En, heeft Ú de nieuwe Quote gekocht, dat glossy blad met de actuele lijst van de vijfhonderd rijkste mensen van Nederland? Ze worden nu ook per gemeente genoemd. Bondscoach Marco van Basten is de rijkste inwoner van de Haarlemmermeer hoorde ik vanmorgen op de radio. Vijfendertig miljoen. Mensen, wat móet iemand met zoveel geld? Even dacht ik vanmorgen: Ik koop dat blad - met het oog op deze verkondiging. Bij nader inzien heb ik het toch maar niet gedaan. Want ík wil daar geen cént aan uitgeven. Zulke exorbitante rijkdom - dat is toch gewoon víes? Maar de wereld, de mensen … ze kijken er verlekkerd naar, naar de rijkdom en naar de rijken en hun luxe levensstijl, naar hun goud, hun auto’s, hun jachten, hun kleren, hun huizen en hun strakgetrokken bekkies. De rijken zijn voor veel mensen de grootste voorbeelden, het tóónbeeld van een geslaagd leven. Dat wil ik ook! gaat er door mensen heen als ze dat zien, al die rijkdom. Misschien zit dat, als we eerlijk zijn, ergens ook wel in óns …
Maar vandaag vieren wíj Allerheiligen mensen. En dat betekent dat ons vandaag ándere rol-modellen, andere idealen en doelen om naar te streven worden voorgehouden dan die van de rijkdom en van de rijken. Op de rijkdom komen de mensen af als vliegen op de stroop. En moet je daartegenover hier óns eens zien: we zijn met een handjevol mensen. Er zijn al stemmen opgegaan, binnen het zogenaamde Liturgisch Beraad van ons parochie, om deze plechtige avondviering van Allerheiligen maar af te schaffen. Wie mij een beetje kent, die kan vermoeden hoe ík zo’n geluid ontvang … Ik ben a priori niet erg geneigd om erin mee te gaan, in zo’n voorstel … hoe begrijpelijk en “redelijk” het ook moge zijn … Het besef dat men zelfs in de vrome Middeleeuwen niet altijd even warm liep voor de heiligen relativeert misschien de zaak van de gelovige lauwheid en van het geloofsverlies in onze huidige tijd. Vanmorgen vroeg, om zes uur, lazen wij in de lezingendienst een stukje uit een preek van de heilige Bernardus, de abt van het Franse Clairvaux. Hij stierf in 1153. Reeds in de twaalfde eeuw verzuchtte Bernardus al: “De kerk van de eerstelingen staat op ons te wachten en het raakt ons niet. De heiligen zien verlangend naar ons uit en wij vinden het niet belangrijk. De rechtvaardigen zien naar ons uit en wij laten niets merken … Wij moeten toch eens wákker worden, ópstaan met Christus, zoeken wat bóven is, onze zinnen zetten op het hemelse. Wij moeten verlangen naar hen die naar óns verlangen, ons haasten naar hen die op ons rékenen, naar hen tóegaan met de bewogenheid van ons hart.”
Een mooie gedachte mensen: Dat er een ontelbare menigte van heiligen is die op ons neerzien, die naar ons uitzien, die op ons betrokken zijn en aan wie wij ter harte gaan. Ik schroom altijd erg om moeder Teresa te noemen, de Albaanse non die in Calcutta, India zich het lot aantrok van de armste mensen. Ik schroom altijd om haar naam te noemen, want we zijn met haar doodgegooid in onze kerken. Ze is tot een cliché geworden, een stoplap die je dan op een gegeven moment niets meer zegt. En toch mensen … vanmorgen vroeg “verscheen ze mij”. Ik zag haar gezicht vóór mij, vriendelijk lachend. Ze keek míj aan. En weet U wat nou zo geweldig is: We mogen geloven dat ze dat ook werkelijk doet! Ze kijkt naar mij, naar deze grote zondaar. Ze kijkt en ze lacht. Want ze leeft met mij mee. Ik ben haar sympathiek. Ze wil dat ik het goed doe. Ze gunt mij het beste. En U ook …
En het beste voor haar en voor alle heiligen is … niet de rijkdom, maar de armoede. “gelukkig wie nederig van hart zijn, want voor hen is het koninkrijk van de hemel” zo hoorden we Jezus zeggen in zijn bergrede. “Nederig van hart” vertalen ze in De Nieuwe Bijbelvertaling. Vroeger was dat: “armen van geest”. De heilige paus Leo de Grote (gestorven in 461) zei daarover: “Hierdoor geeft Hij te kennen dat het rijk der hemelen eerder wordt geschonken aan eenvoudigen van hárt dan aan hen die arm zijn aan aardse goederen.” En hij vervolgt: “Ongetwijfeld maken armen zich gemakkelijker de deugd van nederigheid eigen, want dank zij hun armoede blijven zij bescheiden en eenvoudig, terwijl de anderen zich gewoonlijk op hun rijkdom verheffen (denk aan de Quote!). Toch vindt men bij veel rijken een bereidheid hun overvloed niet te gebruiken om zich hoog boven anderen te stellen, maar om de weldadigheid te beoefenen. Wat zij uitgeven ter verlichting van andermans ellende, beschouwen zij als de grootste winst … Alle standen en klassen van mensen kunnen elkaar ontmoeten in de beoefening van deze deugd: ook al is hun vermogen niet hetzelfde, zij kunnen allen deze goede bedoelingen hebben. Het is niet van belang hoeveel zij onderling verschillen in aardse goederen, als zij inzake hemelse goederen aan elkaar gelijk zijn. Daarom is die armoede zalig te prijzen die zich niet laat verleiden door liefde voor het tijdelijke, die niet streeft naar vergroting van bezit in deze wereld, maar verlangt naar verrijking met hemelse goederen.” Tot zover paus Leo de Grote. En nu we toch in Rome zijn: In de derde eeuw werden de christenen vervolgd. Ene Laurentius (later: Sint-Laurentius, hij is bijvoorbeeld de patroon van het bisdom Rotterdam en bisschop van Luyn loopt met hem wég); deze Laurentius was diaken. Hij was belast met het beheer van de kerkelijke goederen. En toen de nood het hoogst was deelde hij die uit aan de armen. Toen de wereldlijke overheid hem gelastte om met de rijkdom van de kerk voor de dag te komen verzamelde hij derhalve de armen … “Zíj zijn de rijkdom van de kerk” zei hij. Ik moet er wel eens aan denken als ik hier in de kerk ben met zo’n armzalig groepje mensen: Vaak zijn dat niet geslaagde en succesvolle, rijke mensen: Er zijn zwervers bij, mensen met een uitkering, illegalen, mensen met allerlei gebreken en kwalen, lichamelijk en geestelijk … Daar zit ík dan tussen. Ik ben één van hen. Ik hóór bij hen. En, veelgeliefden, dat is een eer. Niet voor hen maar voor mij. Zoals het een eer is voor onze kerk dat er hier een voedselbank actief is: Allerlei mensen die dat nodig hebben worden hier vanuit onze kerk door kerkelijke en niet-kerkelijke vrijwilligers geholpen met allerlei etenswaren - die overigens van elders komen. Het wordt niet door de kerk gefinancierd. Wij stellen alleen onze ruimtes ter beschikking eigenlijk. Ik kwam aan het eind van de middag de trap in de pastorie afdenderen. Komen er juist een paar moslim-dames door de gang met hun tassen. “Bent U van de kerk? - Er waren een paar jongens voor de kerk aan ’t voetballen. De bal kwam tegen de glazen deur aan! Ik heb ze gezegd dat ze dat niet moeten doen. Dat mag je niet doen bij een kerk!” had ze tegen die jongens gezegd. Ik heb haar hartelijk bedankt. Wat een mooie ervaring. Een kado’tje. Ik kan dan soms overstroomd worden door een gevoel van dankbaarheid. En dan hoor ik Laurentius zeggen: Zij, de armen, zijn de rijkdom van de kerk … Denk ook even aan de soldaat Martinus. Hij leefde in de vierde eeuw en was soldaat. Het was winter en bitter koud. Te paard naderde Martinus de poorten van de Noord-Franse stad Amiens (zoals ikzelf afgelopen zomer op mijn vouwfietsje; ik heb sterk aan hem, aan Martinus, moeten denken …) Hij zag een haveloze bedelaar, Martinus. En in een opwelling van liefde sneed hij zijn grote soldatenmantel doormidden (en daar sliepen ze in die tijd in, in die mantel!) en gaf de helft aan de bedelaar. Martinus, die later bisschop van Tours werd, is er tot in onze tijd bekend door gebleven. Op elf november gedenken we hem. Dan gaan de kinderen met hun lampionnetjes langs de deuren en dan horen ze hopelijk ook dat verhaal over Martinus en de bedelaar. ’s Nachts had Martinus trouwens een droom waarin Christus hem verscheen en hem vertelde: Die arme bedelaar - dat was ikzelf. In hem heb je mij gediend. Durf ik dat te geloven veelgeliefden? En zou ík een jas van mezelf weg kunnen geven? Het is maar een vraag …
De apostel Johannes, in zijn eerste brief, waaruit wij hebben horen voorlezen, schrijft: “Bedenk toch hoe groot de liefde is die de Vader ons heeft geschonken! Wij worden kinderen van God genoemd, en dat zijn we ook. Dat de wereld ons niet kent, komt doordat de wereld Hem niet kent …” Ja mensen, laat het maar eens goed tot U doordringen … Wij staan dan wel niet in de Quote, op pater Brenninkmeijer na, maar hij en wij zijn, met alle heiligen, kinderen van God! Vanuit die zekerheid, vanuit dat geweldige bewustzijn mogen wij in het leven staan. Sint-Bernardus, Moeder Teresa, paus Leo de Grote, Sint-Laurentius, Sint-Maarten en al die anderen lachen ons aanmoedigend toe: Wij zien verlangend naar jullie uit! Kom naar óns toe! Ik hoop van harte veelgeliefden dat de rijken van de Quote maar dat ook wij “niet van een kouwe Kermis mogen thuiskomen” zoals ze in Noord-Holland zeggen. Dat zij en dat wij er mogen zijn voor de armen - daar gaat het om. Zó zijn de heiligen. Amen.