Homilie op de 4e zondag van de advent: “Geen ja, maar…” (Lc. 1, 26-38)
Tielt, 21 december 2014
Het is me meermaals gebeurd dat ik bij het lezen van een spannende triller nogal vlug naar de laatste bladzijden keek om te zien hoe het zou aflopen. Later heb ik ondervonden dat je dat beter niet doet, want dan is de spanning er ononmiddellijk uit. Het is alsof je in een toneelstuk het tweede bedrijf aan het eerste laat voorafgaan.
In het verhaal van de boodschap van de engel Gabriël aan Maria, dat we zopas beluisterd hebben, zijn we ook geneigd om dadelijk stil te staan bij de houding van Maria. Vanaf het begin zijn we al bezig met te kijken naar haar antwoord.
Dat is niet goed. Het begint bij God. Hij neemt het initiatief. Oosterhuis heeft die gedachte heel raak verwoord in het lied dat we soms zingen: “God heeft het eerste woord… En Hij spreekt nog altijd voort.”
Inderdaad, het eerste woord is bij God, ook hier in het verhaal van de boodschap aan Maria. In de persoon van de engel Gabriël is Hij de initiatiefnemer en stelt aan Maria een duidelijke vraag, namelijk of ze de moeder wou worden van de Messias.
Een onnozele vraag, als je weet dat Maria geen man of zelfs geen vriend had. Wie dat verhaal leest zonder gelovige ogen, als een puur menselijke aangelegenheid, zal zich blind staren op de maagdelijke geboorte van Jezus. Daarover gaat het niet. Of Maria al dan niet maagd is, vormt niet de kern van de boodschap. Als je de tekst met gelovige ogen leest, weet je dat de hoofdzaak is dat er iets uitzonderlijks te gebeuren staat, namelijk dat er een Kind zal geboren worden dat redding zal brengen en naar wie de Joden al eeuwen uitkijken.
Het moet een overweldigende ervaring geweest zijn voor Maria, iemand die op een eerste zicht niet voorbestemd was om een belangrijke rol te spelen in de geschiedenis van God met Zijn volk: ze was vrouw, jong en niet machtig. En als klap op de vuurpijl woonde ze nog in Nazaret, een onaanzienlijk dorpje dat niet hoog aangeschreven stond bij de vrome Joden; een dorp zoals een pastoor hier in de streek de inwoners van zijn kleine landelijke parochie typeerde als hij zei: “Het zijn Vlaamse primitieven, maar ze schilderen niet!” Als je ziet hoe ontroerd sommige dames al zijn omdat ze verkozen zijn tot Miss kweeniewa of als ze hun land mogen vertegenwoordigen op een liedjeswedstrijd of een sportmanifestatie, hoe ontroerd moet Maria dan niet geweest zijn omdat God haar uitverkoren had om Moeder te zijn van de Messias. Ze verstond ook niet hoe dat allemaal zou gebeuren.
Maar God stelde haar de vraag. Het is bijzonder verrassend dat ze “ja” heeft gezegd en daarbij nog een “ja” zonder voorwaarden, zonder te weten waarheen dat jawoord haar zou leiden. Het was een jawoord van volkomen overgave, van een zelfgave die niets achterhoudt, maar, integendeel, alles loslaat, alles geeft, zichzelf geeft.
Een dergelijk “Ja” is het mooiste woord dat uit een mensenmond kan komen. Het valt me telkens weer op, als ik voor de inzegening van een huwelijk die drie gekende vragen stel, dat de bruid en bruidegom ontroerend mooi en volmondig “ja” antwoorden. Ontroerend mooi omdat het een jawoord is waaraan ze, op dat moment althans, geen voorwaarden vastknopen, ofschoon ze niet ten volle beseffen wat de consequenties ervan zijn. Geen “ja, maar” of “ja, op voorwaarde dat”!
Dat jawoord van Maria kan ons best inspireren. Al te veel koppelen mensen voorwaarden aan hun jawoord. Dat is misschien het drama van vele mensen in onze maatschappij, vooral in onze gezinnen. Ze zijn getrouwd en denken bij zichzelf: “Ik wil wel je vrouw zijn, op voorwaarde dat je altijd de charmante en handige prins bent op een wit paard, kortom, als je bent zoals ik een man droom.” “Ik wil wel je man zijn als je elke dag lief, teder en intelligent bent en zolang als je een mooie vrouw blijft, met of zonder cosmetische chirurgie.” “Ik wil wel je vader of moeder zijn zolang je als jongen of meisje lief bent, dankbaar, nooit koppig, en als je de wegen bewandelt die ik voor jou uitstippel.” En kinderen willen wel goede charmante kinderen zijn op voorwaarde dat hun vader niet altijd denkt dat hij het juist voor heeft en als moeder niet zo ouderwets zou zijn en wat minder zou preken en zagen, kortom, als ze beide zonder gebreken zouden zijn: perfect in alle opzichten. Maar welke man is die atleet van de publiciteitsborden langs onze straten en van de magazines? Welke vrouw kan waar maken wat in boek of prent van haar geschreven, geschilderd of gefilmd wordt? Welke vader of moeder is die recordman of recordvrouw uit onze kinderdromen? Welk kind kan de hoge verwachtingen van zijn ouders inlossen?
Man of vrouw, jongen of meisje, doe zoals Maria in het evangelie. Zeg onbevangen “ja” aan elkaar: geen “ja, maar” of een “ja, op voorwaarde dat.” Zie elkaar graag zoals je bent, zelfs als je niet altijd beseft waarheen die liefde en dat jawoord je zal leiden. Overvraag elkaar niet en probeer zelfs de andere niet naar je hand te zetten. Een getrouwde vrouw heeft dat raak verwoord: “De meeste getrouwde vrouwen proberen hun man te veranderen en, als ze hem veranderd hebben, vinden ze hem niet meer leuk.” Vind elkaar leuk zoals je bent.
Het zou tof zijn en je bevrijden van veel verborgen spanning en stil verdriet.
Gabriël. Buyse, pastoor-deken em. Tielt
Homilie op Kerstdag 2014: Zoeken wat verborgen is!
Tielt, 25 december 2014
Een groep kinderen speelde verstoppertje. Een jongen had zich zo goed verstopt dat hij niet gevonden werd. Toen hij uiteindelijk uit zijn schuilplaats tevoorschijn kwam, merkte hij dat de andere kinderen reeds naar huis waren. “Waarom huil je?”, vroeg zijn moeder toen hij verdrietig thuiskwam. “Omdat ze niet naar mij hebben gezocht”, antwoordde hij.
God zou soms wel eens kunnen huilen als een klein kind, omdat we niet of nauwelijks naar Hem zoeken. En God heeft reden tot klagen, want Hij is wel op zoek gegaan naar ons. Dat vieren we met Kerstmis.
Dat mensen God niet zoeken is niet nieuw. Toen Hij geboren werd, was er geen plaats in de herberg, d.w.z. in de gastenkamer van de zelfvoldane mensen. Ook nu nog zoekt de Heer een gastenkamer in ons huis. Hij doet dat, net als 2.000 jaar geleden, heel bescheiden, weerloos als een kind, wars van alle machtsvertoon, eigen aan wereldse heersers. Hij staat voor de deur van ons hart. Hij zal die deur niet intrappen, geen sloten forceren, maar Hij klopt even aan, voorzichtig, heel beleefd, niet opdringerig. Als wij voor Hem opendoen, zal Hij binnenkomen met Zijn boodschap van geluk en innerlijke vrede. Als we Hem niet ontvangen, dan heeft niet God, maar hebben wij geen thuis meer waar we ons geborgen voelen. Mensen zonder geestelijke thuis, zonder een spiritueel dak boven hun hoofd: het drama van vele mensen op onze dagen!
Voor God is er pas plaats in je leven als je niet zelfgenoegzaam bent, d.w.z. als je beseft dat je niet genoeg hebt aan jezelf. Pas dan ga je God zoeken en Hem niet eenzaam achterlaten zoals het kind dat zich verstopt had, maar door niemand werd gezocht.
Ook jij hoeft voor God geen verstoppertje te spelen. Het doet me denken aan het boeddhabeeld in vele Aziatische tempels. Daar vind je niet alleen de magere, meditatieve, ascetische Boeddha, maar een enorm dikke Boeddha met een breed lachend gezicht. Lang heb ik dat beeld niet begrepen, totdat een meisje dat ons gidste in China, me dat uitgelegd heeft. Ze zei: “Zijn buik is zo dik omdat je bij hem mag komen met al je vreugde en dankbaarheid, maar ook met al je klachten, je opstand, je verbittering, je eenzaamheid, je zorgen… Hij kan ze allemaal opnemen in zijn dikke buik en … hij blijft altijd lachen.”
Waar ook ter wereld hebben mensen nood aan iemand voor wie ze hun gevoelens niet hoeven te verbergen. Ook bij het Kerstekind hoef je niets te verbergen. Je mag hier komen met je gevoelens van dankbaarheid om zoveel dat je gratis hebt ontvangen. Maar ook met je onuitsprekelijk verdriet: omwille van het verlies van je levenspartner, de ondankbaarheid of het onbegrip van je groter wordende kinderen, het stuklopen van je huwelijksrelatie of die van één van je getrouwde kinderen, de ongeneeslijke ziekte van een dierbare of van jezelf, het verlies van bestaanszekerheid, enz… Al die gevoelens mag je hier vandaag vrijuit tonen en uitspreken, ongehinderd.
En het Kind Jezus doet zoveel meer dan die dikke altijd lachende Boeddha. In de geboorte van Jezus is God ons nabij gekomen, mens geworden met al wat mensen meemaken. Hij is vooral de vriend en lotgenot geworden van arme sukkelaars, van eenzame, ontgoochelde en bedroefde mensen, van hen die het niet meer zien zitten. De boodschap van Kerstdag is dat elke mens op elk moment nog toekomst heeft. Een boodschap van bevrijding uit onze onmacht. Je hoeft hier dan ook geen verstoppertje te spelen. God zal je blijven toelachen, je blijvend nabij zijn en je blijven zoeken, wat er ook gebeurd is.
Hij vraagt je wel dat je, naar Zijn voorbeeld, op zoek zou gaan vooral naar hen die het moeilijk hebben, voor wie Kerstdag geen feest is, maar een dag van angst.
Er is zoveel verborgen armoede: in elke stad, in elke buurt, misschien in je eigen familie. Die armen spelen verstoppertje. Noodgedwongen. Want in onze maatschappij mag je eigenlijk niet arm zijn. Er rust altijd een verdenking op je dat je onbekwaam bent of achterlijk of dat je ergens hebt gefaald. Die armen moet je dus zoeken. Meestal niet ver.
Er zijn zoveel mensen in ons midden met geestelijke pijn, precies vaak mensen die niets te kort hebben in huis of aan tafel. Het zijn meestal mooie, vriendelijke, lachende, schijnbaar gelukkige mensen, vooral in deze Kerst- en Nieuwjaarsdagen. Maar onderhuids is er zoveel depressie, zoveel angst en verdriet. Ze durven het niet tonen. Want in onze maatschappij moet je stoer en sterk zijn. Die mensen spelen noodgedwongen verstoppertje. Zoek ze op en loop niet van hen weg.
Want voor hen is Jezus in de wereld gekomen. En Hij heeft ook jou nodig. Een bezoek, een attentie, kunnen luisteren naar hun lang, soms gestoord en onsamenhangend verhaal, dat je misschien al 100 maal gehoord hebt. Dat dienstwerk van bemoediging, herberg zijn voor de kwetsbare en gekwetste mens, dat is echt kerstwerk.
Kerstmis vieren is die verborgen God blijven zoeken en geloven dat ook Hij je blijft zoeken, wat er ook in je leven is gebeurd. Geen verstoppertje spelen! Kerstmis vieren is met veel begrip en menslievendheid op zoek gaan naar de mensen in je midden die hun armoede en geestelijke pijn verstoppen. Ze niet eenzaam achterlaten in hun donkere schuilplaats.
Dan zullen de vreugde en de vrede van Kerstdag je deel zijn.
Ik wens je gemeend een Zalig Kerstfeest.
Gabriël Buyse, pastoor-deken em.Tielt