Hij was een van ons. Dat wil zeggen: Hij heeft als mens geleefd hier op aarde. Hij was niet groot; tenzij klein-zijn groot is. Hij had geen macht; maar was wel meester in het dienen.
Zijn stem heeft Hij niet verheven, maar Hij sprak wel velen aan. Hij schreeuwde nier, maar fluisterde wel in ieders oor: ‘Heb jezelf lief, en precies zo de ander’. ‘Ga niet onder schuld gebukt, en schenk andermans schulden kwijt’. Geknakt riet brak Hij niet. Gebroken mensen wist Hij te helen.
Hij heeft alles welgedaan. Wij hebben het van horen zeggen en dat getuigenis is betrouwbaar.
Hij vertelde over zaad dat sterven moest om tot leven te komen. Zelf was Hij het zaad, door God op aarde uitgestrooid, en mensen groeven de vore waarin Hij begraven werd.
Na drie dagen vonden ze Hem terug, dertig-, zestig-, honderdvoudig. Hij was niet dood. Hij leefde. Hier, daar, overal. Hij ging de weg van alle aardse dingen, van moederschoot naar mannenmaat. Hij groeide in Gods welbehagen. Hij was de nieuwe Adam, de nieuwe Mens. De Mens zoals God hem ooit had gezien, en nooit gevonden.
Hij beurde op, de mens, die veertig jaar gebogen was. Hij hielp kreupelen weer op weg. Hij gaf aan mensen die het niet meer zagen een bemoedigend vergezicht. Hij had voor doven een verstaanbaar woord. ‘Verheugt u’, zei Hij. ‘Vreest niet’, zei Hij: ‘Ik-ben-die-Ik-ben-voor-jou’. Hij nam het op voor armen en ontrechten en als er klappen vielen, ving Hij ze op: veertig min één en nog veel meer.
Men zwaaide met palmen. Men riep: ‘Hosanna’, als Hij kwam. Maar wie kan het geloven: men sloeg ook met gesels, en men riep: ‘Aan het kruis met Hem’. En zelfs toen heeft Hij gebeden: ‘Vader, vergeef het hun. Ze weten niet wat ze doen’. Hij wist het voor zichzelf wel. Hij wilde sterven om in anderen te leven. Want waar het leven zwijgen moet kan de dood gaan spreken.
Zo heeft onze God zich gedragen: Levend Brood. Zo voedt de Eén de ander. Neem zijn Geest in u op. En blus die Geest dan nooit meer uit.