: als er iets onverwachts, iets belangrijks in je leven ge­beurt, dan bekruipt twijfel je soms: is het echt, of heb ik dat ge­droomd?

En dan krijgen we die scène van twee vrouwen die elkaars vreugde delen om het groot­se dat hun overkomen is.

Verderop in het Lucasevangelie ontmoeten we Maria nog een paar keer. En telkens komt ze over als een heel menselijke vrouw, een vrouw met pit. Zonder enig spoor van lieve­vrouwkesblauwe zeemzoe­terigheid.

Lucas (2,41-52) toont haar in de rol van opvoed­ster van de 12-jarige Jezus die liever in Jeruza­lem ach­terbleef dan met zijn ouders terug te keren naar Nazaret. Als ze Hem daar bij de rab­bijnen ziet zitten is ze helemaal niet onder de indruk van die ‘zoon van de Aller­hoogste’, maar ze geeft Hem er flink van langs: “Hoe kun je ons dat verdorie aandoen!”. En Jezus schikt zich naar haar en gaat mee naar huis.

Maar de volwassen Jezus kan zij niet zo gemakkelijk meer naar haar hand zetten. Toen Hij ergens aan het preken was en zij Hem even goeiedag wou gaan zeggen, gaf Hij niet thuis: “Mijn moeder en mijn broeders zijn zij, die het woord van God horen en er naar han­delen”. En daar kon ze het mee doen (Lc. 8,19-21).

Het laatste wat Lucas over haar schrijft, staat in zijn tweede boek, de Handelingen van de Aposte­len. Na de hemelvaart (1,14) en ook op Pinksteren (2,1) waren de aposte­len samen met “de vrouwen en Maria, de moeder van Jezus, en zijn broers” bijeen in gebed. Waarmee gezegd is dat Maria en die andere vrouwen hun plaats hadden in het centrum van de jonge kerk.

In de relatie tussen God en mens gaat het altijd over woord en wederwoord, over uitgenodigd worden en het antwoord daarop. Het weinige dat wij van Maria weten past helemaal in dat schema: De vraag aanhoren, ze overwegen, ze positief beant­woorden, van harte maar niet naïef.

Wie voor de vroomheid en de kinderlijke aanhankelijkheid van de traditionele Mariaver­ering niets voelt, doet er goed aan zich eerst te herbronnen vooraleer Maria af te schrij­ven. Het Lucas­evan­gelie is zo’n bron. Hij presenteert ons een Maria die ook in deze tijd van emancipatie en bewust geloven herken­baar is. Zij kan vrouwen én mannen, die een evangelisch ant­woord willen geven op Gods uitnodiging, inspireren tot nieuwe en soms verrassende wegen.

God-Vader heeft zich een sterke moeder-Gods gekozen om Jezus te dragen, te baren en groot te bren­gen. Bij die sterke vrouw kan je aanko­men met je miserie, met je onzekerhe­den maar ook met je kleine en grote vreugden. Bij haar kan je altijd te­recht, ook zomaar, voor een stil moment, of om haar even goeie­dag te zeggen bij een brandend kaarsje.

Zoeken in Preken Online