Palmzondag – De Man van Nazareth rijdt als een averechtse koning
de stad der mensen binnen op een ezel…
Op Palmzondag houdt De Man van Nazareth Zijn blijde intocht in Jeruzalem, de stad van de vrede. Hij doet het welbewust en zelfgekozen gezeten op een ezelsveulen. Niet hoog te paard, met keizerlijk vertoon, rijdt Hij de stad der mensen binnen. Eenvoudig en zonder aanzien is Hij - de Koning van de armen. Zonder troon of rode loper, zonder triomf of plechtig protocol. Koninklijke Gezalfde van dienst, zonder lijfwacht om zich heen, zonder staf van diplomaten en een leger slippendragers. Als een averechtse Don Quichot, moe van altijd weer te vechten tegen de windmolens van de orthodoxie en de ‘goed menende burgerij’. Zo is de Liefde immers op haar (paas)best - wanneer ze zich heel bescheiden en zachtmoedig een weg kan banen te midden van het straatgewoel. Ze aarzelt niet om zich daarbij soms hopeloos belachelijk te maken. Vandaag juicht men haar toe en morgen draagt ze doornenkronen. Maar nooit laat ze zich verbitteren, die Liefde! Ze balt niet haar vuist en verheugt zich niet over het onrecht. Ze kiest heel consequent steeds weer de kant der zwaksten, de kant van de geweldloosheid. Het volk is opgewonden, gooit tapijten en kleren op de grond, en zingt: ‘Hosanna, lang leve onze nieuwe koning!’ En Jezus buigt het hoofd, want Hij weet beter. Hij weet hoe vlug het kan verkeren: liefde in haat, vrede in geweld, leven in dood. Voorop is het altijd eenzaam stappen. Altijd maar doorgaan op de weg die je gekozen hebt. Loslaten alle bijval en succes die zo voorbijgaand en vergankelijk zijn. Maar vooral vasthouden ook. Aan de essentie, aan het doel waar je op afstapt en aan de kern, het beste van jezelf. Je roeping, je bestemming, je hartsverlangen…
Man op zijn ezel in Atlas gebergte - Marokko
Tot op vandaag schooiert de Liefde zo langs onze vlot gebaande mensenwegen. Het Licht der wereld vraagt zich verwonderd af: Stad van mijn hart, wat is er geworden van jouw oude dromen? En vanop zijn schamele uitkijkpost bidt De Armenkoning vertwijfeld: ‘Vaderlijk licht, steevaste schouder, draag mij, ik ben jouw kijkend kind. *** Licht, kind in mij, kijk uit mijn ogen of ergens al de wereld daagt *** *** waar mensen waardig leven mogen en elk zijn naam in vrede draagt…’*** De Schrift leert ons vandaag: alleen die nederige, dienstbare, mens geworden Liefde is opgewassen tegen alle dood van deze wereld…
Nog even wat commentaar bij dat zeer merkwaardige ‘detail’ in het verhaal van de Intocht van Jezus in Jeruzalem (een element dat merkwaardig genoeg in de officieel voorgeschreven lezing van Palmzondag niet werd opgenomen - de evangelielezing wordt plots afgebroken na vers 11,10): **‘Jezus trok Jeruzalem binnen en ging naar de tempel. En toen hij alles wat daar gebeurde in ogenschouw genomen had, ging Hij, omdat het al laat was, samen met de twaalf leerlingen naar Betanië.’ Toch merkwaardig hoe de evangelist dat er ineens nog bij wil vermelden. En toch ook weer niet – een goeie verteller als Marcus, die gewoon is van zijn verhalen kort te houden, zet deze notitie er niet zomaar eventjes als ‘bladvulling’ bij. Natuurlijk niet. ‘Betanië’ betekent immers letterlijk vertaald: ‘Het huis van de arme’ (‘Beth-Ani’). Vooral vlak voor het begin van het lijdensverhaal speelt de ‘armenbuurt’ van ‘Betanië’ een heel belangrijke rol in de evangelies. Jezus verblijft er haast de hele tijd, verbannen als Hij is naar de rand, en ondergedoken in het schuilhuis van de armen, die Zijn vrienden geworden waren. Van daaruit bekijkt Hij de grote stad Jeruzalem. De ‘optie voor de armen’ is immers volgens de Schrift altijd de gezichtshoek van waaruit je een grote, rijke, imponerende stad ‘profetisch’ moet bekijken. Het is vanuit het ‘huis van de arme’ dat profeten de tempel hebben bezien, de maatschappij en de godsdienst tegen het licht van het visioen hebben gehouden. Dàt is precies profetie, en daar dient een ‘profetische kerk’ immers voor. ‘Betanië’, ‘Het huis van de arme’ bestaat echt. Zeker op vandaag. Het is elke volkswijk, elke armenbuurt gelegen tegen alle grootsteden aan van de hele wereld. Elke rijke-mensenstad waar ook gelegen, creëert haast vanzelfsprekend zo’n ‘Betanië’. Ga maar eens kijken in Manilla (één miljoen mensen levend op de vuilnisbelt), in New York met zijn getto’s en zelfs in Brussel en Antwerpen bij ons… Marcus zegt er ook niet toevallig bij: ‘Toen Hij alles wat daar in Jeruzalem en in de tempel gebeurde in ogenschouw nam; toen Hij zag dat het daar alsmaar donkerder werd en dat de Nacht daar regeerde… Toèn ging Hij maar weer naar ‘Betanië’, naar het huis van de arme. Want in de tempel van Jeruzalem was er al lang geen plaats meer voor Hem…
Oscar Arnulfo Romero (vermoord op 24 maart 1980): ‘De glorie van God is de arme die leeft’.
LIED VAN DE VREDE
Komen ooit voeten, gevleugeld, mij melden de vrede,
daalt over smeulende aarde de dauw van de vrede,
wordt ooit gehoord
uit mensenmonden dat woord:
wij zullen rusten in vrede?
Dan zal ik huilen en lachen en drinken en slapen; dromen van vluchten en doden
** en huivrend ontwaken.**
** Maar niemand vlucht,**
nergens alarm in de lucht,
overal vrede geschapen.
Dan zal ik zwaaien naar vreemden, zij zullen mij groeten.
Wie was mijn vijand? Ik zal hem in vrede ontmoeten.
Dan zal ik gaan
waar nog geen wegen bestaan –
** vrede de weg voor mijn voeten.**
** (Huub Oosterhuis)**
DE LIEFDE…
De liefde is belachelijk.
Ze rijdt op een ezel
over uitgespreide klederen.
Men juicht haar toe
en ze draagt doornen kronen.
Ze zoekt asiel
als een aanklacht
over heel de wereld.
Steeds nog sleept de zaak zich voort.
Ze gedraagt zich niet onhandelbaar
maar dwarsboomt
de routine van die de macht hebben.
Ze laat zich niet verbitteren,
ze balt niet haar vuist
ze helpt zichzelf niet
en ze verheugt zich niet
over het onrecht,
maar trekt partij voor de uitgebuite.
Daarom is het levensgevaarlijk
zich met haar in te laten.
Ze is subversief
en ze zou je bewust kunnen maken
en de gang van zaken doorkruisen.
Daarom ontlopen we haar
totdat de haan driemaal kraait
in de morgen.
De liefde houdt niet op
mij onzeker te maken.
Ze vindt spleten om binnen te dringen
waar ik er geen vermoedde.
Ze overreedt me
in de moedertaal van de mens.
Ze opent mij de ogen
voor mijn blinde vlek.
Nu echter blijven geloof, hoop en liefde,
deze drie.
Maar de liefde is
de zwakste schakel in de keten
en dat is haar kracht
die de duivelskring doorbreekt.
Eén van de beelden uit de twintigste eeuw, die het diepst in mijn geheugen gegrift staan, is dat van die jonge Chinees, die met ongelooflijke stoutmoedigheid de pantservoertuigen op het Tienamin-plein in Peking trotseerde. Plots dook hij uit de menigte op en ging postvatten voor de eerste tank. Oog in oog, een totale verrassing. Een kleine man, ongewapend, die de kanonnen trotseerde. Hij riskeerde zich nog verder: langs de rupsbanden klauterde hij naar boven. Dan boog hij zich naar de opening en sprak enkele seconden met de chauffeur. Een onvergetelijk moment. Pas later is zijn naam bekend geraakt: Wan-Le-Lim, 19 jaar oud. Op de haast iconische foto die in alle kranten van de hele wereld verscheen, zie je zijn ogen niet, je ziet hem enkel op de rug. Maar het moeten onbevangen, heldere ogen zijn, anders durf je zoiets niet. Een Chinese studente schreef in haar dagboek over hem en vele anderen: ‘Tegenover het dreigende mes van de moordenaars gebruiken wij alleen onze ogen’. De ogen van die jongen zijn nu reeds lang gesloten in de dood, maar de wereld ziet nog altijd naar hem op – met groot respect. De jonge held probeerde communicatie tot stand te brengen. We weten niet wat hij gezegd heeft – maar hij moet er vast van overtuigd geweest zijn dat in die tank een méns zat, met een hart dat klopt, iemand die in staat was om over vrede te horen spreken. Meer weten we niet over deze jonge man, en evenmin wat er van hem geworden is (al moeten we daar geen tekeningetje bij maken natuurlijk!) Maar in de grootsheid van zijn gebaar liet hij het beste zien wat in elk van ons aanwezig is: onze open handen, ons geweten dat in alle hevigheid op onrecht reageert, en onze bekwaamheid om ons op een geweldloze manier tegen onderdrukking te verzetten. Ooit las ik over een Russisch dichter die, zo denkend en levend, door twintig jaar onverdiende gevangenschap was heen gekomen. Hij hakte in hout om beelden te maken, beelden van een andere mooiere wereld. Anderen maakten uit hout fluiten en maakten er muziek op, om in die andere wereld te zijn. Weer anderen schreven met een schaars stompje potlood brieven naar hun vrouw, die nooit aankwamen. Maar al schrijvende voelden zij dat er in barbaarse omstandigheden toch liefde in hun leven was Maar zoiets gaat niet zonder voorstellingsvermogen. Je moet je daarvoor namelijk in het heetst van de strijd kunnen voorstellen wat het is, een vrij mens te zijn. Dat heeft vele mensen onderdrukking doen volhouden. En de Chinese moeders, die achter elkaar hun zonen en dochters verloren, moesten proberen zich voor te stellen, dat ooit andere kinderen vrij zouden rondlopen op het Plein van de Hemelse Vrede in een democratisch land. Dat vraagt geloof in een wereld die groter is dan jouw wereld – en wie, hier in het individualistische Westen, kan dat nog? En zo ben ik dan terug bij die Chinese jongen. Zonder zich een wereld voor te stellen, groter dan die waarin een 19-jarige doorgaans verkeert, had hij nooit voor die colonne tanks durven springen. Maar precies door het te doen is hij een symbool geworden van een vrij China, werd hij de eerste vrije Chinees in het aangezicht van de dood. Zulke offers en zo’n fantasie vraagt de vrijheid. En vanaf die dag trekken talloze jonge Chinezen zich aan hem op, zien ze naar hem op, herkennen ze in hem al een glimp van hoe het ooit zal zijn. Voor een christenmens heet die fantasie: de hoop. De hoop dat deze ontzettende en vaak wrede, reddeloze wereld ooit een bevrijde wereld zal zijn, een vrije wereld vol verloste mensen die werkelijk van geluk kunnen spreken. Natuurlijk, die wereld gaat ons nu nog te boven, de feiten bestrijden dag na dag zo’n wereld. Maar daarom precies moeten we er in onze stoutste dromen over fantaseren en er ons alvast een beeld van vormen. En daarvoor moet je opzien naar de velen die daar een stuk van hun leven, ja zelfs hun hele leven voor geven. Opzien naar de mensen die verzet plegen, naar de gemartelden en vermoorden in elke dictatuur. Opzien naar de man, de vrouw naast je die zijn of haar ziekte moedig weet te dragen. Opzien naar het ongevraagde, ongezochte, ongekende lijden van deze tijd dat niet op kan tegen de wereld die er door opengaat, de nieuwe aarde. Opzien naar de eerste, nieuwe mens op deze aarde: Jezus van Nazareth. De Man die ooit de Sjaloomstad binnenreed als een averechtse koning op een ezel… (vrij naar Jan Duin in ‘Bij tijden’)
Jesus’ Triumphal Entry into Jerusalem - Oleksandr Antonyuk
Een kleine Jezus op zijn knokige geleende ezel. Hij lijkt er op te zitten voor een formeel portret en kijkt rustig in de ogen van de schilder Oleksandr Antonyuk. Wat is dat voor blik op Jezus’ gezicht? Is er een rimpel op zijn voorhoofd? Is hij berustend? In vrede? In verdriet? Is er angst in hem? Waar Jezus’ hals en borstbeenderen elkaar raken, vormen de schaduwen een kruis, een echo van het rode kruis op de achtergrond. De vage grijze krans rond Jezus’ hoofd lijkt op een schietschijf. Portret van een antiheld, met het gezicht op de toekomst gericht. Het zou ook een man, vrouw of kind, van de meer dan één miljoen Oekraïnse vluchtelingen kunnen zijn die hun land moeten ontvluchten voor de oorlog. Maar naast hem staat het herhaalde Hebreeuwse woord “Yerushalayim.” Jeruzalem, Jeruzalem letterlijk: “zal shalom zien.” Wanneer zullen we (terug) vrede zien, compleetheid, heelheid?
Schilderij: “Jesus’ Triumphal Entry into Jerusalem” door Oleksandr Antonyuk (2008) - de schilder is lid van de Nationale Unie van Kunstenaars van Oekraïne. In zijn werken probeert hij zijn gedachten te delen over wat hem interesseert. “Ik geef niet echt om de manier en stijl van wat ik doe - kunstcritici zullen dat beoordelen. Ik gebruik zowel traditionele als nieuwe materialen, soms combineer ik ze. De Bijbel stelt, in tegenstelling tot fictie, niet alleen vragen maar geeft ook antwoorden. Als ik met bijbelse verhalen werk, komen er bijzondere gedachten in me op. Misschien komt dat omdat de taal van de bijbel net zo beeldend is als de taal van de beeldende kunst.” (Leo Deweerdt)
Viering PCB Brugge
Palmzondag – B - 27-28 maart 2021
Évangile de Jésus-Christ selon Saint Marc (11, 1-11)
Lorsqu’ils approchent de Jérusalem, Jésus envoie deux de ses disciples et leur dit: «Allez au village qui est en face de vous. Dès que vous y entrerez, vous trouverez un petit âne attaché, sur lequel personne ne s’est encore assis. Détachez-le et amenez-le. Si l’on vous dit: ‘Que faites-vous là?’, répondez: ‘Le Seigneur en a besoin, mais il vous le renverra aussitôt.’» Ils partirent, trouvèrent un petit âne attaché près d’une porte, dehors, dans la rue, et ils le détachèrent. Des gens qui se trouvaient là leur demandaient: «Qu’avez-vous à détacher cet ânon?» Ils répondirent ce que Jésus leur avait dit, et on les laissa faire. Ils amenèrent le petit âne à Jésus, le couvrirent de leurs manteaux, et Jésus s’assit dessus. Alors, beaucoup de gens étendirent leurs manteaux sur le chemin, d’autres, des feuillages coupés dans les champs. Ceux qui marchaient devant et ceux qui suivaient criaient: «Hosanna! Béni soit celui qui vient au nom du Seigneur! Béni soit le Règne qui vient, celui de David, notre père. Hosanna au plus haut des cieux!»
Jésus entra à Jérusalem, dans le temple. Quand il eut considéré tout ce qui se passait là, et comme il était déjà tard, il s’en alla avec les douze disciples à Béthanie.
Holy Gospel of Jesus Christ according to Saint Mark (11, 1-11)
When Jesus and his disciples drew near to Jerusalem, he sent two of his disciples and said to them: “Go into the village opposite you, and immediately on entering it, you will find a colt tethered on which no one has ever sat. Untie it and bring it here. If anyone should say to you, ‘Why are you doing this?’ reply: ‘The Master has need of it and will send it back here at once.’ So they went off and found a colt tethered at a gate outside on the street, and they untied it. Some of the bystanders said to them: “What are you doing, untying the colt?” They answered them just as Jesus had told them to, and they permitted them to do it. So they brought the colt to Jesus and put their cloaks over it. And he sat on it. Many people spread their cloaks on the road, and others spread leafy branches that they had cut from the fields. Those preceding him as well as those following kept crying out: “Hosanna! Blessed is he who comes in the name of the Lord! Blessed is the kingdom of our father David that is to come! Hosanna in the highest!” Jesus entered Jerusalem and went into the temple courts. He looked around at everything that happened there. But since it was already late, he went out with the twelve disciples to Bethany.
Man op zijn ezel in Atlas gebergte - Marokko
Op Palmzondag rijdt Jezus Jerusjalaïm, de stad van de vrede binnen. Hij doet het op een ezeltje – als een averechtse Don Quichotte, moe van altijd weer te vechten tegen de windmolens van de orthodoxie en de ‘goed menende burgerij’. Het volk is opgewonden, gooit tapijten en kleren op de grond, en zingt: ‘Hosanna, lang leve onze nieuwe koning!’ En Jezus buigt het hoofd, want Hij weet beter. Hij weet hoe vlug het kan verkeren: liefde in haat, vrede in geweld, leven in dood. Voorop is het altijd eenzaam stappen. Altijd maar doorgaan op de weg die je gekozen hebt. Loslaten alle bijval en succes die zo voorbijgaand en vergankelijk zijn. Maar vooral vasthouden ook. Aan de essentie, aan het doel waar je op afstapt en aan de kern, het beste van jezelf. Je roeping, je bestemming, je hartsverlangen…
De Man van Nazareth houdt Zijn blijde intocht in Jeruzalem – welbewust en zelfgekozen, gezeten op een ezelsveulen. Niet hoog te paard, met keizerlijk vertoon, rijdt de Messias de stad der mensen binnen. Eenvoudig en zonder aanzien is Hij - de Koning der armen. Zonder troon of rode loper, zonder triomf of plechtig protocol. Koninklijk Gezalfde van dienst, zonder lijfwacht om zich heen, zonder staf van diplomaten en een leger slippendragers.
Zo is de Liefde immers op haar (paas)best - wanneer ze heel bescheiden en zachtmoedig de stad der mensen binnen kan trekken. Ze aarzelt niet om zich daarbij soms hopeloos belachelijk te maken. Vandaag juicht men haar toe en morgen draagt ze doornenkronen. Maar nooit laat ze zich verbitteren, die Liefde! Ze balt niet haar vuist en verheugt zich niet over het onrecht. Ze kiest heel consequent steeds weer de kant der zwaksten, de kant van de geweldloosheid.
De vraag van Palmzondag is:
Mag die Man ook in jouw leven binnenkomen, er één en ander in herschikken
En op orde stellen, zodat je klaar bent om Hem te ontvangen?
En wil jij straks misschien ook Zijn kruis wat helpen dragen
Hem troosten en sterk maken, en zeggen
dat je gelooft dat de Liefde sterker is dan de dood?
L’Homme de Nazareth fait son entrée joyeuse à Jérusalem - sciemment et auto-choisi, assis sur un âne..
Le Messie ne monte pas haut à cheval, avec affichage impérial, dans la cité des hommes. Il est simple et sans prestige – c’ est le roi des pauvres. Sans trône ni tapis rouge, sans triomphe ni protocole solennel. Point royal de service, sans garde du corps autour de lui, sans état-major de diplomates et une armée de laquais esclaves.
Après tout, c’est ainsi que l’Amour est à son meilleur (come à Pâques) - quand il peut entrer dans la cité des hommes très modestement et doucement. L’ amour vrai n’hésite même pas à se rendre parfois désespérément ridicule. Aujourd’hui, on l’acclame, et demain elle porte des couronnes d’épines. Mais elle ne se permet jamais d’être amère, cet Amour! Elle ne serre pas le poing et ne se réjouit pas de l’injustice. Elle choisit systématiquement le côté du plus faible, le côté de la non-violence.
La question du dimanche des Rameaux est:
Est-ce que cet Homme de Paix peut entrer aussi dans ta vie, et réorganiser un peu les choses dedans ? Mettre l’ intérieur en ordre pour que vous soyez prêt à recevoir le Messie et le Rédempteur?
Et puis, un peu plus tard, tu voudras peut-être aussi aider à porter sa croix?
Réconforte-Le et rende-Le fort, cet Homme de Nazareth. Et dis à Lui que toi aussi, tu crois que l’Amour est plus fort que la mort…
The Man of Nazareth makes His joyful entry into Jerusalem - knowingly and self-chosen, seated on a colt. Not high on horseback, with imperial display, the Messiah rides into the city of men. He is simple and without prestige - the King of the poor. Without throne or red carpet, without triumph or solemn protocol. Royal Anointed on duty, without a bodyguard around him, without a staff of diplomats and an army of lackeys.
After all, this is how Love is at its best (on Easter) - when it can enter the city of men very modestly and gently. Love does not hesitate to make herself hopelessly ridiculous at times. Today they cheer her and tomorrow she wears crowns of thorns. But she never allows herself to be bitter, that Love! Love does not clench her fist or rejoice at the injustice. She consistently chooses the side of the weakest, the side of non-violence.
Palm Sunday’s question is: May that Man also come into your life, and rearrange some things in it? And put it in order, so that you are ready to receive Him? And maybe you might also want to help carry His cross a little later?
Comfort Him and make Him strong, and tell Him that you believe that Love is stronger than death…
Eén van de beelden uit de voorbije twintigste eeuw, die het diepst in mijn geheugen gegrift staan, is dat van die jonge Chinees, die met ongelooflijke stoutmoedigheid de pantservoertuigen op het Tienamin-plein in Peking trotseerde. Plots dook hij uit de menigte op en ging postvatten voor de eerste tank. Oog in oog, een totale verrassing. Een kleine man, ongewapend, die de kanonnen trotseerde. Hij riskeerde zich nog verder: langs de rupsbanden klauterde hij naar boven. Dan boog hij zich naar de opening en sprak enkele seconden met de chauffeur. Een onvergetelijk moment.
De jonge held probeerde communicatie tot stand te brengen. We weten niet wat hij gezegd heeft – maar hij moet er vast van overtuigd geweest zijn dat in die tank een méns zat, met een hart dat klopt, iemand die in staat was om over vrede te horen spreken. Meer weten we niet over deze jonge man, en evenmin wat er van hem geworden is (al moeten we daar geen tekeningetje bij maken natuurlijk!) Maar in de grootsheid van zijn gebaar liet hij het beste zien wat in elk van ons aanwezig is: onze open handen, ons geweten dat in alle hevigheid op onrecht reageert, en onze bekwaamheid om ons op een geweldloze manier tegen onderdrukking te verzetten.’
Tot op vandaag schooiert de Liefde zo langs onze vlot gebaande mensenwegen. Het Licht der wereld houdt Zijn intocht in Jeruzalem. Stad van mijn hart, wat is er geworden van jouw oude dromen? Vanop zijn schamele uitkijkpost bidt De Armenkoning vertwijfeld: ‘Vaderlijk licht, steevaste schouder, draag mij, ik ben jouw kijkend kind. *Licht, kind in mij, kijk uit mijn ogen of ergens al de wereld daagt *** waar mensen waardig leven mogen en elk zijn naam in vrede draagt…’ De Schrift leert ons vandaag: alleen die nederige, dienstbare, mens geworden Liefde is opgewassen tegen alle dood van deze wereld… En wij bidden met Hem mee: ‘Wek onze zachtheid weer, geef ons terug de ogen van een kind. Dat wij zien wat is, en ons toevertrouwen, en het licht niet haten…’
Nog even wat commentaar bij dat zeer merkwaardige ‘detail’ in het verhaal van de Intocht van Jezus in Jeruzalem (een element dat merkwaardig genoeg in de officieel voorgeschreven lezing van deze zondag niet werd opgenomen (de evangelielezing wordt plots afgebroken na vers 11,10): **‘Jezus trok Jeruzalem binnen en ging naar de tempel. En toen hij alles wat daar gebeurde in ogenschouw genomen had, ging Hij, omdat het al laat was, samen met de twaalf leerlingen naar Betanië.’ Toch merkwaardig hoe de evangelist dat er ineens nog bij wil vermelden. En toch ook weer niet toevallig – een goeie verteller als Marcus, die gewoon is van zijn verhalen kort te houden, zet deze notitie er niet zomaar eventjes als ‘bladvulling’ bij. Natuurlijk niet. ‘Betanië’ betekent immers letterlijk vertaald: ‘Het huis van de arme’ (‘Beth-Ani’). Vooral vlak voor het begin van het lijdensverhaal speelt de ‘armenbuurt’ van ‘Betanië’ een heel belangrijke rol in de evangelies. Jezus verblijft er haast de hele tijd, verbannen als Hij is naar de rand, en ondergedoken in het schuilhuis van de armen, die Zijn vrienden geworden waren. Van daaruit bekijkt van Hij de grote stad Jeruzalem. De ‘optie voor de armen’ is immers volgens de Schrift altijd de gezichtshoek van waaruit je een grote, rijke, imponerende stad ‘profetisch’ moet bekijken. Zo is het altijd al geweest in de Schrift. Het is vanuit het ‘huis van de arme’ dat profeten de tempel hebben bezien, de maatschappij en de godsdienst tegen het licht van het visioen hebben gehouden. Dàt is precies profetie, en daar dient een ‘profetische kerk’ immers voor. ‘Betanië’, ‘Het huis van de arme’ bestaat echt. Zeker op vandaag. Het is elke volkswijk, elke armenbuurt gelegen tegen alle grootsteden aan van de hele wereld. Elke rijke-mensenstad over heel de wereld creëert haast vanzelfsprekend zo’n ‘Betanië’. Ga maar eens kijken in Manilla (één miljoen mensen levend op de vuilnisbelt), in New York met zijn getto’s en zelfs in Brussel en Antwerpen bij ons… Marcus zegt er ook niet toevallig bij: ‘Toen Hij alles wat daar in Jeruzalem en in de tempel gebeurde in ogenschouw nam; toen Hij zag dat het daar alsmaar donkerder werd en dat de Nacht daar regeerde… En toèn ging Hij maar weer naar ‘Betanië’, naar het huis van de arme. Want in de tempel van Jeruzalem was er al lang geen plaats meer voor het Licht van Pasen en voor een nieuwe morgen…
Oscar Arnulfo Romero (vermoord op 24 maart 1980) blijft inspireren samenstelling: geert dedecker
Arcabas - Intocht in Jeruzalem (1980)