In de eerste lezing hoorden we een prachtige droom van Ezekiël:
hij zag de tempel als een bron van leven, bron van vruchtbaarheid.
De tempel was het centrum van de joodse godsdienst,
het was de plek waar God zijn volk nabij was, waar je Hem ontmoeten kon.
En Ezekiël droomt ervan dat alle mensen die in die tempel zijn geweest
weer naar huis gaan, geïnspireerd, gemotiveerd, gesterkt
om Gods bedoelingen met elkaar waar te maken
en te werken aan een samenleving
waarin mensen leven en gedijen in een geest van saamhorigheid.
Je hebt tegenwoordig wel eens van die kettingbrieven.
Ieder die een soortgelijke brief krijgt, wordt verondersteld
die brief door te sturen aan meerdere personen.
Zo wordt een beperkte boodschap een grote stroom
die steeds meer mensen bereikt.
Zo ziet Ezekiël ook de functie, de kracht van de tempel.
Zo zou het moeten zijn, maar de werkelijkheid is vaak anders.
In het evangelie ontmoeten we Jezus
die zich hevig ergerde aan de commerciële sfeer in de tempel,
het was een marktplaats geworden.
Zijn ergernis betrof niet alleen de letterlijke handel op het tempelplein,
maar ook het gemarchandeer met God dat in de tempel plaats vond.
Men wilde Gods welwillendheid a.h.w. afkopen
met het brengen van allerlei offers.
Hoe men echt leefde en omging met elkaar was niet zo belangrijk
als je God maar te vriend hield.
De droom van Ezekiël was in feite ver zoek.
Jezus zag geen mensen geïnspireerd en begeesterd uit de tempel komen
die weer anderen inspireerden en begeesterden.
Het was veeleer: ieder voor zich en God voor ons allen.
Onze kerken zijn ook plaatsen waar we God ontmoeten,
waar we ons laten inspireren door Jezus’ boodschap,
waar we verbondenheid vieren om die ook buiten de kerk waar te maken.
En Ezekiël zou dromen van enthousiaste mensen
die na een weekendviering de kerk uit komen,
niet om weer hun eigen gangetje te gaan, zo van: dat hebben we weer gehad,
de baas boven kan tevreden over me zijn.
Ezekiël zou dromen van mensen die anderen zouden aanspreken
om ze te laten delen in hun enthousiasme,
om tegen elkaar te zeggen: kom we gaan ons samen inzetten
voor de gemeenschap, voor de zieken, voor mensen die het moeilijk hebben.
Ezekiël zou dromen van een kettingreactie
waardoor steeds meer mensen in beweging zouden komen
voor dezelfde idealen, voor een leefbare wereld voor iedereen.
Ik ben geen Ezekiël en ik droom niet over zulke dingen.
Ik ben een realist en ik zie geen bezielde mensen in de kerk,
ik zie geen enthousiaste mensen die na de viering de straat opgaan
met het voornemen: we gaan de wereld eens veranderen.
Ik zie geen kerkgebouw dat uitpuilt van begeesterde gelovigen.
Ik zie ook geen kerkgemeenschap, geen Kerk met een hoofdletter,
die mensen enthousiast weet te maken voor die boodschap van Jezus
die daardoor iets op gang zet wat als een olievlek zich verspreid
in elke gemeenschap, in elke land, in heel de wereld.
Ik zie maar weinig mensen die echt warm lopen voor de Kerk van Jezus,
wel een steeds kleiner wordend aantal mensen
die nog meelopen in die gemeenschap omdat ze dat zo gewend zijn,
maar weinig mensen die voorop lopen,
die echt iets van enthousiasme uitstralen.
Ik ben een realist, ik verwacht niet veel meer van die Kerk.
Ik voorzie dat de kerkgebouwen steeds leger worden
en dat de kerkgemeenschap steeds meer mensen verliest.
Ik ben een realist, maar ik ben ook een gelovige
en daarom blijf ik toch hopen dat de droom van Ezekiël ooit werkelijkheid wordt
al is het maar in heel kleine dingen.
Ik blijf toch hopen dat de gemeenschap van gelovigen niet afgebroken wordt
maar zichzelf steeds weer opbouwt, niet in drie dagen,
maar wel in een langere periode.
Ik blijf toch hopen dat Jezus’boodschap mensen blijft inspireren
ook hier in onze eigen samenleving.
Ik ben een realist, maar een gelovige realist,
maar soms vraag ik me wel af of dat wel samen kan gaan.
Kerkwijding van de Sint-Jan van Lateranen (2003)
Feest · 9 november · Lateranen · wit