Pats, het licht is uit. Alsof iemand een steen door de etalage heeft gegooid en meteen het neon heeft getroffen. In het donker hoor je weer de bekende oude geluiden; redetwisten, knarsetanden, luidkeels schreeuwen. Er worden weer mensen buiten de poort gesleept en gestenigd. Het is niets nieuws, de draaiboeken lagen nog klaar, het stond op alle harde schijven van de wereld; je kunt de overvalplannen, de moordscenario, de roddelcampag¬nes zo uitdraaien en vermenigvuldigen. Was het even licht geworden en operatie Donker is al weer een feit. Maar wacht even: We weten toch van het licht? We hebben dat Licht toch gezien? We kunnen juist in het donker toch nog vol zijn van licht, genade en kracht? De kerstliederen klinken nog na in onze oren. De smaak van het kerstdiner hebben we nog in de mond. De kerstversieringen staan nog in de kamer en in de kerk.
Op deze Tweede Kerstdag mijmeren we wat na; op zo’n vrije dag hoeft gelukkig ook niet zoveel. Kerstmis heeft iets vertederends, iets liefs. Dat heeft kindje kijken en kindje wiegen altijd. Je wordt er zelf weer kind van. Je loopt voorzichtig op je tenen om dat kleine Kind niet wakker te maken. Dan word je opeens opgeschrikt door de lezingen van vandaag over de eerste volgeling van Jezus. Stefanus, die om het leven wordt gebracht. Vol genade en kracht deed hij grote dingen onder de mensen. Hij spreekt over Jezus met grote overtuigingskracht. Dat valt bij de machthebbers niet in goede aarde. Ze proberen hem eerst met woorden te vloeren. Toen ze dat niet voor elkaar kregen, grepen ze naar het zwaarste middel: Stefanus wordt gestenigd.
Waarom is Tweede Kerstdag zo’n choquerende tegenstelling met de Eerste Kerstdag? Wij krijgen vanmorgen zelfs een waarschuwing, als Jezus zegt: “Ik zend u als schapen tussen wolven!” Waarom de feeststemming bederven? Enkele dagen geleden zongen de engelen boven de velden van Bethlehem. Toen vierden wij het intiem menselijk geluk van de geboorte van een kind. We gingen met de herders op weg naar de stal. Miljoenen malen heeft over heel de wereld het “Stille nacht, heilige nacht” geklonken. Het sprookje heeft zich voor de zoveelste maal voltrokken. Maar nauwelijks geboren lijdt het kerstkind al aan het mensenbestaan. Zijn lotgevallen roepen ’n hele serie overbekende verhalen op uit de geschiedenis van het Joodse Volk: mensen die worden opgejaagd, ze trekken van land tot land, maar vinden geen been om op te staan. Zo zal ook de Mensenzoon uitgroeien tot Iemand die zelfs geen steen zal hebben om zijn hoofd op neer te leggen. De geboorte van Jezus verdraagt geen engelenhaar.
Op Tweede Kerstdag vieren we het feest van de H. Stefanus, de eerste bloedgetuige. Daags na het kerstfeest vernemen wij hoe mensen stenen bij elkaar zoeken om iemand te stenigen vanwege zijn geloofsovertuiging. En overmorgen, op 28 december - het feest van Onnozele Kinderen - herdenken we ook de slachtoffers van de kindermoord in Bethlehem. En ook hun foto’s horen in het kerstalbum thuis. De verhalen ná kerstmis komen als een correctie. Om onze wereldvreemde dromen door te prikken en ons er aan te herinneren dat wij temidden van de puinhopen van de wereld niet kunnen blijven zingen van mooi weer. We moeten ons blijvend laten verontrusten door de schreeuw die klinkt over de velden van Effrata. De zaak van het Kerstkind is daarmee ónze zaak geworden. Het gaat om mensen die hongeren en dorsten naar gerechtigheid. Kerstmis vieren is het werken aan een wereld, waarin geen lichamen meer worden gebroken en geen onschuldig bloed meer wordt vergoten.
Omwille van het kerstkind sterven in en rond Bethlehem honderden kleine jongetjes. En nog steeds is het wrede verhaal van Herodes niet ten einde, want overal kraait zijn haan nog koning. Overal ter wereld zijn er miljoenen mensen op de vlucht voor dreigend geweld. En daarmee is het verhaal van koning Herodes het wrede verhaal van alle tijden. In de vlucht van het kerstkind naar Egypte, de steniging van Stefanus en de kindermoord in en rond Bethlehem worden wij geconfronteerd met de noot aflatende strijd die elk mens beheerst: de strijd tussen goed en kwaad. Na de romantiek van het kerstgebeuren ervaren we hoe goedbedoelde pogingen vaak schipbreuk lijden, dat liefde en goedheid niet altijd worden gewaardeerd, dat ’n mens terecht kan komen aan het kruis van goedheid en dienstbaarheid. Onmiddellijk na de kerstvreugde wordt duidelijk dat de weg naar het nieuwe leven dwars door alle vervolging en dood heen voert.
Bij Matteüs is het kerstverhaal al een lijdensverhaal in een notendop, want licht en duisternis kunnen niet samen bestaan. Met kerstmis mochten we worden gevoed met de nooitaflatende hoop dat het licht het zal winnen van alle duisternis in de wereld, dat God machtiger is dan al het kwaad. Er komt ’n tijd dat elke knie zich buigen zal en elke tong zal belijden: “Jezus is de Heer”. Toch hoeft deze ontluistering van het kerstfeest voor ons geen ramp te zijn. Hou met schreien, zegt God, wanhoop niet aan de wereld, want: “Een Kind is ons geschonken, een Zoon is ons gegeven. Hij zal ons leiden naar de waterbronnen van het leven”. Laten wij, levend in een wereld waar het horen en zien je soms vergaat, God bidden om oren en ogen vol vrede. Zo is het kerstfeest geen ontvluchten van de werkelijkheid, maar een teken dat wij in Gods Naam - in naam van het kerstkind - mogen leven van de geweldige droom dat God ons zal thuisbrengen uit onze ballingschap. Het kerstkind kan ons leiden naar een land waar geen gesloten toegangshekken zijn en waar mensen leven van en voor elkaar.