Homilie op het feest van Petrus en Paulus: Het Petrusambt (Mt. 16, 13-19)
Tielt, 29 juni 2014
Ik zou vandaag, op dit feest van Petrus en Paulus, iets willen zeggen over het pausdom. Om klaar te zien in het Petrusambt zijn er 2 bronnen: het evangelie en de geschiedenis. Het evangelie zegt ons hoe Christus en de eerste christenen het wilden. De geschiedenis vertelt ons wat mensen ervan terecht brachten.
Eerst het evangelie. Op 3 verschillende plaatsen richt Jezus zich rechtstreeks tot Petrus. Vandaag hoorden we dat Jezus dicht bij de stad Caesarea aan Petrus zegt: “Gij zijt Petrus en op deze steenrots zal ik mijn Kerk bouwen” (Mt. 16, 18). Bij het laatste avondmaal zegt Jezus aan Petrus: “Petrus, bemoedig je broeders” (Lc. 22, 32). Tenslotte, na de verrijzenis bij het meer van Tiberias, zegt Jezus: “Petrus, weid mijn schapen” (Jo. 21, 17). Duidelijk is dat aan Petrus een bijzondere taak toegewezen werd binnen de groep apostelen. En door omstandigheden hebben de bisschoppen van Rome vanaf de derde eeuw die drievoudige taak van Petrus op zich genomen: rots en bewerker zijn van eenheid, de christenen in hun geloof sterken en een minzame herder zijn van de mensen.
Maar die 3 grote opdrachten worden eigenaardig genoeg in het evangelie telkens direct gevolgd door een heel scherpe terechtwijzing van Jezus aan Petrus persoonlijk. Pas wordt Petrus steenrots genoemd of hij meent het beter te weten dan Jezus zelf. Dat lezen we ietwat verder in het evangelie, waarin Jezus zegt dat Hij veel zal moeten lijden. Dan neemt Petrus Jezus apart en raadt hem aan niet de weg van het lijden te kiezen, maar die van de triomf. Maar Jezus draait hem de rug toe en zegt: “Ga weg, Satan, je geeft me aanstoot.”
Heel wat pausen en kerkleiders zijn in de geschiedenis van de Kerk rotsen en bewerkers geweest van eenheid. Gelukkig maar! Maar sommige waren er goed bij gevaren, als ze die terechtwijzing van Jezus voor ogen hadden gehouden, als ze wat bescheidener waren geweest en bewust dat ze konden falen. De voorbeelden liggen voor het grijpen. Denk maar aan de kerkelijke veroordeling van Galileï. Denk maar aan het onheil dat de Inquisitie aangericht heeft…
Als Jezus aan Petrus gezegd heeft dat hij zijn broeders moest bemoedigen, gaat Petrus zichzelf overschatten en zegt hij niet te zullen wankelen. Jezus wijst hem direct scherp terecht met de woorden: “Je zal me driemaal verloochenen.”
De meeste kerkleiders en christengelovigen zijn door hun inzet en hun manier van leven een lichtpunt geweest voor vele mensen. Maar in de loop der tijden, werd de Kerk spijtig genoeg ook geconfronteerd met de zwakheid, de zondigheid, zelfs van pausen en kerkleiders. Denk maar aan de ontaarde Renaissancepausen, aan de pedofilieschandalen van priesters en zelfs bisschoppen, aan sommige carrièremakers in de Kerk, die enkel gesteld waren op eer, bezit en aanzien. We moeten er niet fier op zijn.
En de derde maal, wanneer Jezus zegt “Petrus, weid mijn schapen”, keert Petrus zich even om en vraagt aan Jezus: “Wat zal er nu met Johannes gebeuren?” Waarop Jezus hem terechtwijst en zegt: “Wat gaat jou dat aan?” Dat lezen we in Johannes.
Soms hebben kerkleiders vergeten dat ze zich niet met alles moeten bemoeien, maar dat ze de mensen moeten leiden als liefdevolle herders, dat ze geen standpunten mogen innemen die mensen platdrukken of in onmogelijke situaties brengen of stellingnamen over problemen die niets met het geloof te maken hebben: b.v. inzake seksuele moraal, over geboorteregeling, over gehuwden die scheiden. We moeten niet fier zijn op sommige kerkleiders die de kant kozen van rijken en machthebbers… Te veel werd de Kerk voorgesteld als een rots in de branding. Een rots is hard. Je kunt er je hoofd of je voeten aan kwetsen. Te dikwijls heeft men vergeten dat de Kerk vooral een moeder is die haar kinderen met begrip en liefde omringt.
Een Franse schrijver heeft het mooi verwoord: “Jésus a promis le Royaume de Dieu, mais c’est l’Eglise qui est venue” (Jezus heeft het koninkrijk van God beloofd, maar het is de Kerk die gekomen is).
Het hoeft ons niet te verwonderen dat sommige mensen zeggen: “Christus ja, de Kerk neen!” Daarmee wil ik niet zeggen dat we niet fier mogen zijn op wat de Kerk in de maatschappij gerealiseerd heeft en nog bewerkstelligt. Ze kan een merkwaardig palmares voorleggen. Maar we moeten durven bekennen dat de Kerk een pelgrimsmantel draagt bedekt met het stof van de wereld. Het is een Kerk van mensen.
En laten we niet vergeten dat wij die Kerk zijn en dat ook wij rotsen en bewerkers moeten zijn van eenheid, dat ook wij onze medegelovigen in het geloof moeten sterken en voorgaan en herder moeten zijn voor de mensen om ons heen, vooral voor hen die het moeilijk hebben, die kwetsbaar zijn of door het leven verwond.
Laten we zelf ook de drievoudige terechtwijzing van Jezus aan Petrus goed onthouden: Niet denken dat wij alles beter weten, bewust zijn van onze zwakheid en mensen nooit zwaardere lasten opleggen dan nodig is.
Als we dat goed beseffen, zullen we wat minder scherp zijn in onze kritiek en ons meer inzetten opdat de Kerk op aarde wat meer het gelaat van Christus zou vertonen.
Gabriël Buyse, pastoor-deken em. Tielt