WAT STEENHOUWERS DOEN…
Er waren eens drie steenhouwers. Ze zwoegden in de middagzon. ‘Wat
doen jullie daar?’ riep een nieuwsgierige voorbijganger. ‘Stenen houwen,
dat zie je toch!’, riep de een. Een ander zei: ‘Ik ben bezig geld te verdienen
voor mijn gezin’. De derde staakte zijn arbeid, keek de voorbijganger aan
en zei vol overtuiging: “Ik, ik bouw… een kathedraal!”
Ze hebben alle drie gelijk. Ze houwen stenen, ze verdienen hun brood
en ze bouwen een kathedraal. Maar elke omschrijving duidt op een andere
dimensie van ons handelen. En het maakt wat uit of je je daarvan bewust
bent. (uit Werkkatern 7, Midden Onder U: Verhalen vertellen.)
WAAR ZIJN WE HELEMAAL MEE BEZIG?
Wat ben je aan het doen? Ik voer de computer met cijfers; ik maak de
kamers schoon van oude mensen; ik rij maaltijden rond; ik bereidt een wiskunde
proefwerk voor; ik knip de heg. Allemaal waar. Maar het beschrijft het
leven in zijn alledaagse grauwheid. Het heeft iets depressiefs als je alleen
maar bezig bent met bezigheden. De tijd lijkt er te zijn om te doden. Je
bestaan is een soort arbeidstherapie.
Het tweede antwoord gaat dieper. Het geeft een betekenis aan onze inspanningen.
‘Ik verdien er mijn brood mee; ik kan zorgen voor mijn gezin’. Dat is een
vorm van liefde. Het vervult met trots, het geeft voldoening. Veel mensen
zijn hier tevreden. Eigenlijk is het ook heel wat. Het geeft voldoende
zin aan het leven, als liefde voor anderen je motief is. Alleen: wat doe
je als die liefhebbende mens er niet meer is? Wat doe je als je vermoeide
lijf tot niets meer in staat is?
Sommige mensen koesteren daarom een nog verdergaande hoop. Hun bezigheden
hebben een nog diepere motivatie. Zij zijn die derde steenhouwer met zijn
meeslepende antwoord: ‘Ik bouw een kathedraal’. De betekenis van zijn arbeid
en offers stijgt uit boven zijn eigen leven. Zijn denken en doen zijn ingebed
in een grotere werkelijkheid. Het doet ertoe dat hij zijn gezin onderhoud.
De liefde is er niet om zichzelfs wil maar ze dient een groter mysterie.
Dat wonder gaat onze alledaagse werkelijkheid te boven en het wordt
aangeduid met veel namen. Bijvoorbeeld Gerechtigheid, Vrede, Vrijheid,
liefst geschreven met een hoofdletter… en in de kerk noemen wij het:
het rijk van God.
BOUWERS VAN DE KATHEDRAAL
Waar waren onze lieve doden mee bezig? Met bouwen en baren, met zwoegen
en lachen, met liefhebben en reizen, met muziek en met de tuin, met ons,
met liefde. Daaraan is een einde gekomen. We hebben erom getreurd, twee,
drie jaar, tien jaar misschien. Soms gaat het treuren nooit over. Hun levens
vonden tenslotte een einde. Tenzij…
Tenzij zij niet alleen bezig waren met de dingen die voorbij gaan.
Tenzij zij al redderend en zorgend, genietend en lijdend, bezig waren met
de bouw van een kathedraal. Tenzij zij bezig waren met de realisering van
iets goddelijks. Dan is het niet voorbij. Dan bestaan ze nog. Dan is hun
liefde opgenomen in een groter project.
De heiligen, en dan bedoel ik ook alle lieve familie en vrienden die
ons zijn voorgegaan, die hadden hun fouten en hun nukken. De heiligverklaringen
van de laatste tijd tonen het pijnlijk aan… Heiligen zijn niet smetteloos.
Ze dwaalden en hadden ernstige tekorten. Ze waren kinderen van hun tijd;
ook van de kwalen van hun tijd, zoals de paus onlangs nog uitlegde. Heiligen
zijn geen mensen zonder fouten, maar mensen die met ons bezig zijn een
goddelijke werkelijkheid te realiseren.
Dat zegt Jezus tegen alle tobbers. Tegen de hongerigen wier leven alleen
maar lijkt te bestaan uit het graaien in vuilnisbakken; tegen de dorstigen
die vechten om water, die zich op oorlog voorbereiden omdat ze droogte
vrezen voor hun kinderen; de armen en de treurenden…, Jezus wenst ze
geluk. Jezus laat hun zien dat ook zij deelhebben aan een gigantisch wonderlijk
proces.
Aan de bouw van een kathedraal van gerechtigheid.
Allerheiligen is ons feest. Het feest van de bouwers van God door alle
eeuwen heen!
HEILIGE PEER
Lieve kinderen. Leon was een jaar of acht.
Ineens vroeg hij: “Waarom zeggen ze toch heilig bóóntje?
Waarom zeggen ze niet ‘heilige banaan’ of ‘heilige erwt’?”. Hij moest er
zelf om lachen. Een heilig boontje is iemand die doet alsof ie heel erg
braaf is. Waarom noemen we zo iemand een boon? Leon zag me denken. Hij
zag dat ik het niet wist. Toen kwam hij met zijn eigen theorie. ‘Ik denk’,
begon hij traag, ‘ik denk omdat bonen niet lekker zijn. Vooral tuinbonen
niet. Daarom denk ik dat ze saaie pieten boontjes noemen.’ ‘Lijkt me goed
bedacht’, zei ik. Echte heiligen zijn geen saaie pieten. Jouw heilige,
Leon, Leonardus bijvoorbeeld, die woonde 1500 jaar geleden midden in Frankrijk.
Hij had voor de koning zijn vrouw gebeden toen die een kindje moest krijgen.
De koning wilde hem belonen en Leonardus vroeg een gunst. Je moet weten
dat Leonardus vaak op bezoek ging bij gevangenen. In die tijd zaten veel
mensen in afschuwelijke cellen opgesloten en vaak onschuldig. ‘Als ik gevangenen
bezoek en ik heb met ze gepraat en ik ben er zeker van dat ze onschuldig
zijn, dan moet u me toestaan dat ik ze vrijlaat.’ Dat deed de koning. En
Leonardus ging verder met zijn ruige werk.
Zo heeft elke naam zijn eigen heilige en zijn
eigen feestdag. Leonardus op 6 november. Als jij jouw heilig niet kent
kom dan straks even in de sacristie dan zoek ik hem op. Ze staan allemaal
in dit boek.
Toen ik thuis was dacht ik aan Leon. Waarom
is het heilig ‘boontje’ en niet heilige ‘erwt’? Ik zette de computer aan
en ging op internet. In een zoekprogramma typte ik “heilig AND boontje”.
Binnen enkele seconde verschenen veertig antwoorden. Mijn oog viel op de
derde regel. Daar stond ‘MOP’. ‘Het is bruin en het zweeft door de kerk…’
Juist…, goed geraden: een ‘heilig boontje’.