Harry Mulish gaat op de Partij voor de Dieren stemmen zegt hij. “Dieren zijn heiligen” zegt hij. En daarmee slaan wij, hier en nu, op Allerzielen, meteen de brug naar gisteren, toen we Allerheiligen vierden. “Dieren zijn heiligen”. “Want dieren liegen niet, ze hebben geen dubbele bodem, ze kúnnen niet eens liegen”. “De beesten, dat zijn de mensen …”. Aldus, opnieuw, Harry Mulish.
Een vriend van mij heeft een poes. Tycho heet die poes. Tycho is een “birmees”, een mager scharminkel. Vroeger waren ze met z’n tweeën. Toen had je ook nog Beer, die een “Briste korthaar” was, met zo’n hele brede kop. Tycho en Beer, echt “de dikke en de dunne”. Vele jaren leefden ze samen in dezelfde ruimte. Beer had al wat langer gezondheidsproblemen. En begin dit jaar werd het menens. Nota bene op de dag van de begrafenis van de moeder van z’n ex vindt hij Beer zieltogend achter een kast en brengt hij hem naar de dierenarts … Dus toen was Tycho opeens alleen … Alleen in dat huis waar hij altijd met Beer was. Nu hing daar in het huis van die vriend van mij, die een echte kattengek is, ook altijd, boven de televisiekast, een schilderij met daarop het scherpe profíel van een poes. En wat gebeurt er nu … Voortdurend springt Tycho op de televisiekast, gaat voor dat schilderij zitten en gaat hartverscheurend klagen. En wel zó hartverscheurend dat het door merg en been gaat … Ik ben er vele malen getuige van geweest. Dat schilderij van de poes was voor Tycho echt wat je noemt “het verdwijnpunt van Beer”. Dieren zijn heiligen. Een dier liegt niet. En een dier kan dus heel duidelijk een ander dier (en misschien ook wel een mens) míssen - en niet “alleen maar voor even”. Nee, Tycho is er máánden mee doorgegaan - todat die vriend van mij, die het natuurlijk ook zát werd, tenslotte dat schilderij van de poes maar weg heeft gehaald en het heeft vervangen door een landschapje … En dan nóg kan Tycho de neiging hebben om voor dat landschapje te gaan zitten kermen …
Zoals een dier kan missen, zo kunnen ook wij mensen “missen”. Blijkbaar is dat iets animaals in ons, een oergevoel: de hevige hunkering, het intense verdriet, de martelende pijn om wie, om wat voorbijging; om wie uit het zicht verdwenen zijn, om wie ons verlaten hebben. Heel dicht bij de de ervaring van het dier, van de poes Tycho zittend voor de schaduw van Beer aan de wand, is de ervaring zoals die verword wordt in het waarschijnlijk bekendste middeleeuwse lied uit de Nederlandse literatuur: het Egidiuslied. Het is echt wat je noemt “een klaagzang”: “Egidius war bestu bleven/Mi lanct na di gheselle mijn …”. In de vertaling van Willem Wilmink klinkt het zó:
Egidius, waar ben je gebleven? Ik mís je zo, mijn kameraad. Jíj koos de dood, liet mij het leven.
Je vriendschap wás er vroeg en laat, maar ’t moest zo zíjn, één van ons gaat.
Nu ben je in ’t hemelrijk verheven, helderder dan de zonneschijn, alle vréugd is jou gegeven.
(...)
Bíd nu voor mij, ik ben verwéven met deze wereld en zijn kwaad.
Bewaar mijn plaats náást jou nog even, ík moet nog zingen, in de maat,
tót de dood, die elk te wachten staat. (Egidius, waar ben je gebleven?
Ik mis je zo, mijn kameraad. Jíj koos de dood, liet míj het leven.
Je vriendschap wás er vroeg en laat, maar ’t moest zo zijn, één van ons gaat.)
“Waar ben je gebleven?” “Waarheen?” “Waarvoor?” - Die vragen wellen als oerkreten op uit het hart van het mens-zijn - vooral als er een dierbaar mens (of ook: als er een dierbaar dier) gestorven is … In het Egidiuslied is het antwoord: “Nu bestu in den troon verheven” oftewel: je bent in de hemel opgenomen. En toch mensen: de pijn van het gemis is er niet minder om, hemel of niet … In onze tijd is de schroom om dat te zeggen, om dat te geloven, onbekommerd (“als je gestorven bent, dan ga je naar de hemel”); in onze tijd is die schroom heel groot geworden. En toch, lieve mensen, in het hart van het christelijk geloof blijft staan: Christus is verrezen! “Waarom zoekt U de Levende bij de doden?” En die verrijzenis van Christus is het onderpand als het ware en houdt de belofte in: dat ook de andere doden en in elk geval díegenen die in Zijn, in Christus’ kielzog hebben getracht te leven en te sterven en naar wij mogen geloven: ook degenen die dat “spontaan” als het ware, “uit zichzelf” gewoon hebben gedáán; Christus’ verrijzenis betekent dat ook zijn kameraden, zijn vrienden en vriendinnen, zijn broeders en zusters; dat ook díe zullen verrijzen, dat er ook voor hen een nieuw, een ander leven zal zijn …
Eén van de laatste aanwinsten van onze kerk is een kunstwerk dat ik kado heb gekregen van Mary Fontaine, kunstenares te Almere. “Almary” noem ik haar graag. Mary heeft in de formele zin afscheid genomen van het christelijk geloof en van de katholieke kerk, maar ze is wel een héle grote vriendin van míj. En dat kunstwerk dat ik van haar kado heb gekregen (voor mijn jubileum) vind ik zó fantastisch dat ik het midden in de kerk heb gezet, op de altaartafel nota bene. Ik zie er in: een prachtig geloofsgetuigenis, een belijdenis van de verrijzenis en van het leven dat sterker is en verder reikt dan de dood, nee, dat oneíndig is. Mary heeft ’t genoemd: “Geen kruis”. Maar ik zie er in: kruis en verrijzenis inéén. Want de in de steen uitgespaarde kruisvorm is beschilderd met bloedrode verf - de herinnering aan Jezus’ gruwelijke levenseinde. Maar inderdaad: Er ís geen kruis meer. Het kruis is weg. Je kunt er doorheenkijken. En op de rand van de steen zit een krans van spijkertjes die triomfantelijk met hun scherpe puntjes naar buiten staan. Met hun kop zitten ze vastgelijmd op de steen. Een stralenkrans van spijkers. Het kruis dat niet langer teken van een gruwelijke dood is, maar van stralende overwínning op de dood. Net als Tycho de poes hebben wij hier in de kerk ook onze “verdwijnpunten voor de mensen”. Dat zijn de circa hondervijftig “gedachteniskruisjes” achter het hoogaltaar en in de dagkapel met daarop de namen van nog veel méér mensen. Zodadelijk zullen we bij op al die kruisjes lichtjes ontsteken (het is weer een dure avond voor de kerk!). Maar dat is een vrolijk en een warm gezicht - waarmee we de kille, starre dood van onze dierbaren vanuit ons geloof bijna brutáál en cynisch-in-omgekeerde- zin - weglachen bijna. Wij nemen hier de dood, waar de mensen zo bang voor kunnen zijn en die ze zo blóedserieus kunnen nemen; wíj nemen hier die dood niet zo ernstig en zo serieus …
“God is vóór ons” zegt Paulus in de Romeinen-brief. En wíe kan ons dan nog wat maken? “Hij heeft Zijn eigen Zoon niet gespaard maar hem omwille van ons allen prijsgegeven” - precíes, denk ik mensen, om ons duidelijk te maken dat er belangrijker zaken en waarden zijn in het leven dan het pure óverleven. Met en in Jezus dood heeft God ons léven gegeven van het hoogste goudgehalte. Dat leven ontvangen wij aan dit altaar, keer op keer, dag in dag uit. Niets kan ons scheiden van de liefde van God die Hij ons gegeven heeft in Christus Jezus. Hij gaat door roeien en ruiten mensen. Géén dood houdt Hém tegen. Moge géén dood dan óns tegenhouden. Moge géén dood, de dood van niemand, de dood van geen enkele dierbare, ons van díe liefde, de liefde van God die Hij ons gegeven heeft in Christus Jezus; moge géén dood en geen dode ons dáárvan vervreemden en afscheiden. Dat wíj, lieve mensen, dát niet laten gebeuren. Aan God zal het niet liggen. Want Hij heeft ons met en in Jezus Christus reeds álles gegeven. Amen.