Homilie op de 30e zondag door het jaar B: Van blindheid genezen!
(Mc. 10,46-52)
Tielt, 28 oktober 2012
Eigenlijk is het hele evangelie volgens Marcus één grote parabel over de weg die Jezus is gegaan en de mensen die Hij op zijn weg ontmoette.
Vandaag hebben we geluisterd naar het evangelieverhaal van de genezing van de blinde bedelaar Bartimeüs. We mogen en moeten ons afvragen: op wie lijken wij? In welke figuur herken je jezelf?
Ieder van ons heeft iets van die blinde. Misschien ben je blind voor de tederheid van je vrouw, die reeds 20 jaar lang al die simpele dingen doet in huis opdat jij en je kinderen het goed zouden hebben. Misschien heb je als vrouw geen oog voor de ijver, de werkkracht en de ambitie van je man. Kinderen zijn dikwijls blind voor de liefde en de zorg van hun ouders. Ouders zijn soms blind voor de drang naar vrijheid en zelfstandigheid van hun kinderen. We zijn helderziende voor de fouten van de anderen, maar dikwijls blind voor onze eigen fouten. Soms zien we niet meer hoe rijk wij zijn en hoeveel armen er nog zijn, in het grootste deel van de wereld, maar ook dicht bij ons: in België ongeveer 15 %! We zijn zo verblind door de schone schijn van de dingen die we kunnen kopen in de warenhuizen van het leven, dat we blind zijn voor de schoonheid van het leven zelf. Misschien ben je blind voor de goedheid van God, die ons verschijnt in zoveel goede mensen in ons midden, blind voor de vele kansen die we krijgen om zelf voor anderen goed te zijn. Misschien zie je niet dat je iets niet ziet: dan ben je stekeblind. Of als je denkt dat alles is zoals jij het ziet, dan ben je ook blind. Blind ben je als je niet ziet dat iets anders kan, anders moet.
Die blinde Bartimeüs, dat ben jij, dat ben ik. Ieder mens bedelt om wat genegenheid, heeft nood aan een bemoedigend woord of een begrijpende blik. Dat mag! Dat deed ook die blinde bedelaar: hij schreeuwde om hulp. Zo moeten ook wij ons niet schamen, moeten we durven laten merken dat we dikwijls wat hulp nodig hebben. Dat is geen schande.
Die blinde bedelaar moet je ook zien langs je weg. Het is de mens in geestelijke nood, die hoopt op een sprankeltje licht. De mens die in zijn eentje niet vooruit kan. De mens die beperkt is in zijn kansen, afhankelijk van wat anderen hem toewerpen. Het is de armoedzaaier, de hongerlijder, de afgeschrevene, de mens die uit de boot is gevallen, die niet voldoet aan de normen van hen die het goed hebben. Zo zitten er velen langs de weg, bedelend om wat begrip of steun.
En, als we ons onder die omstanders in het verhaal rekenen, wie zijn we dan? Lijken we dan op hen die blijkbaar geen oog hebben voor het verdriet, de miserie, de ontgoochelingen van anderen? Vinden wij mensen met vragen gauw lastig en snauwen wij te vlug: “Wees stil. Ga weg. We moeten verder. Ik heb geen tijd?” Als dat zo is moeten we vandaag zeker bidden dat Jezus ook ons geneest, opdat ook onze ogen zouden opengaan. Opdat ook wij zouden doen wat Jezus deed in het verhaal. Hij bleef staan en zei: “Roep hem eens.” Opdat ook wij zouden doen wat de leerlingen deden, die aan de blinde zeiden: “Heb goede moed. Sta op. Jezus roept je.” Een mooie oefening van hoop! Aan mensen zeggen: “Courage! Ook al lig je eruit bij de mensen, ook al zie je het zelf niet meer zitten, ook al is het een en al duisternis om je heen: heb goede moed!” Doen ook zoals Jezus deed. Hij vroeg aan de blinde bedelaar: “Wat kan ik voor je doen?”
Dat is het waartoe wij, christenen, voortdurend worden uitgedaagd: stilstaan bij mensen, tijd voor hen maken, luisteren naar hun vragen, lastige mensen niet afsnauwen, kritische volgelingen niet aan de kant schuiven en monddood maken. Maar vragen: “Wat kan ik voor je doen?” En dan elkaar helpen om te zien welke weg je samen kunt gaan. En telkens tegen elkaar, zeker tegen de sukkelaars, zeggen: “Heb goede moed. Sta op.”
Het gaat Marcus niet om precieze feiten. Hij vertelt een parabel over mensen zoals jij en ik. Over mensen die gezien willen worden maar voor wie niemand oog heeft, mensen die voorbij gelopen worden, die hun verdriet uitschreeuwen maar van wie de mond wordt gesnoerd. Een parabel over mensen die blind zijn voor anderen. Maar ook over mensen met een blind vertrouwen. En over mensen die wel stilstaan bij andermans verdriet en die oog hebben voor hen die smeken om aandacht en begrip.
Ik weet niet in wie je jezelf herkent, maar ik denk dat we allemaal met de blinde uit het evangelieverhaal tot God moeten bidden: “Heer, maak dat ik zie!”
Gab. Buyse, pastoor-deken em. Tielt
Homilie op Allerheiligen 2012: Eén heilige is meer waard dan 10 rijkswachters!
Tielt, 1 november 2012
Wie zegt dat één heilige meer waard is dan 10 rijkswachters, mag kritiek verwachten. Misschien ten onrechte. Want van Napoleon, die je niet kunt verdenken van grote sympathie voor de Kerk, zijn de woorden bekend: “Eén pastoor is meer waard dan 10 gendarmes.” En dichter bij ons zei de vrijzinnige Steve Stevaert dat hij liever volle kerken ziet dan lege.
Misschien is het daarom jammer dat we in onze kerken minder heiligenbeelden zien. In de oude kerken vond je vroeger bij elke pilaar het beeld van een heilige, alsof zij de steunpilaren waren van de Kerk. Terecht!
Maar meestal als we naar hen kijken, raken we de moed kwijt. Zij zijn ons te sterk. Die heiligen liggen thans bij vele mensen niet goed in de markt. Tenzij als we in de knoei zitten: bij ziekte, een moeilijk examen, een relatie die stuk dreigt te gaan… Dan zijn zij onze advocaten om ons uit de miserie te helpen. En als ereloon krijgen ze een kaars of een devotielampje voor hun beeld.
Van beelden gesproken. De meeste beelden van heiligen lijken ongenaakbaar, weinig sympathiek. Je ziet zelden een heilige die hartelijk en breeduit lacht zoals aantrekkelijke vedetten op de cover van een weekblad. De meeste lijken streng en uitgemergeld, alsof ze vanaf hun kindertijd al op dieet stonden of aan anorexia nervosa leden. Maar is dat het juiste beeld van een heilige? De Fransen zeggen het heel raak: “Un saint triste n‘est qu’un triste saint” (een heilige die er triest uitziet , is een triestige heilige). Dat ze er zo uitzien is niet hun schuld. Die beelden hebben wij ten onrechte van hen gemaakt. Zij kregen nooit de kans van een zelfportret.
Allerheiligen kan dat beeld van de heiligen corrigeren. Die bijsturing kunnen we niet missen. Want veruit de meeste mensen hebben een transformator nodig tussen het evangelie en hun eigen leven, willen de stoppen niet doorslaan. Zij geven ons ook een antwoord op die fundamentele vraag, die vroeg of laat niemand uit de weg kan gaan: “Wat is de zin van ons bestaan?”
De mens is een zinzoeker, ook op onze dagen. Dat verlangen uit zich thans langs een omweg, die van het bijgeloof. Enkele jaren geleden stond in een Franse krant te lezen dat er in Parijs minstens 30.000 waarzegsters zijn. En ze verdienen hun brood. Blijkbaar zijn de mensen meer dan vroeger, - hoe zonderling dat ook moge lijken in een tijd van kennis en wetenschap, van zelfbeschikking en prestatie, - bereid om te geloven dat de toevallige stand van de sterren bij hun geboorte hun levensweg bepaalt en dat wat morgen met hen zal gebeuren te lezen staat in de lijnen van hun handpalm.
Het antwoord op de vraag hoe, waarvoor en waarvan we moeten leven en welke weg we moeten bewandelen om gelukkig te worden, biedt ons het geloof. De vele heiligen, gekroonde of ongekroonde, hebben het ons voorgeleefd.
Op Allerheiligen denken we aan hen, want ze dragen in zich een blijde en hoopgevende boodschap, omdat ze geleefd hebben in het gelovig vertrouwen dat ons geluk niet geschreven staat in de lijnen van onze handpalm, maar dat onze naam geschreven staat in de palm van Gods hand en dat die liefdevolle God, wat er ook gebeurd is, die naam nooit uitwist.
Ze zijn met veel meer dan de 30.000 waarzegsters in Parijs.
Je hoeft ze niet ver te zoeken. Misschien is het je moeder of je vader, je vrouw of je man, je zoon of je dochter, die gestorven is en die, net als de kleine Theresia van Lisieux, beleefd heeft dat je, om heilig te worden, in je leven geen grote dingen hoeft te doen maar dat je wat je doet uit liefde moet doen.
Heiligheid steekt in de kleine minzame daden en woorden van elke dag: de stille bezorgdheid voor wie je nabij is, een opbeurend woord voor wie het moeilijk heeft, een lieve attentie voor wie op de goede weg is. Misschien hebben ze enkel beleefd wat de minzame Franciscus van Sales zei: “Om heilig te worden hoef je enkel de deuren zacht te sluiten.” De deuren nooit hard toeslaan na een moment van wrevel of onenigheid, na een hard woord of een kwetsend gebaar van je man of vrouw, van je zoon of dochter, van je vader of moeder. Want wie de deur hard toeslaat, kan nooit meer terugkeren. Of misschien waren ze, net als Pater Damiaan, in woord en daad een balsem op de wonden van de zieke, gekwetste en kwetsbare mensen in hun midden. Zo zijn er vele in onze welvaartsmaatschappij: het grote aantal mensen die bestendig lijden onder depressie, mensen die ongeneeslijk ziek zijn, bejaarde mensen die kreunen onder de eenzaamheid of de last en de ongemakken van de ouderdom. Zelfs als je in je leven de lust van de bekoringen niet hebt kunnen weerstaan, zoals de grote Augustinus in zijn jonge jaren, krijg je nieuwe kansen: je hoeft niet zonder kras of scheur te zijn.
Toon Hermans heeft het raak verwoord:
“We hebben allemaal wel eens een gaatje in onze jumper.
We hebben allemaal wel eens een deukje in onze bumper.”
God houdt van kleine heiligen. En, als je ze goed bekijkt, ook alle zogenaamde grote heiligen zijn in feite heel klein geweest.
Dat vieren we vandaag. Wat een bevrijdende boodschap!
Ik wens aan elkeen een deugddoend hoogfeest van Allerheiligen.
G. Buyse, pastoor-deken em. Tielt