Kerstmis is de tijd dat we elkaar geschenken geven. Iedereen krijgt wel iets. Misschien is het maar een klein iets, een potlood, een vlakgommetje, een banaan, een chocolaatje, of een schrift, misschien is het iets groots, een auto, een fiets, een nieuw pak, een huis, een dure vulpen, het schoolgeld voor een heel jaar, of een vakantie ergens ver weg.
Kerstmis is de beste tijd voor cadeaus. Zijn we niet het grootste geschenk, dat de mensheid ooit gegeven werd aan het vieren?
Misschien is het antwoord op die vraag: ‘Nee, het grootste geschenk dat we van God kregen is ons eigen leven.’ Maar als je het evangelie van deze viering goed leest, werd ons ook dat leven gegeven in Jezus Christus.
De kerst is een tijd van het jaar die bol staat van de geschenken. Jezus is een gift, zijn geest is een geschenk, zijn vrede is ons gegeven en zelfs de drie wijzen uit het verre Oosten verschijnen op het toneel met hun geschenken. Op den duur zijn er zoveel van die geschenken dat ons huis en ons leven er door overstroomd worden. Kijk thuis maar eens rond in je tuin of je keuken, de laden in je tafels en de vakken en planken in je kasten. Die hoeken en gaten zijn vaak bijna als kerkhoven vol met niet meer of zelfs nooit gebruikte dode dingen.
Geschenken die je jezelf gaf, een aardappelschiller, een nooit echt gebruikte filmcamera, een veelbelovend koffiezetapparaat, een zak knikkers uit je jeugd. Je kocht die dingen, of je kreeg ze, maar ze functioneerden nooit in je leven. Ze maken er ook nu nog geen deel van uit. Daarom liggen ze daar maar te liggen in het donker van die kast of la, wachtend op de dag dat je verhuist of opruimt.
Het is iets dat zelfs die geschenken van God kan overkomen. Waarom verdwenen de gaven van Jezus en zijn geest uit het leven van zovelen? Waarschijnlijk omdat ze volgens hen niet functioneerden en geen betekenis hadden. Ze speelden geen enkele rol. Maar waarom was dat? Was het vanwege de aard van dat geschenk, of lag het aan de geadresseerde?
Als ik niet meet wil zien, kan ik mijn bril weggooien, een blinddoek voordoen, of ik kan zelfs mijn ogen laten verwijderen. Maar was het niet de bedoeling dat ik zou zien? Als ik niet meer vooruit wil, kan ik mijn schoenen wegdoen, of als ik radicaler wil zijn, kan ik mijn voeten laten amputeren. Maar is het niet de bedoeling dat ik verder wandel?
Als ik niet in Gods wereld wil leven kan ik dat gemakkelijk aan zonder Jezus, en zonder een kerstfeest, maar was het niet de bedoeling in die wereld te leven?
In zijn brief aan Filemon schreef Paulus eens, dat hij zijn vriend niet alleen maar bedankte omdat hij dat godsgeschenk Jezus in zijn leven aangenomen had, maar omdat die Jezus in Filemons leven ook een rol speelde. Hij schreef: ‘Ik dank God omdat ik over je geloof in de Heer Jezus hoor, en je liefde voor iedereen’ (Film. 1,4-5). Aan de Efesiërs schreef hij, dat hij over hun geloof in Jezus gehoord had, en over de liefde die ze in hun leven toonden. Hij voegde er aan toe, dat hij zich dat steeds zou blijven herinneren. Wij dienen dit kerstfeest zo te vieren, dat anderen zich ons op die manier blijven herinneren!