Het blijft vreemd dat zo’n vijftig jaar geleden - om precies te zijn op 1 november 1952 - Pius XII besloot tot de dogmaverklaring van de Tenhemelopneming van Maria. Het blijft eigenaardig omdat het voor degenen die toch al in zoiets geloofden, en dit feest al eeuwen lang gevierd hadden, niet heel veel verschil maakte; en omdat er nogal wat stemmen waren die meenden dat een dergelijke ontwikkeling het oecumenische gesprek moeilijker zou maken. Bijbels gezien bleef volgens vele niet-katholieken het nieuwe dogma immers maar een vrij mistig gegeven.
Toch deed Pius XII het, en wel volgens Vaticaanse waarne¬mers, om een persoonlijke reden. Het was zijn manier om te reage¬ren op wat hij en zijn tijdgenoten tijdens hun leven meegemaakt hadden. Een Eerste Wereldoorlog met tien miljoen doden; een Rus¬sische Revolutie die op den duur om veertig miljoen levens vroeg; een holocaust waarin samen met vele anderen, miljoenenjoden omkwamen; en een Tweede Wereldoorlog die vijftig miljoen doden kostte en haar dieptepunt vond in de ontploffing van twee atoombommen. Dat zijn de getallen van hen die stierven. Het getal van de slachtoffers die nog leven, lichamelijk en geestelijk verminkt voor hun leven, is groter, en groeit in zekere zin nog dagelijks vanwege de trauma’s en genetische afwijkingen die nog steeds doorgegeven worden.
In die context wilde Pius XII niet alleen maar iets zeggen over het lichaam van Maria, maar over het lichaam van ons allen. Hij moet gehoopt hebben dat het vieren van de tenhemelopneming van Maria - ‘nadat zij haar leven hier op aarde beëindigd had’ - ons respect voor de lichamelijke geschiedenis van iedere mens, en voor onze eigen lijfelijke beleving zou doen groeien. Als Paus Pius XII inderdaad zo redeneert, is dat een uiterst belangrijke ontwikkeling. Niet omdat hij onze inzichten aangaande Jezus’ moeder bevestigt of verder helpt, maar om de manier waarop hij theologie bedrijft. Hij theologiseert vanuit zijn - en onze - concrete en historische ervaring. Hij loopt hierbij vooruit op wat later door Johannes XXIII in het Tweede Vaticaanse Concilie als een nieuwe bron voor theologie omschreven wordt: ‘de tekenen van de tijd'.
Christenen moeten met die tekenen van de tijd rekening hou¬den als ze het over het evangelie hebben. Helemaal nieuw is dit niet. Maar het is wel iets dat te vaak over het hoofd gezien werd, ook bij het herdenken van Jezus’ moeder. In de tekst van vandaag maakt Lucas duidelijk dat hij Maria een theologie toeschrijft die juist deze methode toepast. In het door Lucas aan haar toegeschreven lied - het Magnificat - maakt Maria heel duidelijk dat haar godsdienstige interesse en vroomheid gegrond zijn op haar ervaring van de ellende en onrechtvaardigheid in haar wereld. Haar reactie op wat haar in Jezus aangekondigd wordt, is concreet, duidelijk, en lijfelijk: ‘Hij ontneemt heersers hun troon, verheft de geringen, overlaadt de hongerigen met wat hun deel is, zendt de rijken heen, en is geïnteresseerd in de mens.'
Dezelfde voorkeur begint vanuit Latijns Amerika de theolo-gie in de kerk te beïnvloeden in haar sociale leer. Dat wil niet zeggen dat de kerk niet geïnteresseerd zou zijn in de gehele mensheid. Juist omdat ze in allen geïnteresseerd is, heeft zij een voorkeur voor wie verwaarloosd worden. Een voorkeur die ook naar voren komt in de encyclieken van Johannes Paulus II wanneer hij in Laborem Exercens en Sollicitudo Rei Socialis schrijft over solidari¬teit. Deze ‘mariale’ aanpak, die de concrete, lijfelijke menselijke ervaringen als uitgangspunt kiest, zou ook in de rest van de theologie doorgevoerd moeten worden. Ook bij de verdere bestudering van Maria’s rol in kerk en wereld. In zijn boek Maria, het moederlijke gezicht van God stelt de bekende bevrijdingstheo¬loog Leonardo Boff, dat we over Maria theologisch nog lang niet uitgedacht zijn, omdat de vrouwelijke geestelijke aanpak en godsdienstige uitingen christelijk niet verwerkt zijn. Met het vrouwelijke en met Maria zijn de kerken hier op aarde nog lang niet klaar. In de ‘hemel’ wel!