Een nieuw testament

C-cyclus · Vasten · Witte donderdag · wit

Jezus wist dat zijn uur gekomen was. Tijd om van deze wereld over te gaan naar de wereld van zijn Vader, tijd om deze wereld aan zijn Vader door te geven. Hij wist dat. Zijn leerlingen wisten het niet. Hij wist dat dit de laatste keer zou zijn dat ze zo bij elkaar waren. In het begin van de maaltijd moet ook hij nog niet zozeer aan het einde van dit alles gedacht hebben. Je denkt bij het begin van een maal niet aan het einde, zelfs niet bij een afscheidsmaal. Er zijn veel te veel dingen waar je aan moet denken, de uitnodigingen, hoe je de gasten over de tafels gaat verdelen, de drank, het eten, en al de conversatie.

Maar dan, als het feest goed op gang is, en het einde dichterbij komt, dan is er ineens dat ogenblik dat alle conversatie stopt, dat er een stilte valt. Het ogenblik waar iedereen vanaf het begin eigenlijk bang voor was. Hijzelf ook. Hij wist - een kind had dat kunnen weten! - dat hij verraden zou worden, gearresteerd, in elkaar geslagen, gemarteld, gepest en getreiterd, op het kruis geslagen, en uiteindelijk vermoord. De dood zou na dit alles komen als een troost! Dit alles wetend - zo schrijft Johannes - staat hij van de tafel op. Ze kijken allemaal op. Alle conversatie valt stil. Ze hadden het gevoel dat er iets ging gebeuren. Ze hadden dat gevoel trouwens de hele avond al. Judas had hen in het donker verlaten. Wat was die gaan doen? Er was sprake geweest van verraad. Was dit de laatste keer dat ze bij elkaar waren? Waarom sprak hij van een beker die hij niet meer zou drinken, voordat alles voltrokken zou zijn?

Wat zou Jezus doen? Hen bij elkaar roepen voor wat laatste woorden zoals een Afrikaanse vader doet op het ogenblik dat hij weet dat hij gaat sterven? Of zou hij om een stuk perkament vragen om daar in heldere en onuitwisbare woorden zijn laatste wil - een nieuw testament - neer te schrijven. . .? Hij nam een kom, een kan en een handdoek. Op zijn handen en voeten voor hen neerknielend waste hij hun voeten, een voor een. Petrus protesteerde natuurlijk, maar daar werd eigenlijk niet eens op gelet. Hij waste maar.

Waarom vertelt Johannes ons dit verhaal? Waarom is er geen woord over het breken van het brood en het drinken van de wijn? Meende Johannes dat dit gebaar een beter symbool was voor zijn verhouding tot ons dan die van de broodbrekerij? Een ding is wel duidelijk uit het relaas van Johannes. Hij waste niet alleen hún voeten. Hij waste de voeten van ons allen, gelovigen en ongelovigen, oud en jong, heiligen en zondaars, souteneurs en prostituees, pausen en bisschoppen, heersers en onderdanen, hongerigen en oververzadigden, gekleden en naakten.

Hij waste en waste. En het was zijn bedoeling er nooit mee op te houden, want hij zei: ‘Begrijp je wat ik aan het doen ben? Ik gaf jullie een voorbeeld van hoe jullie onderling te werk moeten gaan. Was elkaars voeten, en dan breek je samen brood, en drink je wijn met elkaar over de hele wereld, totdat jullie zelf het koninkrijk ingewassen, ingegeten en ingedronken hebben.'

Zoeken in Preken Online