Kerstnacht (2008)

Feest · 25 december · Kerstnacht · wit

Met velen zijn we weer bij elkaar. Ik las in de krant: in onzekere tijden zoeken mensen meer houvast. Ze zoeken naar een duidelijker identiteit. Ik herken er wel iets van. Met de kerst kan ook deze vraag naar boven komen: katholiek zijn, wat betekent dat eigenlijk voor me? Misschien hebt u allerlei vragen bij de kerk. Maar er zijn vast dingen van de katholieke cultuur die u niet kwijt wilt. Een bepaalde sfeer, niet zo zwaar en serieus, maar wel warm en bewogen. Bepaalde waarden. En het kindje Jezus en zijn moeder Maria, die wil je ook niet kwijt. Wat is dat toch precies, dat de kerstkribbe ons allen blijft trekken als was het een sterke magneet? Wat is dat toch precies: dat we vieren dat God mens wordt in Jezus?

We nemen onszelf met al onze vragen mee naar deze nacht. We nemen onszelf mee, ook met dat diepe verlangen in ons. Dat verlangen naar licht, naar geborgenheid, naar vreugde zonder einde. We komen samen rondom dat verhaal van die wonderlijke geboorte. God wordt mens, niet in een paleis, niet in een herberg, maar in een stal. Dat laatste heeft denk ik een diepe zin, voor ieder van ons. Om dat duidelijk te maken wil ik u meenemen in een denkbeeldige reis, een reis naar binnen.

Laten we ons eens voorstellen dat we in de ontvangstzaal zijn van een groot paleis. Het is niet zomaar een paleis; het is het paleis in ons hoofd: het paleis van onze grootse gedachten en van onze goede bedoelingen. Het is allemaal goud wat er blinkt. De vloeren lijken van kostbaar marmer, want rotsvast en onverslijtbaar zijn onze prachtige idealen. En kijk eens aan de muren. Daar hangen prachtige schilderijen. Ze laten de hoogtepunten van ons leven zien: stralende mensen die geweldige dingen tot stand gebracht hebben. Als we daar dan zijn, laten we ons dan deze vraag stellen: kan de Zoon van God in dit paleis geboren worden?

Ik zelf denk van niet. Ik probeer te kijken met de ogen van Gods wijsheid. En dan zie ik dat deze paleizen nogal eens een achterkant hebben; een donkere kant. Dat er achter de gordijnen toegangen zitten naar zalen met onverwerkte ervaringen, met twijfels en sombere gedachten. Allerlei gedachten en gevoelens en slechte gewoontes die we liever niet onder ogen zien; we denken dat we ze weg kunnen stoppen achter de gordijnen. Als we dat doen denken we dat we ons kunnen verschuilen achter een mooie buitenkant. Ik zie ook iemand op de troon die de lakens uitdeelt: ons opgeblazen ik, dat vooral wil stralen; ons ik dat greep wil houden op alles wat er gebeurt. Zijn troonrede is de troonrede van de goede wil. Pijnlijk is alleen dat dat ego, van mij, van u, van ons mensen, nogal eens van de troon valt en dan niet meer weet waar hij het zoeken moet. Nogal eens wordt de troon van onze grootse gedachten omver getrokken. In die paleiszaal daar in ons hoofd, daar wil Gods Zoon volgens mij niet geboren worden.

We dalen af, naar de romp. Naar de warmte van het hart en de ingewanden. Daar waar de hartstochten wonen en waar ook alles verteerd wordt. Misschien wil God wel geboren worden in de eetzaal van deze warme herberg. Laten we binnengaan in die warme ruimte vol kaarslicht. Het hele gezin helpt de herbergier mee om het de gasten naar de zin te maken. Opdat ze even de zorgen van alledag vergeten. Even weg uit de druk, uit de drukte. Met een flink maal achter de kiezen en de lichte roes van wijn en bier ziet de werkelijkheid er even heel anders uit. Aan de borreltafel worden alle problemen zelfs in een klap opgelost. Heerlijk om tenslotte even weg te zakken in de zachte kussens bij de open haard. Het is een behoefte die we allemaal kennen. Het is zelfs zo dat onze kerstdiners en familiebezoeken op deze dagen iets van die sfeer willen scheppen. Omdat we dat nodig hebben op zijn tijd. Niks mis mee. Maar of Gods Zoon mens wil worden in deze herberg? Ik vraag het me af.

We dalen af naar de voeten. En naar het verleden, Stel u voor: we zijn in het jaar 1223 in Italië en we wandelen blootsvoets als gezel van Franciscus het stadje Greccio binnen. Het kerstfeest nadert. Franciscus en zijn gezellen hebben geen bezit. Niets om zich achter te verschuilen. Ze hebben alleen zichzelf en elkaar en ze zijn goudeerlijk over hun kracht en over hun zwakten. In het gebed en in de omgang met de mensen tonen ze zich zoals ze ten diepste zijn: kwetsbare mensen, wel met een groot innerlijk vuur. Hun blote voeten brengen hen overal waar hun pelgrimstocht hen brengt. Franciscus, die gekleed is in een schamele pij, komt als eerste in de geschiedenis op het idee om een levende kerststal te maken. De inwoners van Greccio voelen er wel voor. Thomas van Celano heeft opgeschreven wat Franciscus als motief opgaf. Franciscus zei: “Ik wilde de herinnering oproepen aan het kind dat in Bethlehem geboren is, en met eigen ogen de omstandigheden zien waaronder het toen al te lijden had; ik wil zien hoe het daar in een kribbe op stro lag, tussen een os en een ezel.” Tot zover het citaat. Franciscus ziet Jezus als de Zoon van God die mens wordt om het lijden van de mensen te delen. Juist in de schaduw wil Hij zijn licht en zijn liefde tonen. Vanaf zijn geboorte. God wordt mens, niet in het volle licht, maar in de schaduw.

Laten we ons eens verplaatsen in zo iemand. Stel u voor: een wat vermoeide pelgrim, halverwege Santiago de Compostella. Hij zit peinzend achter een kop koffie. Hij kijkt uit het raam van het verder lege café naar een verlaten plein. Voor zien ogen ziet hij hoe de film van zijn leven zich ontrolt. Op deze tocht is hij zichzelf goed tegengekomen. De pelgrim wordt meegevoerd naar diep weggestopte herinneringen, van pijn, maar ook van vreugde. Het is stil. Op een gegeven moment ligt er een hand van een kind op zijn arm. Het is het kind van de cafébaas. “Waarom huilt u?”, vraagt het kind. “Ik moest aan iets denken”, zegt de man. “Het is goed zo; dank je wel”.
Die wat vermoeide pelgrim, hij leeft in ieder van ons. We zien hem niet zo graag, en zeker niet in de spiegel, als we even opstaan van het kerstdiner. En toch, toch is het deze pelgrim die ons kan leiden naar de plaats waar God in ons leven geboren kan worden. Want deze pelgrim in ons heeft weet van licht én schaduw. Hij kent de schaduw waar God mens werd om het lijden van de mensen mee te dragen.
Laten we vannacht wat ruimte maken voor die pelgrim in ons met zijn vele herinneringen. Want als onze schaduwkant er mag zijn, die begint bij onze voeten, juist dan kan het licht van het kerstkind ons bereiken, en verwarmen, en troosten, en heel maken. Ik wens u een gezegend kerstfeest.

Zoeken in Preken Online