DE TEMPELREINIGING - Joh. 2, 13-22
Toen het paasfeest der Joden nabij was ging Jezus op naar Jeruzalem. In de tempel trof Hij de verkopers aan van runderen, schapen en duiven en ook de geldwisselaars die daar zaten. Hij maakte van touwen een gesel, dreef ze allemaal uit de tempel, ook de schapen en de runderen; het kleingeld van de wisselaars veegde Hij van de tafels en Hij wierp die omver. En tot de duivenhandelaars zei Hij: “Weg met dit alles! Maakt van het huis van mijn Vader geen markthal!” Zijn leerlingen herinnerden zich dat er geschreven staat: “De ijver voor uw huis zal mij verteren”. De Joden richtten zich tot Hem met de woorden: “Wat voor teken kunt Gij ons laten zien dat Gij dit doen moogt?” Waarop Jezus hun antwoordde: “Breekt deze tempel af en in drie dagen zal Ik hem doen herrijzen.” Maar de joden merkten op: “Zesenveertig jaar is aan deze tempel gebouwd; zult Gij hem dan in drie dagen doen herrijzen?” Jezus echter sprak over de tempel van zijn lichaam. Toen Hij dan ook verrezen was uit de doden, herinnerden zijn leerlingen zich dat Hij dit gezegd had, en zij geloofden in de Schrift en in het woord dat Jezus gesproken had.
Het gebeurt niet dikwijls, maar vandaag maakt die zachte vriendelijke Jezus van Nazareth die we kennen, zich verschrikkelijk kwaad. Hij kegelt de handelaars en geldwisselaars gewoon de heilige tempel van Jeruzalem uit. Waarom reageert Hij in dit evangelie ineens zo fel, zo onbehouwen en rebels, zo agressief en ongenuanceerd..?
De tempel van Jeruzalem is met de jaren geëvolueerd tot het centrum van de macht, het middelpunt van de joodse religie. Daar worden volgens de Joodse Wet offers gebracht, en de tempelpriesters en schriftgeleerden maken er samen met een heel aantal handlangers een ware commerce van, een ‘beestenboel’ om het zo maar eens te zeggen. Het geloof en de godsdienst, de ‘kerk’ van die tijd, zijn helemaal in de greep gekomen van de macht en de commerce. Er wordt dubbel en dik aan de godsdienst verdiend.
Om in de tempel mee te mogen doen, moet je geld hebben, macht en invloed. In de praktijk betekent dit dat de armen en de kleine mensen per definitie worden buitengesloten. Zij kunnen dus Gods bevrijdende en troostende aanwezigheid niet meer ‘genieten’, omdat het niet ‘voor nieten’ is… Gods barmhartigheid, Zijn vergeving en genade worden er gekocht en verkocht alsof een ‘takeaway-bestelling’ was. Er worden geregeld zoenoffers opgedragen, en die kosten geld natuurlijk. ‘Stukken van mensen’ (en van dieren) – zoals we zeggen. Zelfs de vredesduiven zijn gedegradeerd tot het niveau van al het andere pluimvee uit het hoenderpark. De Liefde van God die nochtans per definitie gratis is, is ordinaire koopwaar geworden; de heilige plaatsen zijn veranderd in een markthal; vrede en gerechtigheid zijn ge-perver-teerd tot een koehandel…
Dit was ten andere ook een godsdienstbeleving geworden waarbij enkel de priesterkaste ‘het heilige der heiligen’ mocht binnengaan. God ontmoeten was voorbehouden aan de clerus en aan degenen die genoeg konden betalen om hun schuld en schuldgevoelens af te kopen.
Kijk: dààr kon Jezus niet tegen. Hij maakte zich voor zover wij weten alleen maar kwaad wanneer kleine mensen opzij geschoven of buitengesloten werden. Met een zweep maakt Hij in één keer volle ruimte voor de naam van Zijn God: ‘Ik zal er zijn’. Dat wil zeggen: Ik zal er voor iederèèn zijn, en voor de kleinsten, de armsten, de meest uitgesloten en uitgestoten mensen het eerst en het meest.
Bij Mattheüs wordt in het parallelverhaal verteld dat, nadat Jezus de tempel heeft uitgemest, die vrijgemaakte ruimte dan direct volstroomt met blinden en lammen, armen en kleine kinderen (Matt. 21, 14). Eindelijk kunnen zij in het ‘Huis van god’ vrij ademen en zichzelf zijn, met alle armoede en rijkdom die hen eigen is. En zowel bij Mattheüs, Marcus als Lucas wordt verteld dat bij het sterven van Jezus het voorhangsel van de tempel middendoor scheurt, van boven tot onder. (Matt. 27, 51 – Mk. 15, 38 – Lk. 23,45). Het ‘heilige der heiligen’ is vanaf dat moment niet langer meer een afgesloten ruimte, enkel toegankelijk voor een elite, voor de zogenaamde ‘vrome’ en ‘goede’ mensen. Neen: het heilige ligt nu ineens op straat bij wijze van spreken; het is met de slag weer te vinden in het leven van alledag, het leven van jou en van mij.
Op dat moment is de tempel van Jeruzalem weer in ere hersteld, als de échte woonplaats van God. Niet gebouwd met stenen, maar met levende mensen. ‘God gebeurt’, ‘God wordt geboren en leeft daar waar wij Hem handen en voeten geven, een naam en een gezicht… De nieuwe tempel, dat is de levende geloofsgemeenschap rondom de verrrezen en levende Heer Jezus. Hij heeft altijd gepleit voor een kerk- en geloofsmodel’ waarin het heilige weer in het alledaagse wordt ontdekt en beleefd. Trouwens, Jezus zelf was niet zo vaak in de tempel van Jeruzalem te vinden, maar veel meer in het ‘werkveld’ en straatbeeld, te midden van armen, zieken en zondaars. Te midden van het geleefde leven in de realiteit van alledag. Hij was een Profeet – Hij is nooit Priester geworden of tempeldienaar, heeft er zelfs sinds zijn twaalfde levensjaar niet meer aan gedacht om daar nog veel in verloren te lopen… En alleszins wilde hij geen handelaar n in allerlei offergaven en andere religieuze koopwaar, geen charlatan of tovenaar, geen sjieke meneer of zeereerwaarde heer, geen vitter over wetten en wetjes, geen dogmaticus en zelfs geen theoloog. Hij was ‘gewoon/buitengewoon een man op blote voeten en met sandalen aan…
Vraag is, als wij nadenken over de toekomst van onze kerk en ons geloof, hoe wij er dan zullen voor zorgen dat niet in de eerste plaats al onze structuren en gebouwen, onze dogma’s en tradities overeind kunnen blijven – maar ons veeleer de vraag stellen hoe onze Kerk weer een levend lichaam wordt, waar God te midden van Zijn mensen woont, en bij voorkeur Zijn verblijf vindt bij de meest kwetsbaren, die Hem het meest nodig hebben. Een Kerk van levende stenen, van open deuren en open harten, met huizen en gemeenschappen vol menselijkheid. Dàt is de ondergrens, het bouwplan en het ‘waterpas’ waarmee wij op vandaag ons kerk-vormen en geloofs- beleven moeten reconstrueren en heropbouwen. Alleen door deze basiswet van het ‘steeds meer ruimte maken voor de kleine mens’ te hanteren en te respecteren, kan recht gedaan worden aan de passie waarmee Jezus van Nazareth gepassioneerd was door en gewerkt heeft aan zijn grote droom van het Rijk Gods, waar iedereen veilig mag wonen.
God woont niet in een gebouw van goud en stenen, maar in mensen, in gemeenschappen die proberen dag na dag Hem na te volgen. De echte tempel van de Heer is elke plaats waar mensen elkaar vinden en groeien in verbondenheid. Is elke plaats waar mensen zich oefenen in een nieuwe manier van leven die menswaardig is en ten goede komt aan de minsten. De voornaamste ere-dienst bestaat altijd in ‘mensen-dienst’, waar mensen nu al proberen om de toekomst van God zichtbaar te maken.
De God van de Bijbel, van Abraham en Jezus, woont niet in gebouwen of structuren die met mensenhanden zijn gemaakt. Hij woont wel in daden van ontferming die met mensenhanden zijn gedààn: brood breken, liefkozen, woorden zeggen die er iets toe doen. Die God wil ruimte hebben en ruimte krijgen. Hij wil niet opgesloten worden in een huis van stenen; hij wil niet weggeborgen worden achter slot en grendel in een kastje ergens vooraan in de kerk of kapel. Hij wil alleszins niet verkommeren en verslijten in een aantal dogma’s, regels en levensvreemde wetten… De God van de Bijbel is een God die vrij is en vrijheid wil: voor Zichzelf, maar ook voor al Zijn mensen.
Waar woont God dan wel?
Het Woord is mens geworden, en heeft onder ons gewoond, vol van goedheid en waarheid…’, zegt Johannes in zijn proloog (Joh. 1, 14). ‘Het heeft zijn tent onder ons opgeslagen…’, geeft het Grieks te vertalen, letterlijk: ‘getabernakeld’… een grotere nabijheid is niet denkbaar: in de ontmoeting met mensen ontmoeten wij God.
God wil niet wonen in een tempel, maar in een tent… Een tent – zeker in die tijd – van *huid. *Even kwetsbaar en tastbaar als de huid waarin ook wij, mensen, wonen. Zo kwetsbaar, zo ‘dicht op het vel’… wilde Hij bij de mensen zijn, en zich vereenzelvigen met deze zoekende, wervende, thuisloze slaven.
De ‘tent van samenkomst’ is per definitie een tent van gemeenschapsvorming – gemeenschap met God én onderlinge gemeenschap. In die tent woont de Allerhoogste die trouw is tot in Eeuwigheid. Vanuit die tent wordt Mozes aangesproken en krijgt te horen welke leefregels hij zijn ‘volk onderweg’ moet voorhouden. Vanuit en rondom die ‘tent van samenkomst’ werd gaan-de-weg een stelletje schooiers, vluchtelingen en dwangarbeiders tot één volk, één gemeenschap samengesmeed… Gods tent kan overal worden opgericht – ook aan de gevangenis. De God van de Bijbel heeft geen bezwaar tegen een zwerversbestaan en een primitief onderdak. In de woestijn nam Hij daar al genoegen mee. Liggend in een kribbe, in een voederbak voor beesten, voelt Hij zich best thuis bij de mensen; dààr wel. En Hij kan onder de mensen zijn troon hebben aan het hout van een schandpaal; dat wel. Hij kan aan tafel zitten met tollenaars en zondaars, altijd. Maar één ding kan Hij niet: versteend raken, in een soort van status quo terecht komen. En waar hij ook niet goed tegen kan: de eerbiedige huldeblijken van de mensen in ontvangst nemen, terwijl het grote werk van de ontferming nog beginnen moet. Hij houdt er niet van Zijne Majesteit uit te hangen. Hij zal, zegt Lukas, zich daar omgorden en dienend rondgaan langs de tafels. En tot die dag kan Hij in geen huis rusten; Hij kan zijn rust (sabbat) niet vinden totdat Hij de geringe heeft opgericht uit zijn geringheid, zegt de psalm.
geert dedecker
Homilie bij het verhaal van de ‘tempelreiniging’ – Johannes 2, 13-25.
Derde zondag van de veertigdagentijd B – 6 en 7 maart 2021
Gevangenis PCB Brugge
Evangelie volgens Johannes (2,13-22)
Toen het paasfeest der Joden nabij was ging Jezus op naar Jeruzalem. In de tempel trof Hij de verkopers aan van runderen, schapen en duiven en ook de geldwisselaars die daar zaten. Hij maakte van touwen een gesel, dreef ze allemaal uit de tempel, ook de schapen en de runderen; het kleingeld van de wisselaars veegde Hij van de tafels en Hij wierp die omver. En tot de duivenhandelaars zei Hij: ‘Weg met dit alles! Maakt van het huis van mijn Vader geen markthal!’ Zijn leerlingen herinnerden zich dat er geschreven staat: De ijver voor uw huis zal mij verteren. De Joden richtten zich tot Hem met de woorden: ‘Wat voor teken kunt Gij ons laten zien dat Gij dit moogt doen?’ Waarop Jezus hun antwoordde: ‘Breekt deze tempel af en in drie dagen zal Ik hem doen herrijzen.’ Maar de Joden merkten op: ‘Zesenveertig jaar is aan deze tempel gebouwd; zult Gij hem dan in drie dagen doen herrijzen?’ Jezus sprak echter over de tempel van zijn lichaam. Toen Hij dan ook verrezen was uit de doden herinnerden zijn leerlingen zich dat Hij dit gezegd had, en zij geloofden in de Schrift en in het woord dat Jezus gesproken had.
Évangile de Jésus Christ selon Saint Jean (2, 13-22)
Comme la Pâque juive était proche, Jésus monta à Jérusalem.
Dans le Temple, il trouva installés les marchands de bœufs, de brebis et de colombes et les changeurs. Il fit un fouet avec des cordes, et les chassa tous du Temple, ainsi que les brebis et les bœufs; il jeta par terre la monnaie des changeurs, renversa leurs comptoirs, et dit aux marchands de colombes :«Enlevez cela d’ici. Cessez de faire de la maison de mon Père une maison de commerce.» Ses disciples se rappelèrent qu’il est écrit : L’amour de ta maison fera mon tourment. Des Juifs l’interpellèrent: «Quel signe peux-tu nous donner pour agir ainsi?» Jésus leur répondit: «Détruisez ce sanctuaire,et en trois jours je le relèverai.» Les Juifs lui répliquèrent: «Il a fallu quarante-six ans pour bâtir ce sanctuaire, et toi, en trois jours tu le relèverais!» Mais lui parlait du sanctuaire de son corps. Aussi, quand il se réveilla d’entre les morts, ses disciples se rappelèrent qu’il avait dit cela; ils crurent à l’Écriture et à la parole que Jésus avait dite.
Holy Gospel of Jesus Christ according to Saint John (2, 13-22)
The Passover of the Jews was at hand, and Jesus went up to Jerusalem. In the temple he found those who were selling oxen and sheep and pigeons, and the money-changers at their business. And making a whip of cords, he drove them all, with the sheep and oxen, out of the temple; and he poured out the coins of the money-changers and overturned their tables. And he told those who sold the pigeons, “Take these things away; you shall not make my Father’s house a house of trade.” His disciples remembered that it was written, “Zeal for thy house will consume me.” The Jews then said to him, “What sign have you to show us for doing this?” Jesus answered them, “Destroy this temple, and in three days I will raise it up.” The Jews then said, “It has taken forty-six years to build this temple, and will you raise it up in three days?” But he spoke of the temple of his body. When therefore he was raised from the dead, his disciples remembered that he had said this; and they believed the scripture and the word which Jesus had spoken.
Toespraak
Het gebeurt niet dikwijls, maar vandaag maakt die zachte vriendelijke Jezus van Nazareth die we kennen, zich verschrikkelijk kwaad. Hij kegelt de handelaars en geldwisselaars gewoon de heilige tempel van Jeruzalem uit. Waarom reageert Hij in dit evangelie ineens zo fel, zo onbehouwen en rebels, zo agressief en ongenuanceerd..?
De tempel van Jeruzalem is met de jaren geëvolueerd tot het centrum van de macht, het middelpunt van de joodse religie. Daar worden volgens de Joodse Wet offers gebracht, en de tempelpriesters en schriftgeleerden maken er samen met een heel aantal handlangers een ware commerce van, een ‘beestenboel’ om het zo maar eens te zeggen. Het geloof en de godsdienst, de ‘kerk’ van die tijd, zijn helemaal in de greep gekomen van de macht en de commerce. Er wordt dubbel en dik aan de godsdienst verdiend.
Om in de tempel mee te mogen doen, moet je geld hebben, macht en invloed. In de praktijk betekent dit dat de armen en de kleine mensen per definitie worden buitengesloten. Zij kunnen dus Gods bevrijdende en troostende aanwezigheid niet meer ‘genieten’, omdat het niet ‘voor nieten’ is… Gods barmhartigheid, Zijn vergeving en genade worden er gekocht en verkocht alsof een ‘takeaway-bestelling’ was. Er worden geregeld zoenoffers opgedragen, en die kosten geld natuurlijk. ‘Stukken van mensen’ (en van dieren) – zoals we zeggen. Zelfs de vredesduiven zijn gedegradeerd tot het niveau van al het andere pluimvee uit het hoenderpark. De Liefde van God die nochtans per definitie gratis is, is ordinaire koopwaar geworden; de heilige plaatsen zijn veranderd in een markthal; vrede en gerechtigheid zijn ge-perver-teerd tot een koehandel…
Dit was ten andere ook een godsdienstbeleving geworden waarbij enkel de priesterkaste ‘het heilige der heiligen’ mocht binnengaan. God ontmoeten was voorbehouden aan de clerus en aan degenen die genoeg konden betalen om hun schuld en schuldgevoelens af te kopen.
Kijk: dààr kon Jezus niet tegen. Hij maakte zich voor zover wij weten alleen maar kwaad wanneer kleine mensen opzij geschoven of buitengesloten werden. Met een zweep maakt Hij in één keer volle ruimte voor de naam van Zijn God: ‘Ik zal er zijn’. Dat wil zeggen: Ik zal er voor iederèèn zijn, en voor de kleinsten, de armsten, de meest uitgesloten en uitgestoten mensen het eerst en het meest.
Bij Mattheüs wordt in het parallelverhaal verteld dat, nadat Jezus de tempel heeft uitgemest, die vrijgemaakte ruimte dan direct volstroomt met blinden en lammen, armen en kleine kinderen (Matt. 21, 14). Eindelijk kunnen zij in het ‘Huis van god’ vrij ademen en zichzelf zijn, met alle armoede en rijkdom die hen eigen is. En zowel bij Mattheüs, Marcus als Lucas wordt verteld dat bij het sterven van Jezus het voorhangsel van de tempel middendoor scheurt, van boven tot onder. (Matt. 27, 51 – Mk. 15, 38 – Lk. 23,45). Het ‘heilige der heiligen’ is vanaf dat moment niet langer meer een afgesloten ruimte, enkel toegankelijk voor een elite, voor de zogenaamde ‘vrome’ en ‘goede’ mensen. Neen: het heilige ligt nu ineens op straat bij wijze van spreken; het is met de slag weer te vinden in het leven van alledag, het leven van jou en van mij.
Op dat moment is de tempel van Jeruzalem weer in ere hersteld, als de échte woonplaats van God. Niet gebouwd met stenen, maar met levende mensen. ‘God gebeurt’, ‘God wordt geboren en leeft daar waar wij Hem handen en voeten geven, een naam en een gezicht… De nieuwe tempel, dat is de levende geloofsgemeenschap rondom de verrrezen en levende Heer Jezus. Hij heeft altijd gepleit voor een kerk- en geloofsmodel’ waarin het heilige weer in het alledaagse wordt ontdekt en beleefd. Trouwens, Jezus zelf was niet zo vaak in de tempel van Jeruzalem te vinden, maar veel meer in het ‘werkveld’ en straatbeeld, te midden van armen, zieken en zondaars. Te midden van het geleefde leven in de realiteit van alledag. Hij was een Profeet – Hij is nooit Priester geworden of tempeldienaar, heeft er zelfs sinds zijn twaalfde levensjaar niet meer aan gedacht om daar nog veel in verloren te lopen… En alleszins wilde hij geen handelaar n in allerlei offergaven en andere religieuze koopwaar, geen charlatan of tovenaar, geen sjieke meneer of zeereerwaarde heer, geen vitter over wetten en wetjes, geen dogmaticus en zelfs geen theoloog. Hij was ‘gewoon/buitengewoon een man op blote voeten en met sandalen aan…
Vraag is, als wij nadenken over de toekomst van onze kerk en ons geloof, hoe wij er dan zullen voor zorgen dat niet in de eerste plaats al onze structuren en gebouwen, onze dogma’s en tradities overeind kunnen blijven – maar ons veeleer de vraag stellen hoe onze Kerk weer een levend lichaam wordt, waar God te midden van Zijn mensen woont, en bij voorkeur Zijn verblijf vindt bij de meest kwetsbaren, die Hem het meest nodig hebben. Een Kerk van levende stenen, van open deuren en open harten, met huizen en gemeenschappen vol menselijkheid. Dàt is de ondergrens, het bouwplan en het ‘waterpas’ waarmee wij op vandaag ons kerk-vormen en geloofsbeleven moeten reconstrueren en heropbouwen. Alleen door deze basiswet van het ‘steeds meer ruimte maken voor de kleine mens’ te hanteren en te respecteren, kan recht gedaan worden aan de passie waarmee Jezus van Nazareth gepassioneerd was door en gewerkt heeft aan zijn grote droom van het Rijk Gods, waar iedereen veilig mag wonen.
God woont niet in een gebouw van goud en stenen, maar in mensen, in gemeenschappen die proberen dag na dag Hem na te volgen. De echte tempel van de Heer is elke plaats waar mensen elkaar vinden en groeien in verbondenheid. Is elke plaats waar mensen zich oefenen in een nieuwe manier van leven die menswaardig is en ten goede komt aan de minsten. De voornaamste ere-dienst bestaat altijd in ‘mensen-dienst’, waar mensen nu al proberen om de toekomst van God zichtbaar te maken.
De God van de Bijbel, van Abraham en Jezus, woont niet in gebouwen of structuren die met mensenhanden zijn gemaakt. Hij woont wel in daden van ontferming die met mensenhanden zijn gedààn: brood breken, liefkozen, woorden zeggen die er iets toe doen. Die God wil ruimte hebben en ruimte krijgen. Hij wil niet opgesloten worden in een huis van stenen; hij wil niet weggeborgen worden achter slot en grendel in een kastje ergens vooraan in de kerk of kapel. Hij wil alleszins niet verkommeren en verslijten in een aantal dogma’s, regels en levensvreemde wetten… De God van de Bijbel is een God die vrij is en vrijheid wil: voor Zichzelf, maar ook voor al Zijn mensen.
Waar woont God dan wel?
Het Woord is mens geworden, en heeft onder ons gewoond, vol van goedheid en waarheid…’, zegt Johannes in zijn proloog (Joh. 1, 14). ‘Het heeft zijn tent onder ons opgeslagen…’, geeft het Grieks te vertalen, letterlijk: ‘getabernakeld’… een grotere nabijheid is niet denkbaar: in de ontmoeting met mensen ontmoeten wij God. God wil niet wonen in een tempel, maar in een tent… Een tent – zeker in die tijd – van *huid. *Even kwetsbaar en tastbaar als de huid waarin ook wij, mensen, wonen. Zo kwetsbaar, zo ‘dicht op het vel’… wilde Hij bij de mensen zijn, en zich vereenzelvigen met deze zoekende, wervende, thuisloze slaven. De ‘tent van samenkomst’ is per definitie een tent van gemeenschapsvorming – gemeenschap met God én onderlinge gemeenschap. In die tent woont de Allerhoogste die trouw is tot in Eeuwigheid. Vanuit die tent wordt Mozes aangesproken en krijgt te horen welke leefregels hij zijn ‘volk onderweg’ moet voorhouden. Vanuit en rondom die ‘tent van samenkomst’ werd gaan-de-weg een stelletje schooiers, vluchtelingen en dwangarbeiders tot één volk, één gemeenschap samengesmeed… Gods tent kan overal worden opgericht – ook aan de gevangenis. De God van de Bijbel heeft geen bezwaar tegen een zwerversbestaan en een primitief onderdak. In de woestijn nam Hij daar al genoegen mee. Liggend in een kribbe, in een voederbak voor beesten, voelt Hij zich best thuis bij de mensen; dààr wel. En Hij kan onder de mensen zijn troon hebben aan het hout van een schandpaal; dat wel. Hij kan aan tafel zitten met tollenaars en zondaars, altijd. Maar één ding kan Hij niet: versteend raken, in een soort van status quo terecht komen. En waar hij ook niet goed tegen kan: de eerbiedige huldeblijken van de mensen in ontvangst nemen, terwijl het grote werk van de ontferming nog beginnen moet. Hij houdt er niet van Zijne Majesteit uit te hangen. Hij zal, zegt Lukas, zich daar omgorden en dienend rondgaan langs de tafels. En tot die dag kan Hij in geen huis rusten; Hij kan zijn rust (sabbat) niet vinden totdat Hij de geringe heeft opgericht uit zijn geringheid, zegt de psalm.
geert dedecker
Waarom Abraham voorgoed vertrok uit het land van zijn vader…
De jonge Abraham zat op te passen in de winkel van zijn vader. Je kon er allemaal beeldjes kopen van de God van die buurt daar. De mensen konden het thuis neerzetten. Ze dachten: als we maar aardig doen tegen z’n beeldje, dan zal onze God wel aardig voor ons wezen. Dat hadden ze al jaren zo gedaan. Dat gaf al die tijd een veilig gevoel.
Maar Abraham was een vreemde jongen. Eigenlijk geloofde hij er niet in, in al die beelden. Hij dacht: eigenlijk geloof ik helemaal niets.
Toen kwam er een vrouwtje binnen met een taart. „Die heb ik zelf gemaakt‟, zei ze. „Geef hem maar aan het beste godenbeeld dat je in de zaak hebt.‟
Toen ze weg was, werd Abraham kwaad. Hij had er geen zin meer in om zijn hele leven in deze winkel te zijn. Hij sloeg alle beelden in elkaar. Met een grote stok. Eén beeld liet hij heel.
Zo zat hij tussen de scherven toen zijn vader terugkwam. „Wat is hier aan de hand, wat is er gebeurd?‟, riep die. „Tja‟, zei Abraham. „Een dame bracht een taart voor de godenbeelden hier. En toen kregen ze me toch slaande ruzie. Ze hebben mekaar allemaal in elkaar geslagen. Alleen die ene bleef over.‟ „Kom nou‟, riep vader. „Godenbeelden kunnen toch niets.‟
„Zie je wel‟, zei Abraham. „Je gelooft er zelf ook niets van. Nou, ik doe er niet meer aan mee.‟
„Pak maar in wat je nodig hebt, we gaan hier weg‟, zei Abraham thuis tegen Sara. Hij haalde de grote koffer van de kast en begon. „Waarom eigenlijk, als ik vragen mag?‟, zei Sara. „Ik geloof dat er ergens een land moet zijn, waar je op een andere manier met God kan leven dan ze hier doen. Ik ga zoeken‟, zei Abraham.
De volgende ochtend vroeg gingen ze voorgoed op weg…
(Uit: Karel Eykman, Woord voor Woord)
De godenwinkel van Abrahams vader Terach - uit ‘Woord voor woord’
Abraham breaks up with his father by making fun of his idols
One of the best-known stories about Abraham was how he smashed the idols in his father’s shop. This was after an old woman came into the shop carrying a bowl of fine flour to give to the idols as an offering. Abraham took a stick, broke all of the idols and placed the stick in the hand of the one remaining idol, the largest one. When Terach, Abraham’s father, returned to the store, he asked his son, “Who did this to the gods?” Abraham told Terach about the woman who made the offering. “When I offered the flour, one god said, “I will eat first.” Another god yelled, “No, I first.” Abraham described the argument that ensued until the largest idol became angry, grabbed a stick and broke all the other idols into pieces. “Idols don’t get hungry. Idols don’t speak. And, idols don’t break each other. They’re simply idols,” replied Terach. “Abraham smiled and said, “Oh, Father, if only your ears could hear what your mouth is saying. Why, then, do you worship them?”
Ik zal niet rusten
Psalm 132 vrij. Huub Oosterhuis / Antoine Oomen. Ik zal in mijn huis niet wonen, ik zal op mijn bed niet slapen, ik zal mijn ogen niet dichtdoen, ik zal niet rusten geen ogenblik voordat ik heb gevonden: een plek waar hij wonen kan een plaats om te rusten voor hem die God is, de enige ware. Ik zal in mijn huis niet wonen, ik zal mijn ogen niet dichtdoen, ik zal niet rusten geen ogenblik ik mag versmachten van dorst tot ik gevonden heb: een plek waar de doden leven de plaats waar recht wordt gedaan aan de verworpenen der aarde.
Alexander Smirnov: Tempelreiniging), olieverf op doek.
Tempelreiniging
Rembrandt Van Rijn - Christus verdrijft de wisselaars uit de tempel
God wil niet wonen in een tempel, maar in een tent…
Toen* Koning David zijnintrek had genomen in zijnpaleisenJahwegezorgd had dat al zijnvijanden, in heel de omtrek, hem met rust lieten, zeihij tot de profeet Natan: Nu **moet** u **eenszien**! **Zelfwoonik** in **eenpaleis** van **cederhouten** de ark van God **staatondertentdoek**!' * *Natan **zei** tot de **koning**: Doe gerust wat u van plan bent; Jahwestaat u bij.’ *
Maar diezelfdenachtnogwerd het woord van Jahwegericht tot Natan: *
`Zegaanmijndienaar David: Zo spreektJahwe: Gij wilt voorMijeen huis bouwenenMijdaarin laten wonen? Ikheb nooit in een huis gewoond, sinds de tijddatIk de IsraëlietenuitEgyptegeleidheb tot vandaag toe; steeds ben Ikmeegetrokken in een tent, waarIk in verbleef. *
ZolangIk met de Israëlietenmeetrokhebik nooit aaniemandgevraagd: WaarombouwtgijMijnieteen huis van cederhout? Aan geen van de rechters van Israël, die Ikaangesteld had om mijn volk tehoeden. *
Zegdaaromaanmijndienaar David: Zo spreektJahwe van de legerscharen: Ikheb u uit de steppe gehaald, achter de schapenvandaan, om vorsttezijn over mij volk Israël. Op al uwtochtenhebIk u bijgestaan, al uwvijandenhebIkvernietigd, uw naam hebIkgrootgemaaktals die van de groten der aarde. Ikhebmijn volk Israël eengebiedgegevenen het daargeplant om er tewonen, zondernogopgeschrikt of verdruktteworden door booswichten, zoalsvroeger, *
*in de tijddatIk over Israël, mijn volk, rechters had aangesteld. Ikhebgezorgddat al uwvijanden u met rust laten. Jahwekondigt u aandatJahweeen huis voor u zaloprichten. *
Als uwdagenvoleindzijnengijbijuwvaderen rust, zalIk de nazaat die gijverwekthoogverheffenenzijnkoninklijkemacht in stand houden. Hij zaleen huis bouwenter ere van mijn naam enIkzalzijnkoninklijketroonvooraltijd in stand houden. *
Ikzal hem tot vaderzijnen Hij zalmijn zoon *zijn
(2 Samuël 7, 1-14)
De tent van samenkomst in de woestijn moest Mozes maken naar de prent*, het bestek dat hij gezien had *(Ex. 36- 40,2).Wat had hij dan gezien? Wat anders dan Gods daden van bevrijding? Zoals de mens is gemaakt in Gods beeld en tot zijn gelijkenis, een levend lichaam van ontferming, zo was die tent een dundoek van bevrijding, meer een banier dan een gebouw. Als je hem uitspande en opzette kon je er de schepping in aflezen, en ook iets van de stad van de toekomst; maar dat waren flitsen; dan ging dat ding weer neer, en werd in onderdelen verpakt en geladen op ruggen van lastdieren en levieten. Het was nooit blijvend. Wij hebben hier geen blijvende woonplaats; althans niet met die God die ons wegrukt uit Egypte, de welvaartsstaat, het Moloch-regime. Hij wóónt wel bij ons, maar meer als duw in de rug, dan als een zonnekoning met een paleis, want die hebben we al genoeg. Die tent was wel een doorkijk naar de schepping en de toekomst, maar vooral een protest tegen het vaststaande; juist daarom. Zolang dat ding maar beweeglijk was, opvouwbaar, draagbaar, afbreekbaar als ons eigen lichaam, dat een tempel is van de geest, zolang die tent niet voor de eeuwigheid stond te pronken, zolang was de doorkijk op de schepping en op de stad van de toekomst juist verzekerd. Maar wat stabiel is belemmert het uitzicht. Nu: dat uitzicht was de Heilige Stad – en die beweeglijkheid moest regel zijn en blijven voor de uittochtmensen in de woestijn. Met dat ding bij zich, die kijkdoos in etui, hebben de vaderen onder Jozua de intocht gewaagd in het land Kanaän… Zo woont God in ons midden, als voorvechter tegen het massieve dat ons neerdrukt, als borg voor de menselijke gestalte. Maar altijd beweeglijk; wendbaar als de geest, een stuivende wind…
Onder David begint het bedenkelijk te worden; zoals trouwens heel het koningschap in Israël bedenkelijk is. Want koningschap is al massief, het imiteert de goden. De profeten hebben daar nooit doekjes om gedaan: lees Deuteronomium 17 dat bij dat koningschap allerlei vraagtekens zet. Dat koningschap, dat naar duurzame dingen haakt, ijzeren wetten en stenen gebouwen en dynastie, is altijd een doorn in Gods oog geweest. De heilige stede en de heilige zede loopt in dat koningschap gevaar. Ze gaan bouwen. David vond nog wel genade in Gods oog; maar kun je David eigenlijk wel koning noemen, met zijn weitas en zijn gitaar waarop hij liedjes speelde? Maar zie, David begeerde een woning te vinden voor het huis Jakob. Het staat er allemaal nog heel bescheiden. Geen huis voor de Heer, maar een woning voor het huis van Jakob. Meer voor het volk, op marktdagen, dan een paleis voor God. Maar we weten van Natan de profeet hoe God daarover dacht: niet doen! De doorkijk op de schepping en het visioen van de toekomst, de menselijkheid gaat verloren. Niet doen. Want dan ga je het bestaande tot schepping proclameren, en de bestaande verhoudingen tot scheppingsordinantiën. Het menselijke lichaam, en ook een lichaam van mensen tezamen, de gemeente, dat is wel een huis waar God wil wonen, maar dat is in beweging. Maar: niet bouwen, niet systematiseren… Dan zien we geen schepping meer, dan zien we ook geen toekomst meer…
En toen kwam Salomo, en die deed het toch. Zo staat het er, kort en duidelijk: ‘Salomo bouwde een huis voor de Heer…’ Inderdaad: juist onder de grootste van Israëls koningen is het gebeurd. Het was haast onvermijdelijk en het moest er van komen, suggereert de bijbelse verteller… de doorkijk op de schepping en de uitkijk op de toekomst werden daarmee geheel verduisterd. De wet van de zwaartekracht heerste vanaf dat moment over het huis van Israël. Het volk hield op Gods volk te zijn, vanwege die tempel.
Is God dan nu opeens zo’n hoge ome, is Hij zo hoogmoedig, dat zo’n prachtige Sint Pieter in Jeruzalem hem te min is? Ach welnee. Liggend in een kribbe, in een voederbak voor beesten, voelt Hij zich best thuis bij de mensen; dààr wel. En Hij kan onder de mensen zijn troon hebben aan het hout van een schandpaal; dat wel. Hij kan aan tafel zitten met tollenaars en zondaars, altijd. Maar één ding kan Hij niet: versteend raken, in een soort van status quo terecht komen, alsof er onder de mensen niets meer te regelen was, niets meer te wensen over. Doen alsof alles al klaar is. Eén ding kan Hij niet: de eerbiedige huldeblijken van de mensen in ontvangst nemen, terwijl het grote werk van de ontferming nog beginnen moet. Hij zal een stad laten afdalen uit de hemel waar alle volken op een menselijke manier zullen kunnen samenwonen, maar één ding zal Hij niet: daar Zijne Majesteit uithangen. Hij zal, zegt Lukas, zich daar omgorden en dienend rondgaan langs de tafels. En tot die dag kan Hij in geen huis rusten; Hij kan zijn rust (sabbat)
Niet vinden totdat Hij de geringe heeft opgericht uit zijn geringheid, zegt de psalm van God die hoog woont. Hij woont juist zo hoog om de geringen in hun geringheid te zien. Dat hoge wonen van God, die majesteit des Heren, is juist zijn onrust, zijn beweeglijkheid, dan hier zijn, dan daar, om kleine mensen groot te maken, op te richten een koning als Salomo waardig.
Maar Hem maken tot een sjeik in een paleis, dat is onmenselijk; dat is ongoddelijk; dat is de aarde beroven van haar schepping en haar toekomst beide. God woont niet in dingen die met mensenhanden zijn gemaakt. Hij woont wel in daden van ontferming die met mensenhanden zijn gedaan: brood breken, liefkozen, woorden zeggen die er iets toe doen…
Ik zal niet rusten
Psalm 132 vrij. Huub Oosterhuis / Antoine Oomen. Ik zal in mijn huis niet wonen, ik zal op mijn bed niet slapen, ik zal mijn ogen niet dichtdoen, ik zal niet rusten geen ogenblik voordat ik heb gevonden: een plek waar hij wonen kan een plaats om te rusten voor hem die God is, de enige ware. Ik zal in mijn huis niet wonen, ik zal mijn ogen niet dichtdoen, ik zal niet rusten geen ogenblik ik mag versmachten van dorst tot ik gevonden heb: een plek waar de doden leven de plaats waar recht wordt gedaan aan de verworpenen der aarde. ‘Breekt deze tempel af…’ Jezus hééft het gezegd. Met Hem is de grote ontferming begonnen. De doorkijk op de schepping en het uitzicht op de toekomst zijn niet meer te verduisteren. Die is in jezus verzekerd voor altijd. Al vergaat de wereld, Jezus sterft niet meer!
Waar woont God dan wel?
Het Woord is mens geworden, en heeft onder ons gewoond, vol van goedheid en waarheid…’, zegt Johannes in zijn proloog (Joh. 1, 14). ‘Het heeft zijn tent onder ons opgeslagen…’, geeft het Grieks te vertalen, letterlijk: ‘getabernakeld’… een grotere nabijheid is niet denkbaar: in de ontmoeting met mensen ontmoeten wij God.
Toen de ternauwernood geredde slaven zoekend en tastend door een woeste wereld, door een ‘woestijn’ heen op weg trokken naar een land van belofte, toen heeft de God van Israël zich verwaardigd met heel Zijn glorie, zijn ‘heerlijkheid’ (dat is: zijn humane tegengewicht tegen de onmenselijke machten in deze wereld) in hun tent in hun midden te komen wonen. Die tent was de plek van samenkomst waar Hij zich liet ontmoeten. Een tent – zeker in die tijd – van *huid. *Even kwetsbaar en tastbaar als de huid waarin ook wij, mensen, wonen. Zo kwetsbaar, zo ‘dicht op het vel’… wilde Hij bij de mensen zijn, en zich vereenzelvigen met deze zoekende, wervende, thuisloze slaven.
De ‘tent van samenkomst’ is per definitie een tent van gemeenschapsvorming – gemeenschap met God én onderlinge gemeenschap. In die tent woont de Allerhoogste die trouw is tot in Eeuwigheid. Vanuit die tent wordt Mozes aangesproken en krijgt te horen welke leefregels hij zijn ‘volk onderweg’ moet voorhouden. Vanuit en rondom die ‘tent van samenkomst’ werd gaan-de-weg een stelletje schooiers, vluchtelingen en dwangarbeiders tot één volk, één gemeenschap samengesmeed…
(fragmenten uit Tom Naastepad: ‘Voor de idylle geschapen’)
In zijn dagboek vanuit El Salvador maakt Piet Declercq de volgende aantekeningen bij deze 33° zondag door het jaar – C:
God woont niet in een gebouw van goud en stenen, maar in mensen, in gemeenschappen die proberen dag na dag Hem te volgen.
De echte tempel van de Heer is elke plaats waar mensen elkaar vinden en groeien in verbondenheid. Is elke plaats waar mensen zich oefenen in een nieuwe manier van leven die menswaardig is en ten goede komt aan de minsten. Waar mensen nu al proberen om de toekomst van God zichtbaar te maken.
De echte tempel van de heer is elke plaats van gebed, waar tijd gegund wordt om te komen bij de bron van alle leven. Waar mensen leren ‘zien’ naar de wereld, de schepping en de mens, en zicht krijgen op Gods bedoeling met dit alles.
Bidden is dan: oefenen in vertrouwen, in ‘volharding’ en ‘standvastigheid’. Vanuit die inkeer wordt ommekeer op gang gebracht van alles wat menswaardig leven teniet doet. Telkens weer ons leven trachten te winnen op de onzin, de chaos van dit bestaan, en de dood.
De gebouwen waarin op onze dagen ‘gekerkt’ wordt, zijn doorgaans behoorlijk solide en van steen, vaak met torens die boven alle huizen uitsteken. Maar dat hoeft niet – de torenflats hebben de concurrentiestrijd toch al lang gewonnen. Soms mag een ‘kerk’ ook laag bij de grond opgetrokken zijn, bijvoorbeeld als een groene tent in de weidse vlakte rondom een gevangenis, of als een barakje van bordkanton in de ‘jungle’ van Calais…
Gods tent kan overal worden opgericht – ook aan de gevangenis. De God van de Bijbel heeft, lijkt me, geen bezwaar tegen een zwerversbestaan en een primitief onderdak. In de woestijn nam Hij daar al genoegen mee..
In het Franse Calais, midden in het geïmproviseerde kamp aldaar, bijgenaamd ‘de jungle’, onlangs afgebroken, stond iets als een kerkje - niet gemaakt van acaciahout of van ramshuiden rood geblakerd, maar van bordkarton, met daarop een staketsel dat een dak suggereert en daar weer bovenop een kruis. Af en toe ging iemand daar binnen, om te bidden waarschijnlijk - bidden om wat; om een veilige overtocht binnenkort? Om moed en kracht? Toch zeker ook om even rust te vinden en op adem te komen. Een kleine schuilplaats tegen de ellende en uitzichtloosheid. Je zou ze, die migranten daar, in de modder, mensen zoals wij, iets heel anders toewensen: prachthuizen op groene heuvels, waar zij allen kunnen wonen. Misschien hebben ze daar wel om gebeden, in dat kerkje van bordkarton.
Uit Ekklesia Maandbrief – 21° jg. nr. 5 – november 2016
Op zijn minst kunnen we hier twee belangrijke zaken uit leren:
De ‘armen’ - in dit geval de vluchtelingen en transmigranten – wijzen ons trefzeker de plaats aan waar de ‘Kerk’ moet aanwezig zijn: in de modder, de el-lende, in de ‘jungle’ (dat is bijbels gesproken: in de woestijn en in het ‘tohoewabohoe’ van vóór de schepping)
Zo’n kerkje van bordkarton is makkelijk verplaatsbaar. Het behoedt ons voor het status-quo van het ‘geïnstalleerd zijn’. Wanneer de ‘jungle’ van Calais ontruimd is, geen probleem: ‘inpakken en wegwezen!’ er zijn plaatsen genoeg in de wereld waar modder is, waar onmenselijkheid regeert. En hoe dan ook: mensen zoeken er altijd weer naar een kleine schuilplaats tegen de ellende en de uitzichtloosheid…
Samenstelling: geert dedecker
De Bezieling - 18 september 2015
Kerkopbouw in tijden van afbraak in Calais
Erik Borgman
Een zooitje ongeregeld? Nee, verrassend geordend blijkt het vluchtelingenkamp bij Calais. Met een winkel, een school en… een kerk. Erik Borgman is onder de indruk van het ‘kerkzijn’ dat hij daar ziet. “In het land van mijn ballingschap prijs ik God, verkondig ik zijn kracht en grootheid” (Tobit 13, 7). Wie wil nadenken over kerkopbouw in tijden van afbraak, kan in Calais in de leer.
Het heeft de bijnaam ‘jungle’ gekregen, het geïmproviseerde kamp bij de ingang van de Kanaaltunnel in Calais. Inmiddels zitten er meer dan vijfduizend vluchtelingen. Alleen die naam al is beledigend. Het brengt de vluchtelingen in beeld als een ongeordend zootje van mensen die over hekken klimmen en zich proberen te verstoppen in of onder de vrachtwagens die naar Engeland gaan. Deze dingen gebeuren, maar tegelijkertijd is het kamp waar zij verblijven opmerkelijk geordend. Er is handel, er is een winkel en een school. En er is een kerk. Deze mensen waren in staat enorme afstanden af te leggen en daarbij schijnbaar onneembare hindernissen te overwinnen.
Groot geloof
Eerder dan dat zij een gevoel van bedreiging oproepen, komt bij mij de zin op: “Bij niemand in Israël heb ik zo’n groot geloof aangetroffen” (Matteüs 8,10). Zoals de Romeinse centurio over wie Jezus dit zegt, hebben de vluchtelingen meer vertrouwen in de mogelijkheden die zij krijgen dan degenen die deze mogelijkheden altijd al hadden. Waar wij onze situatie als vanzelfsprekend beschouwen, zien zij bescherming tegen geweld en gebrek als geschonken mogelijkheden om een goed leven te realiseren voor zichzelf en anderen. Wat wij voor kennisgeving aannemen, zien zij als zegen. Dankbaar zijn zij voor wat zij ontvangen, tegelijkertijd hoopvol en angstig kijken zij naar de toekomst. Als ruimte om daaraan uitdrukking te geven, bouwden zij onder meer een kerk. In een vorm die een kerk behoort te hebben, inclusief een bescheiden toren met daarop een kruis.
Wie wil nadenken over kerkopbouw in tijden van afbraak, die kan in Calais in de leer
‘Er zijn er die kerken vullen met stilte.
** Daniël Alliët vult de zijne met leven…’**
** Commentaar van een lezer bij een interview**
** met Daniël Alliët in BRUZZ – 15 oktober 2025.**
Kerkje in de jungle bij Calais | Henk Wildschut
+37
Lovingly made: Migrants built the small church out of long sheets of taped together tarpaulin and planks of wood. Fashioned out of wood, a large crucifix is positioned on the roof of the building
Het is even zoeken, maar voor wie in Google ‘Calais’, ‘jungle’ en ‘kerk’, ‘church’, église of ‘Kirche’ intypt, vindt op internet tal van afbeeldingen. Van de constructie van het geraamte, het bedekken ervan met planken en het overtrekken van de planken met plastic. Maar eveneens van de inrichting, met afbeeldingen van Jezus en Maria versierd met zilveren slingers en met brandende kaarsen ervoor, van de matten en tapijten op de grond. Met een heiligdom dat wordt afgesloten door een gordijn dat soms opzij gaat en waarachter dan een kruis blijkt schuil te gaan met een overwinningsvaandel: de herinnering aan Jezus’ dood en verrijzenis. Maar vooral ook met biddende, smekende, mediterende en Bijbel lezende of verkondigende mensen.
Kerk zijn is de weg
“In het land van mijn ballingschap prijs ik [God]”, heet het in het Bijbelboek Tobit (13,7), “verkondig ik zijn kracht en grootheid”. Dat is wat hier gebeurt! Hier wordt te midden van alle moeilijkheden God geprezen en wordt zijn verborgen kracht en zijn verrassende grootheid verkondigd. Ik werk nog steeds aan mijn boek Waar blijft de kerk? Wie wil nadenken over kerkopbouw in tijden van afbraak, die kan in Calais in de leer. Hier maken mensen zich geen zorgen over de vraag of deze kerk er morgen nog wel zal zijn, of wat het bijeenkomen van de gemeenschap van gelovigen oplevert. Wat hier gebeurt is van betekenis, omdat het een respons is op een aanwezigheid van God, die in de moeilijkste omstandigheden verbonden blijft met mensen en mensen in de meest onwaarschijnlijke situaties met elkaar verbindt.
Of in deze Ethiopisch- en Eritrees-Orthodoxe kerk nu in formele zin eucharistie wordt gevierd of niet, weet ik niet; ik heb er geen afbeelding van kunnen vinden. Maar hier ontsluit de Gezalfde Jezus de Schrift en maakt Hij zich kenbaar in het breken van het brood zoals dat in het kamp ondanks alles plaatsvindt. Hier valt te leren dat er geen weg is naar kerk zijn. Kerk zijn is de weg. Met wat je hebt een plaats inrichten waar je kunt danken voor wat je ten deel viel, waar je kunt bidden voor wat je gelooft dat nodig is voor de toekomst en waar je je kunt overgeven aan de God die je oorsprong, je dragende grond en je doel is. En dat dan beginnen te doen. Nergens om, maar omdat je gelooft dat het niet anders kan.
Erik Borgman is hoogleraar theologie van de religie, in het bijzonder het christendom, aan de Universiteit van Tilburg.
Preparations: two priests break up the loaves of bread in preparation for the service
Respectful: Dozens of pairs of cheap rubber shoes and flimsy sandals litter the are ground outside the church during the service
Beautiful: The floor is covered in an array of colourful carpets, covering up the dull tarpaulin on the ground
Veldhospitaal en plek van troost… In Calais, midden in het geïmproviseerde kamp aldaar, bijgenaamd ‘de jungle’, stond een kerkje gemaakt van bordkarton, met daarop een staketsel dat een dak suggereert en daar weer bovenop een kruis. Af en toe ging iemand daar binnen, om te bidden waarschijnlijk - bidden om wat; om een veilige overtocht binnenkort? Om moed en kracht? Toch zeker ook om even rust te vinden en op adem te komen. Een kleine schuilplaats tegen de ellende en uitzichtloosheid. Je zou ze, die migranten daar, in de modder, mensen zoals wij, iets heel anders toewensen: prachthuizen op groene heuvels, waar zij allen kunnen wonen. Misschien hebben ze daar wel om gebeden, in dat kerkje van bordkarton?
In het Franse Calais, midden in het geïmproviseerde kamp aldaar, bijgenaamd ‘de jungle’, onlangs afgebroken, stond iets als een kerkje - niet gemaakt van acaciahout of van ramshuiden rood geblakerd, maar van bordkarton, met daarop een staketsel dat een dak suggereert en daar weer bovenop een kruis. Af en toe ging iemand daar binnen, om te bidden waarschijnlijk - bidden om wat; om een veilige overtocht binnenkort? Om moed en kracht? Toch zeker ook om even rust te vinden en op adem te komen. Een kleine schuilplaats tegen de ellende en uitzichtloosheid. Je zou ze, die migranten daar, in de modder, mensen zoals wij, iets heel anders toewensen: prachthuizen op groene heuvels, waar zij allen kunnen wonen. Misschien hebben ze daar wel om gebeden, in dat kerkje van bordkarton.
Uit Ekklesia Maandbrief – 21° jg. nr. 5 – november 2016
Op zijn minst kunnen we hier twee belangrijke zaken uit leren:
De ‘armen’ - in dit geval de vluchtelingen en transmigranten – wijzen ons trefzeker de plaats aan waar de ‘Kerk’ moet aanwezig zijn: in de modder, de el-lende, in de ‘jungle’ (dat is bijbels gesproken: in de woestijn en in het ‘tohoewabohoe’ van vóór de schepping)
Zo’n kerkje van bordkarton is makkelijk verplaatsbaar. Het behoedt ons voor het status-quo van het ‘geïnstalleerd zijn’. Wanneer de ‘jungle’ van Calais ontruimd is, geen probleem: ‘inpakken en wegwezen!’ er zijn plaatsen genoeg in de wereld waar modder is, waar onmenselijkheid regeert. En hoe dan ook: mensen zoeken er altijd weer naar een kleine schuilplaats tegen de ellende en de uitzichtloosheid…
‘Ik schrik niet van de gaten in het dak van de kerk na deze of gene storm. Ik bedenk dan dat ik door die gapende gaten heen voor het eerst iets waarnam van Gods aangezicht.’ (Thomas Halik in ‘Geduld met God’)
“Om opnieuw van de grote Kerk te houden, begin bij een kleine. Een paar kleine gemeenschappen om je aan te hechten, om voor te zorgen, om van te houden. Niet alleen de stedelingen die af en toe de kerk vullen en zo de schijn van leven wekken, maar vooral de mensen van hier – de vertrouwde gezichten, hoe weinig het er ook zijn, misschien maar een handvol. Zie de ouderen die trouw blijven komen. En denk aan al die anderen, die de weg naar binnen niet meer weten te vinden." op Facebook – 21/03/2025 – citaat uit Paysan de Dieu, Fr François Cassingena-Trévedy, Albin Michel 2024
** - Kerkje in Landschap**