Hoogfeest van Kerstmis – Middernachtmis Cyclus A 2013 Jesaja 9, 1-3, 5-6
Lucas 2, 1-14
God wordt klein opdat wij zouden groeien.
Onderkant formulier
Beste vrienden,
We worden omgeven door de nacht! Maar, wat ons anders onbehaaglijk stemt, misschien zelfs angstig maakt, dat draagt er vandaag toe bij, dat we allemaal blij zijn. Ik vermoed zelfs dat we de taal van onze ziel op geen enkel ander uur van het jaar zo levendig in ons kunnen waarnemen als juist in deze nacht. De ene of de andere onder ons zal zich de glanzende kinderogen uit zijn jeugd, of die van zijn kleinkinderen vandaag, herinneren. Er zullen zeker ook weemoedige herinneringen boven komen: gedachten aan mensen waarmee men het feest van vandaag had willen vieren, maar die niet meer onder ons zijn. Droevige gedachten misschien, ondanks de feeststemming van vandaag, omdat we niet samen kunnen vieren met onze familie, vrienden of ander belangrijke personen in ons leven. Ja, deze nacht beroert ons, en soms vraag ik me af waarom? Het kan toch niet alleen maar het feit zijn dat we hier een jong koppel gedenken dat ergens ver van ons bed in een stal een kind ter wereld heeft gebracht. En is het dan eigenlijk ook geen egoïstische illusie om te geloven dat van dit kind een echte globale wereldvrede zou kunnen uitgaan? Elk jaar weer komen talloze mensen om het leven door oorlogen en conflicten en door zinloze, mensen verachtende aanslagen, die dan dikwijls ook nog in de naam van God worden gepleegd. Wat fascineert er ons dan toch zo aan de boodschap van deze nacht?
Misschien kan een klein verhaal ons op weg helpen:
Het gebeurde op kerstavond in 1908 in een kleine Bar in de Amerikaanse stad Chicago. Er zaten enkele mensen bijeen voor wie het kerstfeest een dag was als iedere andere. Een vaste klant, die vooral opviel door zijn enorme schuwheid voor alles wat met politie te maken had, was daar ook. Enkele van de drinkebroers wilden hem die avond een loer draaien: ze namen een oude telefoongids en scheurden daar drie bladzijden, met daarop de nummers van alle politiecommissariaten, uit. Ze vouwden hen netjes op, verpakten ze in dagbladpapier, en gaven dat pakje als kerstgeschenk aan de man. Nieuwsgierig wachtten ze op wat er zou gaan gebeuren. Het werd muisstil in de bar. De man nam het pakje met een onzekere glimlach aan en begon het uit te pakken. En toen gebeurde er iets merkwaardigs. Plots stopte hij met het losmaken van het koord en zijn blik bleef geboeid gericht op één van de stukken krantenpapier waarmee de anderen hun vergiftigd geschenk hadden ingepakt.
Zijn ganse lichaam kromde zich over het blad. Het leek wel alsof hij het ter plekke wilde verslinden. Dan keek hij op. Zijn blik straalde zoals ze nog nooit hadden gezien. Kijk, zei hij met een hese stem, daar staat dat de ganse zaak al lang is opgelost. Iedereen in de stad waar ik vandaan kom weet nu dat ik onschuldig ben. De tranen liepen hem over het gezicht. De anderen bleven stom. Pas veel later, zo wordt verteld, hebben ze tot in de vroege uurtjes Kerstmis gevierd.
Waarom ik u dit allemaal vertel? Omdat die man op een onvoorstelbare manier te weten kwam dat hij zich niet meer schuldig hoefde te voelen. Dat hij gewoon rechtop mocht lopen en iedereen in de ogen kon kijken. Dat hij zich niet meer voor de anderen en voor de politie moest verstoppen. Zijn “vrienden” uit de bar wilden hem schrik aanjagen. Maar nu had die man, die waarschijnlijk helemaal geen christen mens was, de boodschap van Kerstmis veel beter begrepen dan al die vromen die het feest zonder nadenken ondergaan.
Want de boodschap van Kerstmis bestaat juist uit datgene wat die man is overkomen. De boodschap van de kerstnacht luidt: God vindt het helemaal niet beneden zijn waardigheid om mens te worden zoals wij. En Hij doet dat ook niet zonder reden: Een dakloos kind openbaart ons wat mens zijn werkelijk betekent. Het kind heeft helemaal niets te bieden, het kan geen successen aantonen en het kan zich niet verdedigen. Het heeft helemaal niets waarop het zich zou kunnen beroepen om zijn bestaan te rechtvaardigen. Alleen het feit dat het er is moet volstaan om graag te worden gezien en te mogen leven. Wanneer God zelf zich aan zulk een klein naakt mensenkind bindt, dan openbaart hij ons daarmee toch ook wat ons bestaan menselijk en menswaardig maakt. In dit kind van Bethlehem zegt God tot ons, tot u en tot mij: Je moet je niet rechtvaardigen voor het feit dat je er bent en dat je leeft; je moet je niet verontschuldigen voor je mislukte beroepsleven, voor je financiële mislukkingen en voor je menselijke onvolmaaktheid. Dat je er bent, zoals je bent, dat is al voldoende; God heeft je een blijvende waardigheid geschonken, een waardigheid die jou zelfs in de duisterste armzaligheid van je leven niet meer kan worden afgenomen. God heeft ieder van ons een opgerichte gang gegeven, ook al is het hout waaruit iemand is gesneden nog zo krom. Ook diegene die in zijn leven schijnbaar alles verkeerd heeft gedaan; diegene die we alleen maar kennen van zijn reeds op afstand waarneembare alcoholgeur; diegene die we omwille van zijn handicap steeds weer links laten liggen of diegene die op het werk gepest wordt omwille van de situatie bij hem thuis; diegene die zich onnuttig voelt omdat alleen de ziekte zijn leven nog bepaalt. Aan al deze mensen hoort de liefde van God in eerste instantie toe. Wie in een dergelijke duisternis, een dergelijke psychische nacht leeft, die mag Gods licht aanschouwen. Hij mag zeker zijn dat God hem onvoorwaardelijk even graag ziet als jonge ouders hun pasgeboren kind.
Ja, Kerstmis maakt dat we, ondanks de persoonlijke “nacht” in ons leven, toch mogen geloven en er ook op vertrouwen, dat alles weer goed wordt. We mogen dat omdat God bij ons is en ons op onze weg begeleidt.
Misschien hebben sommigen onder ons het moeilijk om aan een God te geloven die ons onvoorwaardelijk bemint. Ze hebben het vroeger immers anders geleerd. Maar voor mij is Kerstmis ook het geschikte ogenblik om verkeerde Godsbeelden te vernielen.
- Beelden van een alles regelende God, die zich de ganse dag moet bezig houden met ervoor te zorgen dat alles volgens de regels verloopt.
- Beelden van een God die als een strenge rechter over al die kleinmenselijke paragrafen waakt.
- Beelden van een streng moraliserende God, die heel wraakzuchtig bezorgd is om de moraal.
Al die beelden mogen we definitief klasseren, want in dat kleine kind in de kribbe toont God zich aan ons in zijn menselijke gestalte. Hij deelt met ons onze levensvreugde, ons gevoel voor gerechtigheid, ons verlangen naar vrede en geborgenheid. In dit kind deelt Hij zichzelf aan ons mee en begeleidt Hij ons op onze, soms toch zo moeilijke, levensweg. Hij is aangedaan van de liefde die wij aan elkaar schenken; Hij wordt uitgedaagd door onze angsten en is altijd bij ons in onze pijn, zowel de geestelijke als de lichamelijke, en begeleidt ons heel de weg.
Laten we Kerstmis zo vieren dat we niet alleen genieten van de stemming en van de feestvreugde, dat moeten en mogen we natuurlijk ook. Maar laten we er ook voor zorgen dat heel ons leven verlicht wordt door het licht van dit feest. Dan kunnen we erkennen: God is mens geworden opdat wij iets van zijn goddelijkheid zouden erven. De Eeuwige wordt eindig, opdat wij, eindige mensen, eeuwig zouden worden. Laten we dat kind van Bethlehem en ook de boodschap van de volwassen Jezus in ons hart opnemen, opdat we ons leven zo zouden veranderen dat al die valse Godsbeelden ons niet meer kunnen terneerdrukken of bedreigen.
God zelf wordt iemand van ons, opdat wij elke mens in al zijn aspecten ernstig zouden nemen: In zijn hartstochtelijkheid en in zijn gebrekkigheid, in zijn onstuimige jeugdigheid en zijn breekbare ouderdom, in zijn erotische schoonheid en zijn vertwijfelde onvolmaaktheid, zijn egoïstische arrogantie en zijn troosteloze schuldigheid.
Ja, laten we alle mensen ernstig nemen, laten we de mensen naast ons graag zien – pas dan krijgt die blije boodschap handen en voeten – door ons! Kerstmis draait alle verhoudingen om: God wordt één van ons, Hij wordt klein, opdat wij zouden groeien en erkennen tot welke vrijheid, menselijkheid en broederlijkheid wij geroepen zijn. Amen.