Kerstnacht (2008)

Feest · 25 december · Kerstnacht · wit

Precies vijf jaar geleden, dierbare gasten en parochianen van deze Rozenkrans- oftewel Obrechtkerk, in de Kerstnacht van 2003 bevond zich onder de bezoekers van deze nachtmis ook de journalist Maarten Huygen. Ik weet dat omdat een paar dagen later, op 28 december, in de krant (NRC-Handelsblad) er van deze nachtmis een heuse recensie verscheen, een heel aardige recensie. Huygen signaleerde dat “de vaste parochieleden” vóóraan in de kerk zaten waar ze voor hun trouw waren beloond met kaarten voor gereserveerde plaatsen. Maar die mensen zaten (en zitten vandaag opnieuw!) “in de harde houten banken”, terwijl er voor wat Maarten Huygen “ons gelegenheidsbezoekers” noemde “achterín rijen comfortabele groene kuipstoelen” waren neergezet - een opmerking, dierbare parochianen en gasten, waaraan enige Schadefreude niet vreemd lijkt. Ze zitten achteraan, maar ze zitten wel lekker! Huygen was complimenteus over de ontvangst. Hij noemde die “hartelijk, gastvrij en ook nog gratis”. Hij realiseerde zich daarbij dat, ik citeer, “wij profiteerden van wat de Obrechtparochie een eeuw lang door grote inspanning vrijwillig overeind had gehouden.” Hij noemde de kerkmuziek “overweldigend” en ook mijn voorganger pastor Fons Braam (“met volle apostelbaard”) werd door hem vriendelijk bejegend.

Maar, ’t kon natuurlijk niet uitblijven, een paar nootjes kraakte Huygen ook. Zo meende hij “tussen de deodorant- en parfumlucht” om hem heen ook “een vleugje frituurolie te ontwaren en alcohol in de adem”. Hij suggereerde dat de mensen in kwestie waarschijnlijk goed gegeten en gedronken hadden en nu “en famille spiritueel aan het uitbuiken” waren, “ter completering van de kerstsfeer”. Én hij schreef: “Een uurtje katholiek voor de romantiek. De sfeer was warm, open en gezellig, maar we hadden met ons allen net zo goed voor twintig euro per persoon in een uitvoering van de Notenkrakerssuite kunnen zitten.”

Ja …

Ik ben hier dus nieuw. Maarten Huygen lijkt mij een slimme journalist. En Amsterdam-Zuid is natuurlijk een geweldig dynamische buurt, maar enorme veranderingen op het gebied van de perceptie van kerk, geloof en nachtmis zullen zich hier in de afgelopen vijf jaar toch niet hebben voorgedaan mag ik aannemen. Wat moet ik zeggen? Wat kán ik zeggen? Wat kan en moet ík zeggen over God en over Jezus Christus en over het Evangelie, die zogenaamde Blijde Boodschap van Godswege; wát moet ik daarover zeggen in deze omstandigheden, óók aan mensen die misschien voor hetzelfde geld, of voor zelfs beduidend méér geld maar met evenveel plezier in het Muziektheater bij de Notenkrakerssuite hadden gezeten, mensen dus voor wie het eventueel “om het even” is, voor wie het ene verhaal a priori niet belangrijker is en méér zeggend dan het andere: De notenkraker en het Jezusbeeldje in de kerststal hier in de Obrechtkerk. Ze zijn allebei van hout. En hout zaagt niet zoals we weten.

Maar Jezus, zoals wij Hem in deze kerstnacht in élk geval mogen begroeten en misschíen ook mogen ontvangen, is niet alléén maar van hout. Hij is ook brood. Want in deze viering gedenken wij niet alleen de nacht van Zijn geboorte, maar óók de laatste nacht van Zijn leven, de nacht waarin Hij afscheid nam van het leven om er voor altijd deel van te kunnen blijven uitmaken, van hét leven tout court, van het leven in alle tijden, dus ook van het leven in deze tijd, van ons leven, van jouw leven. In die laatste nacht van Zijn leven maakte Hij zichzelf tot brood. Hij gaf dat brood aan Zijn vrienden. En daardoor werden die vrienden met elkaar tot “kerk” gemaakt. Ons woord “kerk” komt van het Griekse κυριακη (kyriakè). Dat betekent “van de Heer”. Als kerk zijn wij “van de Heer” omdat wij het brood eten dat Hij zelf ís. Zijn lichaam, Zijn vlees en bloed, wordt het onze. Hij wordt jou. En jij wordt Hem. En dat gebeurt, als je wilt, als je zodadelijk naar voren komt en dat brood, die kleine witte hostie, tot je neemt, “nuttigt”, ópeet.

Dé vraag, dierbare gasten en parochianen, dé vraag is natuurlijk: Wíl je dat wel? Misschien klinkt het wel eng allemaal. Want Jezus is niet alleen het kerstkind. Hij is ook een volwassen man. Een man die al lang dood is nota bene. En die zou je dus bij jóu bínnen laten komen …? Is dat soms níet eng? Misschien hebt U intussen wel gedacht: Nou, aan míjn lijf géén polonaise … Geef mij dán maar de notenkraker … En ook: Waarom zou ik? Ja, … waarom zou je?

Dierbare gasten en parochianen, ik zal het U zeggen. Want het antwoord op de gestelde vraag (“Waarom zou je?”) is namelijk heel helder. Het is zonneklaar. We hebben het uit de mond van de engelen in deze kerstnacht zelf gehoord: “Eer aan God in de hoogste hemel en vrede op aarde voor alle mensen die Hij liefheeft.” God eren en vrede ervaren in je leven, daar is een verband tussen. In de ontmoeting met Jezus Christus gebeurt het. Als jij het brood ontvangt dat Jezus is, dan kies je ervoor om die ooit wreed vermoorde Jezus in jouw eigen lichaam en in jouw eigen leven te laten verrijzen en opníeuw te laten leven. Dan kies je ervoor om Hem, de liefde en de vrede van God in persoon in jou opnieuw geboren te laten worden. En in deze wereld, waarin liefde en vrede voortdurend de nek worden omgedraaid, is dat zéér gewenst. Ik denk zelfs dat het broodnodig is. Ik denk dat Hij, Jezus, in deze wereld broodnodig is en blijft.

Maarten Huygen schreef in zijn recensie: “Bijna iedereen ging ter communie, katholiek of niet. Een enkeling moet met de hostie de nasmaak hebben gedoofd van een oude Château Margaux grand cru. Thuis wachtte het volgende gerecht: worstenbroodjes uit de oven.” Mij zal het worst wezen, veelgeliefden, wat U voorafgaand aan deze viering reeds gegeten of gedronken hebt of wat U na afloop en verder deze Kerst nog zúlt eten en drinken. Maakt me helemaal niets uit. Maar wat ik wel van het hoogste belang acht zijn twee dingen. Ten eerste: Dat degenen die zodadelijk naar voren komen voor het brood, voor het brood van Jezus, dat die werkelijk bereid zijn om te geloven dat het, hoe dan ook, Hijzelf ís die wij ontvangen. Ik wens U toe dat u zichzelf op de één of andere manier aan dat geloof kunt toevertrouwen en overgeven. En ten tweede vraagt dat geloof commitment. Dat je bereid bent om de goddelijke liefde en vrede die je in en met Jezus Christus, de Zoon van God ontvángt, om die in je eigen leven en in deze wereld wáár te maken: binnen je familie en vriendenkring, op je werk of op school en vooral ook ten opzichte van mensen die in nood zijn. De volwassen Jezus zal zelfs tegen ons zeggen: “Heb je vijanden lief, wees goed voor wie je haten” (Luc. 6, 27). Ga er maar aan staan. In tijden van overvloed zoals wij die lang gekend hebben is dat al niet eenvoudig. Maar als het economisch slechter gaat, dan komen alle verhoudingen onder druk te staan en wordt dat liefhebben van je vijanden nóg ingewikkelder. En toch vraagt Jezus het van ons. Want zijn hart is groot. Het is zo groot als de wereld. Er is voor iedereen plaats in dat hart. Dat het bij ons, in jouw hart en in dat van mij óók zo mag zijn. Dat wens ik U en mijzelf van harte toe. Zalig Kerstmis. Amen.

Zoeken in Preken Online