Allerzielen (2008)

Feest · 2 november · Allerzielen · paars

De drie rouwende bomen eerste lezing Allerzielen 2008

Gisteren was ik in het bos.
Op zoek naar drie bomen, drie bomen die ik gekend had.
Drie bomen die alle drie een tak hadden verloren.
Drie bomen die daar alle drie op een andere manier mee omgegaan waren.
Vandaag heb ik ze gevonden.
De eerste boom was gaan treuren om zijn verlies, en zei ieder voorjaar als de zon hem uitnodigde om te groeien: “Dat kan ik niet want ik mis een tak.”
De tweede boom was geschrokken van de pijn en had maar snel besloten om het verlies te vergeten.
En ieder voorjaar als de zon hem uitnodigde te groeien, groeide hij.
De derde boom was geschrokken van de pijn.
Maar hij had gerouwd om het verlies.
En het eerste voorjaar dat de zon hem uitnodigde te groeien had hij gezegd: “Dit jaar nog niet.”
Maar de zon kwam het jaar daarop terug.
Nu zei de boom: “Ja zon, verwarm mij opdat ik mijn wond kan verwarmen, ziet u, mijn wond heeft warmte nodig, opdat hij weet dat hij erbij hoort.”
En het derde jaar dat de zon terug kwam sprak de boom: “Ja zon, laat mij groeien want er is nog zoveel te groeien.”
Na wat zoeken vond ik de drie bomen, of eigenlijk twee.
De eerste boom was klein gebleven. De plaats van de wond was duidelijk te zien, het was het hoogste punt van de boom. De tweede boom was geen boom meer. Een voorjaarsstorm had hem doen omwaaien. De plek van de wond moest ik gaan zoeken. Achter een heleboel bladeren vond ik hem.
De derde boom was het moeilijkst te vinden, want ik had niet verwacht dat hij zo groot en sterk was geworden.
Maar gelukkig kon ik hem herkennen aan de dichtgegroeide wond die vol trots in het zonlicht stond. (Evert Landwaard)
Gedicht / lied over twee bomen:

Staan in winterlicht twee bomen
stram, gelaten, kaal, wanhopig.
Horen zij de storm aankomen,
sluit de één zijn oren, ogen,
wordt een zwaluw in zijn dromen.
Grijpt de ander met zijn wortels
in nog onderaardser donker
naar nog dieper waterstromen.

Evangelie: Lucas 23, 44-46.50.52-53;24,1-6a

Overweging

Veel mensen maken in deze herfst graag een boswandeling. Er gaat iets bijzonders uit van de bossen in de herfst. De bladeren krijgen geen voedsel meer; ze sterven af, en ondertussen krijgen ze de prachtigste kleuren, rood, en geel, en bruin. Dan dwarrelen ze naar beneden. Het duurt lange tijd voor ze helemaal vergaan zijn. We schuifelen, al pratend met elkaar, of alleen, door de dorre bladeren. We zien hoe het leven daaruit is. We weten in ons achterhoofd ook wel: in de lente zullen de takken boven onze hoofden weer uitlopen. Maar de troost die uitgaat van een herfstbos is juist dat het bos ons helpt ruimte te geven aan onze rouw. Toen we deze liturgie samenstelden, bracht iemand het verhaal in over drie bomen. En er bleek ook een lied te zijn over twee bomen. In beide gevallen bomen die symbool staan voor hoe wij mensen met de dood van een dierbare kunnen omgaan.

In het leven van ieder van ons heeft de dood toegeslagen. Korter of langer geleden verloren wij een dierbare, een geliefde aan de dood. Vooral ouderen maar ook jongere mensen en kinderen, losgerukt uit het land van de levenden, uit ons bestaan. En wij, wij die vergroeid waren met hen, wij kunnen zijn als die boom, wier schrijnende littekens naar de hemel reiken, als roepen ze: “Mijn God, kom mij te hulp”.

Leven met pijn, pijn en verdriet niet wegdrukken maar toelaten, we kunnen niet anders als we door de rouwperiode heen durven gaan. Als je naar het verhaal over de drie bomen luistert en het bomenlied hoort, dan zou je even kunnen denken: het is een kwestie van kiezen. De boom die weer opbloeit heeft het goede voorbeeld gegeven. Hij geeft de weg aan en die kun je inslaan. Doe het maar gewoon.

Maar zo gemakkelijk gaat dat niet. Een rouwproces lijkt soms, net als een depressie, op een doolhof; een doolhof waarin je eindeloos ronddwaalt, ook al weet je heel goed waar je naar toe moet. In de vloer van veel middeleeuwse kathedralen is een labyrint uitgebeeld. In het klein vinden we er een in de Nicolaaskerk van Nieuwegein onder de toren. Dat labyrint verbeeldt de levensweg van ons mensen. Onderaan is de ingang. Het kan het begin van een rouwproces verbeelden, maar ook van ons hele leven. Als je goed naar de lijnen kijkt zie je iets bijzonders: wie het pad vanaf de ingang volgt komt al snel vlakbij het einddoel, het midden. Maar het pad voert er dan weersnel van weg. Later gebeurt dat nog eens. Tot twee keer toe kom je zelfs weer vlakbij het beginpunt uit. Het is alsof de architect zeggen wil: soms denk je dat je weer helemaal terug bij af bent, en dat alle zoeken, alle worsteling met jezelf en met het leven voor niets is geweest. Het labyrint lijkt te zeggen: weet dat dit hoort bij je weg.

Ons leven, en ook ons rouwproces loopt meestal niet als een rechte lijn van A naar B. De kunst is om je daarmee te verzoenen: dat het een weg is van vallen en opstaan. En als je ver bent weg gedwaald van je doel, en van je eigen diepste kern, houdt dan toch het verlangen, het vuur van de hoop in je brandend.

Het midden van het labyrint is een mysterievolle plek. Wie er geweest is merkt dat hij of zij een ander mens is geworden. Er zijn in de christelijke traditie woorden voor dit moment. Middenin staat een tekst: “per crucem ad coronam”, door het kruis naar de kroon. Met andere woorden: door het kruis op je te nemen bereik je het koninkrijk. Dat was voor Jezus zo, en zo mag het ook voor ons zijn. In het oude verhaal over Jezus’ einde, dat we zojuist lazen, gaan de vrouwen gaan naar het graf. De begrafenis van Jezus was nog niet helemaal afgerond; het lichaam moest nog gebalsemd worden. De vrouwen zagen dat de steen voor het graf was weggerold. Ze vonden het lichaam van Jezus niet. Hierdoor raakten ze helemaal van streek. Plotseling stonden er twee mannen in stralende gewaden bij hen. Ze werden door schrik bevangen en sloegen de handen voor hun ogen.

Ook velen van ons gaan nog regelmatig naar een graf van een dierbare, of naar een strooiveld of een andere plek die zoveel herinneringen oproept. Herinneringen aan het leven, en ook aan het sterven. De kunst van een goede uitvaart, van een goed afscheid, is dat je het dode lichaam los durft te laten. Het verteert in de aarde; het verteert in het vuur. Het lichaam van die man, die vrouw, dat kind dat jou zo dierbaar was, het lichaam moeten we loslaten. En dat doet pijn, soms verschrikkelijk veel pijn. Toch is daarmee niet alles gezegd. Bij het graf van Jezus stonden die twee mannen in stralende gewaden, twee engelen, twee boodschappers van God. Ze zeiden: “Waarom zoekt u de levende onder de doden? Hij is niet hier, hij is uit de dood opgewekt”. Zo wordt er ook altijd bij een uitvaart verkondigd dat Jezus de eerste is die is opgewekt, en dat Hij de wegbereider is voor alle kinderen van het licht, voor allen die hebben liefgehad en die gestorven zijn. Het lichaam moeten we loslaten, en daarmee het aardse bestaan van onze dierbaren. Maar niet hun leven. Wij vertrouwen onze dierbaren toe aan de Allerhoogste.

Vandaag bidden wij tot de Eeuwige, dat onze dierbare doden mogen leven in Zijn licht. En dat ook bij ons, die leven met pijn en verdriet, eens de doorbraak komt, en nieuw leven, nieuwe energie. Door het kruis op onze schouders te nemen, kunnen we koningskinderen worden, tot nieuw leven komen, met Christus. Dat wens ik ons allen toe: dat er licht doorbreekt in onze duisternis, een koninklijk licht, een goddelijk licht, in het centrum van ons hart. Amen.

Zoeken in Preken Online