Eén van ons, dierbare gasten en parochianen van deze Vredeskerk; één van ons heeft twee zonen die Peter en Paul héten. Zij en haar man hebben ze destijds heel bewust de namen gegeven van de twee grote apostelen die wij vandaag vieren. Waarom? Hun moeder vertelde het mij afgelopen week: “Wij dachten: als ’t zulke kerels worden dan doen ze wat goed is in hún leven … dan kies je voor iets en dan sta je daar voor 100% achter. En als ze ruzie hebben - dat is niet erg want dat hadden Petrus en Paulus ook … Het zijn oppassende brave huisvaders geworden, maatschappelijk erg geslaagd. Er is alleen één ding dat ik betreur en dat is: dat ze niet meer naar de kerk gaan; dat ze daar niet net zoveel plezier aan beleven als ik … Maar ik zei een keer tegen één van die twee: “Jij gelóóft toch niet?” Hij was razend! “Wat weet jij daar van …” zei hij.
Rome
De meesten van U weten dat ik pas drie-en-een-halve maand in Rome geweest ben, de stad van Petrus en Paulus; waar ze vanuit het door de Romeinen bezette Israël uiteindelijk terechtkwamen en waar ze de marteldood stierven: Paulus door het zwaard en Petrus werd gekruisigd, net als Jezus zelf, maar met z’n hoofd naar beneden volgens de legende want op één lijn met de Heer dat kon natuurlijk niet … Voor mijn vertrek naar Rome kreeg ik van één van mijn vrienden een lang gedicht dat ik in Rome aan de muur boven mijn buro bevestigde. In dit gedicht staan onder andere de volgende regels: “Laat geen kerk op je bouwen! Geen vlucht naar boven waar de angst tegen de koepels slaat en terugkaatst in jezelf, totdat élk dak boven je hoofd is ingestort. Het goud stinkt van het bloed van hen die er voor stierven. Niet Raphaël, niet Bramante (dat zijn de namen van twee kunstenaars uit de renaissance-tijd, de 16e eeuw): in hun hoogte voel je wat je niet bent, wie je zou willen zijn maar nooit zal worden …” Tot zover dit gedicht - geschreven door iemand die het Rome van het geloof met argwaan beziet blijkbaar en die zich zorgen maakte over wat de stad mogelijk met mij zou kunnen doen …
Saul
We hebben horen voorlezen, zoëven, uit de Tweede Brief van Paulus aan Timotheüs, een brief die waarschijnlijk niet van Paulus zelf is, maar die wel in zijn naam geschreven is. De brief getuigt ervan hoe Paulus reeds zijn dood voorvoelt: “mijn bloed wordt weldra geplengd” zo staat er, “het uur van mijn heengaan is nabij. Ik heb de goede strijd gestreden, de wedloop tot een goed einde gebracht, het geloof bewaard …” Het leven … een wedloop, een strijd. Paulus heette aanvankelijk Saul en begon als fanatieke vervolger van Jezus’ leerlingen. Maar toen hij ooit in dat verband op weg was naar Damascus gebeurde het dat plotseling een hemels licht hem omstraalde, Saul op de grond viel en hij een stem hoorde die vroeg: “Saul, Saul, waarom vervolg je Mij?” En Saul vroeg: “Wie bent U dan Heer?” En de stem antwoordde: “Ik ben Jezus die jij vervolgt.” En vanaf dat moment veranderde Saul’s leven. Hij werd Paulus en met hetzelfde vuur waarmee hij vroeger tégen Jezus en zijn volgelingen streed, zo streed hij nu vóór en mèt Jezus en zijn volgelingen. Hij streed “de goede strijd” in de woorden van de tweede Timotheüs-brief.
Martelaren
Lieve mensen, wat is dat voor een strijd? Is die strijd wel zo goed? Wat is er zo goed aan? Wat maakt die strijd zó de moeite waard dat er mensen zijn geweest, in vroeger dagen maar ook nog in deze tijd, die hun léven er zelfs voor over hebben of hebben gehad? In Rome heeft ’t bloed van de martelaren inderdaad rijkelijk gevloeid, het bloed van Petrus en Paulus en dat van vele anderen … We noemen ze ‘martelaren’, ‘bloedgetuigen’: mensen die hun geloof in Jezus Christus hebben beleden tot in de dood, die het hebben moeten bekopen met hun leven. Lieve mensen, wat is dat voor een bizar, náár geloof? Riekt dat niet naar fanatisme inderdaad, naar moslim-fundamentalisme en harakiri? Kun je daar maar niet beter zo vér mogelijk vandaan blijven en zo min mogelijk mee te maken hebben? Waarom zou je er op zondagmorgen voor uit je bed komen? Kun je niet beter blijven liggen? Wat heb je er aan? Wat levert het je op? - als je dat vergelijkt met wat het je zou kunnen kosten?
Moeilijk
Zou ’t echt wáár zijn, lieve mensen, zou ’t echt waar kúnnen zijn? Dat er een God is. En dat die God die daar ergens zich bevindt ‘in het ontoegankelijk licht’, aan de andere kant van tijd en ruimte, áchter de spiegel die ons leven dan misschien zou zijn; zou ’t echt zo kunnen zijn dat die God één mens heeft uitgekozen, op een bepaalde plek in een bepaalde tijd; en dat Hij in die ene mens Zich helemaal zou hebben laten zien, Zich helemaal zou hebben gegeven; dat Hij in die ene mens ons de weg gewezen zou hebben; ja dat die ene mens De Weg ís, en De Waarheid en Het Leven? Lieve mensen, laten we wel wezen: zou het niet van de gekke zijn? zou dat niet zéér ongeloofwaardig zijn? heel móeilijk te geloven?
En toch, veelgeliefden, en toch …dát is het precies wat Petrus, de visser uit Galilea, als geloofsovertuiging ingegeven, ingegoten krijgt omtrent zijn vriend Jezus, de rabbi met wie hij nu al enige tijd op weg is, rondtrekkend door Israël. “En jullie, wie ben ik volgens jullie?” vraagt Jezus. Ja, dat is het. Je moet altijd zelf een antwoord geven, hét antwoord. Niet een ander na-praten, maar zélf denken en voelen en ervaren. “U bent de Messias, de Zoon van de levende God”. Het floept er opeens zó maar uit, voordat Petrus er zelf erg in heeft, zo lijkt het.
Geloven
Jezus’ dringende vraag heeft de doorbraak van dit antwoord opgeroepen: dat Hij niet zomaar iemand is (weer een profeet, een goeroe, een wijze), maar een éénmalig, uniek en beslissend iemand - van godswege: de Messias, de Gezalfde, de Zóon van God. Lieve mensen, zoiets kun je niet bedenken, je kunt het niet beredeneren en bewijzen … je kunt het alleen maar gelóven op grond van de omgang die je zelf met die Jezus hebt of kunt krijgen, dan kan de Vader in de hemel ook jóu die vreugdevolle zekerheid geven omtrent Jezus. Ook in ónze tijd is dat mogelijk. Hier in de kerk en in alle kerken overal ter wereld kunnen we Hem ontmoeten en ontvangen. En als je dat doet, je wérkelijk zoveel mogelijk voor Hem opent, dan wordt je blik en je gehoor en je aanvoelen gescherpt - zódanig dat je Hem ook buiten de kerk, onder de mensen, óveral, werkelijk op de gekste plekken waar je Hem het minst zou verwachten misschien; dat je Hem daar toch opeens dan tegenkomt, een glimp van Hem opvangt; dat Hij je een knipoog geeft. Zo werkt dat.
Gevonden
En als je zó met Hem leeft, dan kan niets je werkelijk meer déren, dan worden heel veel dingen in het leven opeens minder belangrijk: wat en wie je zogenaamd ‘hebt’. Want dan heb je iets, dan heb je Iemand gevonden die belangrijker voor jou is dan jouw eigen fysieke voortleven in deze wereld en in dit lichaam. Dan kun je zelfs de dood aan. Paulus heeft het gevonden. Paulus heeft Hem gevonden en voor Hem de goede strijd gestreden, de wedloop tot een goed einde gebracht, het geloof bewaard. En “nu wacht mij de krans der gerechtigheid, die de Heer, de rechtvaardige rechter, aan mij zal geven op die dag, en niet alleen aan mij maar aan allen die met liefde hebben uitgezien naar zijn verschijnen”. Iedereen heeft hem in de steek gelaten zegt hij, Paulus, “maar de Heer heeft mij terzijde gestaan en mij kracht gegeven (…) en de Heer zal mij blijven beschermen tegen alle boze aanslagen en mij behouden overbrengen naar zijn hemels koninkrijk” - aldus Paulus van wie dus het hoofd zal worden afgehakt, maar dat kan hem op een gegeven moment dus niet eens zoveel meer schelen, veelgeliefden, want wat hij in zijn hart heeft, Wie hij in zijn hart heeft!, dat blijft, die blijft voor hem, voor Paulus, en hij Paulus, blijft in Hem, in Jezus, behouden.
Quo vadis?
Klinkt heldhaftig hè? Terwijl we natuurlijk allemaal denken: ik zou het zeker in m’n broek doen als ik op de nominatie stond om onthoofd te worden … Over Petrus is ook zo’n verhaal bekend. Dat hij er met de staart tussen de benen vandoor wilde gaan, wég uit Rome, toen het hem daar te heet onder de voeten zou zijn geworden. Hij was al op de Via Appia, de grote heerbaan, snelweg, naar het zuiden en wie kwam hem daar tegemoet? Juist - Jezus. “Domine, quo vadis?” “Heer, waar gaat U heen?” vroeg Petrus. “Naar Rome” zei Jezus, “om opnieuw gekruisigd te worden”. Het kwartje viel bij Petrus, hij vatte moed en maakte rechtsomkeert. Hij keerde terug naar de stad en de afloop is bekend. Aan het begin van de Via Appia Antiqua staat in Rome nog altijd een klein kerkje met de naam: “Quo vadis?”
“Mijn liefde is Hij van wie de gouden koepels juichen; die zich openen en sluiten dag en nacht. Goud Zijn bloed en dat voor Hem vergoten. Als mimosa geurt het. Gevangen heeft Hij mij in Zijn grootmazig net waar ik maar niet uit wil vallen en waarin Hij mij op wil halen. Petrus ben ik en op mij wil Hij zijn kerk bouwen en ik laat Hem begaan” - regels uit een gedicht dat ik zelf schreef in antwoord op het gedicht dat ik kreeg van die vriend. Mogen wij allen ervaren en geloven, veelgeliefden, op voorspraak van de heilige apostelen Petrus en Paulus, dat Hij, Jezus Christus, wérkelijk is Dé Zoon van God. Dat wij in staat mogen zijn om ons bestaan op Hem te bouwen. Dat Hij op ons mag bouwen. Amen.