Het is dit weekend erg druk op de kerkhoven. Het boomblad is verwijderd. Er worden bloemen neergelegd op de graven, op de graven zijn lichtjes geplaatst. Waarom doen we dat eigenlijk? Is het enkel gewoonte? Doen we dat, omdat ánderen niet zeggen: ‘Wat ziet dát graf er uit!’ Of is het een laatste poging onze geliefde doden niet prijs te geven aan de vergetelheid? Zoals we met foto’s doen die we al of niet ingelijst aan de wand hebben hangen. Wat drijft de levende naar de doden? Sinds Allerzielen vorig jaar zijn er weer verschillende mensen gestorven. Hun namen staan in menige kerk op kleine kruisjes geschreven. Ze hebben een ereplaats gekregen bij Maria. En dat doen we, omdat wij geloven dat zij de weg van de Gekruisigde zijn gegaan. En daarmee ook de weg - zo geloven wij - van Zijn Verrijzenis. En niet alleen van parochianen namen we afscheid, maar ongetwijfeld zijn er ook anderen van wie u afscheid hebt moeten nemen in uw familie- en vriendenkring. Bij het noemen van zijn of haar naam komt een mens weer tot leven, zien wij iemand voor ons, met huid en haar. Dan zien wij het gezicht van een man, een vrouw, een kind. Vanmorgen noemen wij hun namen, roepen wij hen, alsof we tegen ze zouden willen zeggen: we zijn jullie niet vergeten! Wij noemen jullie namen, omdat wij jullie niet willen vergeten wie jullie voor ons waren en wat wij aan jullie te danken hebben…
Het noemen van hun naam kan ons ook weer verdrietig maken. Want we hebben het over mensen, die we goed hebben gekend, met wie je kon praten, die je aan kon raken, met wie je misschien ’n intiem stuk van je leven deelde. Maar dat verdriet is ook goed, want het is de enige brug die ons met onze doden verbindt. Het noemen van hun naam maakt ook onze kwetsbaarheid zichtbaar, want je wordt je bewust van je eigen sterfelijkheid. Want als zij konden sterven, waarom wij niet? Op Allerzielen, 2 november, komen veel herinneringen weer tot leven, worden verhalen verteld: weet je nog hoe ze wat en wat hij zei? Weet je nog? In onze verhalen en herinneringen komen ze opnieuw tot leven: door het leggen van levende bloemen, door het aansteken van een kaars, door het noemen van hun namen. Over hen hebben wij als pastores gesproken in vaak drukbezochte afscheidsvieringen. Hopelijk in bemoedigende woorden, want over de doden niets dan goeds! Maar als de tranen gedroogd zijn, de kist bedekt met zand of prijsgegeven aan het verzengende vuur, als de bloemen verwelkt zijn op het graf op bij de urnen, als de laatste bezoeker weg is en iedereen weer terug is in zijn eigen wereld, dan zijn er zoveel wonden die geslagen zijn en een pijn die blijft. De dood van een mens die je lief is, schopt je leven danig in de war. Waar zijn ze gebleven onze lieve doden? Het antwoord komt langzaam, waar mensen gelouterd zijn, de pijn voorbij, de tranen gedroogd, de moed hervonden. Het groeit waar wij elkaar verhalen vertellen, ter bemoediging, ter herinnering. Zoals het vergaan is met hen, zo zal het ook ons vergaan. Ooit zal op een keer onze eigen naam genoemd worden met Allerzielen.
De
dood is de grootste verminking die wij in het leven kunnen oplopen.
Maar als je je daar niet bij neerlegt is het wonder nog groter. “Wat
zoekt u de levende bij de doden? Hij is niet hier, Hij is
verrezen”(Lucas 24:6a) In het evangelie hoorden wij over het
stervensuur van Jezus en het begin van het Paasverhaal. Het lot van de
gestorvenen wordt in de liturgie zo ten nauwste verbonden met de dood
en de opstanding van onze Heer Jezus Christus.
En zo valt het licht
van de verrijzenis - zelfs midden in de nacht - op onze doden. Voor hen
is de dood een kleedkamer, waarin de sterfelijke mens wordt afgelegd om
zich te bekleden met onsterfelijkheid. Zoveel overleden lieve mensen.
En de grote menigte dan, de naamlozen ongeteld? Waar zijn ze: de
kinderen van Auschwitz, vrouwen weggeworpen als oud vuil, mannen
gevallen in een oorlog zonder zin? Waar zijn onze dierbaren: verdwenen
zonder groet, toevertrouwd aan de aarde, weggegeven aan de wind? Maar
God kent hun namen. En als je dat niet kunt geloven: spel dan de naam
van je lieve dode maar, letter voor letter, aandachtig. Steek een kaars
voor hem of haar op, of zwijg samen en laat je tranen gaan. De dood van
een geliefde schopt je leven danig in de war, is vaak het begin van een
lange nachtmerrie. Soms zou je het willen uitschreeuwen van verdriet.
Soms word je ’s morgens wakker en hoop je dat alles niet meer is dan
een bange droom. Maar wat blijft is de herinnering die vervaagt, mensen
begraven in Gods aarde, as en stof, weggewaaid op de wind.
In de eerste lezing hoorden we over het einde van de Ballingschap. Jesaia mag het aankondigen. De ondergang van de oude wereld wordt gevolgd door een groot feest met alle volkeren, met het “nieuwe Jeruzalem” als glanzend middelpunt (Jesaia 25:6). God haalt de sluier weg die het zicht van de volkeren op elkaar belemmert. (Jesaia 25:7). Dat is een grootse, geweldige belofte!. Maar zover is het nog niet. We moeten eerst door die nauwe poort. Een moeilijke gang? Laatst zei iemand tegen me: “Eigenlijk is nabestaan veel moeilijker dan doodgaan”. Wat is dat vaak waar! Het leven wijkt, hoe je ook probeert om dat vast te houden. Zelfs je hoofdkussen en je de rand van je ledikant moet je op het laatste moment loslaten. Sterven is vaak een kwestie van een aantal weken, soms een enkele dag, soms een enkel moment. Rouwen duurt maanden, zo niet jaren. Doodgaan gebeurt op een gegeven moment. Maar hoe vind je de weg het leven terug? Dat gebeurt niet in één enkel ogenblik. Daar moet je voor vechten - vaak wanhopig - je moet er in groeien. Je wordt, als je rouwt om een huisgenoot, gedwongen voortaan een bord minder op tafel te zetten. Je kunt je geliefde niet meer aanspreken. De leegte wordt niet automatisch opgevuld. Je kunt pas - na een lange tijd en met tranen in je ogen - langzamerhand ervaren dat er een brug van liefde hangt tussen levenden en de doden. Niet alleen de stervende neemt afscheid - soms zelfs zonder groet - de nabestaanden doen dat ook.
Het woord “nabestaanden” is eigenlijk niet helemaal terecht: zij bestaan niet meer zoals ervoor. Zij verliezen een deel van de zin van hun bestaan. Het is goed om mensen te helpen sterven, maar evengoed mensen te helpen nabestaan. Dat wil zeggen: weer helpen om het leven te zoeken. Nabestaan is inderdaad soms moeilijker dan doodgaan! Misschien kunnen we, op onze beste ogenblikken, op de puinhopen van ons bestaan tóch de woorden van de psalmist meestamelen: “Mijn Herder is de Heer. Het zal mij nooit aan iets ontbreken. Al moet ik het duister in van de dood, U bent toch bij me. Onder uw hoede durf ik het aan…” (Psalm 23).