Johannes vat de boodschap van Kerstmis in één zin meesterlijk samen: ‘Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond’. God is mens geworden. Wij vieren de menswording van God. Daarom is mijn kerstwens ook: doe zoals God, word mens!
Wat betekent dat ‘word mens’? Wij zijn toch allen mensen? Ja, maar in ons is toch nog heel veel dat onmenselijk is. Je krijgt bijna de indruk dat de onmenselijkheid van jaar tot jaar toeneemt. Ik hoef u de feiten niet allemaal op te noemen, zij zijn u wel vol¬doende bekend.
God wordt mens. Maar de mens wil in feite niet alleen mens zijn. Deze drang om aan God gelijk te zijn zit als het ware in ons bloed sinds de schepping. Dat is eigenlijk de oerzonde van de mens: aan God gelijk willen zijn. Zelfverwerkelijking van de mens, noemt men dat soms vandaag. De mens wil onafhankelijk zijn, hij neemt zijn lot zelf in handen. Wij lossen de zaken zelf wel op. Wij komen zelf wel met deze wereld klaar. Is dat eigenlijk geen groot¬heidswaanzin? Wat blijft er van de mens over als hij onafhanke¬lijk van God wil zijn? Als hij God niet meer in de rug heeft, als hij God niet meer als fundament heeft, dan moet de mens wel bang worden, dan moet hij zich zelf staande houden, dan moet hij voor zichzelf en anderen bewijzen wie hij is en wat hij kan.
Dikwijls wordt dat ‘vooruitgang’ genoemd. Tegenwoordig zijn wij daarmee wel voorzichtiger geworden. Wat is er dan vooruitge¬gaan? Is de menselijkheid vooruitgegaan of de onmenselijkheid? Hebben wij meer welstand of meer welzijn? Die vooruitgang kan zo ver gaan dat het ‘zelfvernietiging’ wordt.
Wij zijn de eerste generatie die deze angst kent, dat de wereld zich¬zelf vernietigen kan. De mensheid kan door mensen vernietigd worden. Zo ver zijn wij gekomen. ‘De dag is niet meer zover weg’, zei Teilhard de Chardin vijftig jaar geleden, ‘de dag is niet meer zo ver weg dat de mensheid kan kiezen tussen zelfmoord of aanbid¬ding’. Inderdaad, die dag is niet meer ver weg, die dag is er.
Wat kiezen wij nu? Kiezen wij voor de aanbidding? Daartoe zijn wij in deze viering uitgenodigd. Maar dan zou die aanbidding tot een grondhouding moeten worden. Wij worden uitgenodigd tot een leven dat ‘eer aan God’ brengt. Doe zoals God, word mens, een mens die de grenzen van zijn mens-zijn erkent en God de eer geeft, een mens die God de eer geeft en de mensen de vrede brengt. God wordt mens om de mensen af te brengen van het verlangen aan God gelijk te willen worden. Hij is mens geworden in de ont¬wapenende menselijkheid van een kind. Hij is in de wereld geko¬men op de plaats waar mensen de deuren voor mensen sluiten; naar mensen, die zoals de herders leven aan de rand van de maat¬schappij; Hij is gekomen voor de zondaars en de verloren zonen… Hij is de broeder geworden van de armsten. Doe zoals God en word mens.
Zo gaat voor ons bij de kribbe een licht op, een licht dat volgens het evangelie, straalt in de duisternis.
Een joodse rabbi vroeg aan zijn leerlingen: ‘Kun je het ogenblik bepalen waar de nacht een einde neemt en de dag aanbreekt?’ De eerste leerling vroeg: ‘Is het wanneer je in de verte een vijgenboom kunt onderscheiden van een palmboom?’ ‘Nee,’ zei de rabbi, ‘dat is het niet.’ ‘Is het,’ vroeg de tweede, ‘is het wanneer je een schaap kunt onderscheiden van een geit? Is dat het ogenblik dat de duis¬ternis wijkt en de dag aanbreekt?’ ‘Nee,’ zei de rabbi, ‘dat is het niet.’ ‘Maar wanneer is dan het ogenblik gekomen?’ ‘Als je,’ zei de rabbi, ‘in het gezicht van een mens kijkt en daarin een broer of zuster ontdekt. Dan is de nacht ten einde en breekt de dag aan.’ Daar gaat bij ons een licht op! Het licht dat ons in Jezus is opge¬gaan, waardoor wij in de vele gezichten rondom ons, tot in Afrika of Zuid-Amerika toe, een broer of zuster ontdekken.
Moge God dat licht in ons hart doen opgaan…