Aswoensdag.
Op 17 februari begint de veertigdaagse vastentijd. De kerk viert aswoensdag. Naar een aloude ritueel tekenen wij elkaar met as, een assekruisje op het voorhoofd, vergezeld met de rauwe woorden: “Gedenk, o mens dat gij stof zijt, en dat gij tot stof zult wederkeren!” Eerlijk gezegd, deze woorden treffen mij pijnlijk wanneer een oudere mens voor mij komt te staan en om een assekruisje vraagt. Dan denk ik onvermijdelijk aan het nakende levenseinde. Nog pijnlijker is het als een kind met een schalkse glimlach op de lippen ook om een assekruisje komt. Want kind en dood houden wij liefst zo ver mogelijk uiteen. De liturgie op assewoensdag is pijnlijk realistisch. Nu het gebruik van de crematie meer en meer een normaal gebruik wordt, krijgt de as van aswoensdag nog meer dan vroeger een kleur van vergankelijkheid en dood: “Gedenk, o mens dat gij stof zijt, en dat gij tot stof zult wederkeren!”
Het begin van de vastentijd zal waarschijnlijk geen aandacht krijgen in de media. Waarschijnlijk minder aandacht dan het begin of einde van de ramadan. De christelijke vastentijd valt nu eenmaal niet op in onze samenleving. Woensdag is voor velen een gewone werkdag, de kinderen en jongeren zijn op ‘crocusvakantie’, het is hoogseizoen voor de wintersporten. Een beperkt aantal mensen zullen evenwel op die dag proberen wat soberder te zijn in eten en drinken, een beperkt aantal mensen zullen naar de kerk komen en om een assekruisje vragen. Maar de grote meerderheid van mensen zullen nauwelijks weten dat op die dag de vasten begint, als ze overigens nog weten wat de ‘vasten’ betekent. Dat is wat men geleerd noemt: het einde van het cultuurchristendom.
Wij merken toch wel een merkwaardige evolutie. Er is een tijd geweest, nog niet zo lang geleden, dat iedereen (bijna iedereen) wist: vandaag eten wij geen vlees, vandaag is het vis op tafel; vandaag geen chocolade en geen toespijs; vandaag moeten wij naar de kerk om ons kruisje, en ge moogt dat kruisje niet wegvegen, want dat is heiligschennis! Er is een tijd geweest dat het zonde was als men de vasten niet naleefde. En de pastoor las van op de preekstoel de voornaamste schikkingen voor de vasten. Ook de pastoor was daartoe verplicht namens een bevelschrift (in het Latijn: monita) vanwege het bisdom. Toen zijn die wetten in onbruik geraakt. Toen zijn er jaren gekomen dat men allergisch was voor al wat verplicht en verboden was. Toen is ook veel verloren gegaan … alhoewel niet alles: want in diezelfde jaren heeft men herontdekt dat ware vasten begint met eerlijk te delen, met ‘broederlijk te delen’. Maar zovele jaren later kijken nu velen met bewondering op naar de moslims die een hele dag niets eten tijdens hun ramadan. Zij zeggen: “Die mensen nemen hun godsdienst toch echt au sérieux!” En om die reden voelen enkele jongeren zich dan ook aangetrokken door de Islam. Wat in de Islam vandaag bewondering en navolging opwekt, is in het christendom een halve eeuw geleden een stille dood gestorven. Toch merkwaardig!
Maar laten wij ons niet ergeren of angstig maken. Laten wij zelf proberen onze vasten goed te beleven. De kerk zal evenwel niet meer dicteren alles wat verboden is en alles wat verplicht is. De kerk gelooft in de gewetensvrijheid van iedere mens. De kerk zal wel zeggen dat de vasten een zalige tijd is, een niet te missen kans is om goed en beter te leven naar Gods bedoeling. De kerk biedt hulpmiddelen aan, genademiddelen: de sacramenten. De kerk mag terecht luid zeggen: kijk, in nederige belijdenis van je onmacht en schuld, dáár is Christus vergevend aanwezig! Kijk, al wat je deelt met je broeder of zuster in nood, dat geef je aan Christus!
Maar ach, velen stellen zich nu angstig de vraag of de Islam Europa zal veroveren. Indien het christendom verder verwatert, dan zal dat ook gebeuren. Wat moeten wij dan doen? Er zijn twee antwoorden. Ten eerste: de dialoog niet schuwen, maar zoeken naar wat ons verenigt met de Islam. Ten tweede: zelf blijven groeien in de liefde en verbondenheid met Christus. Allebei de standpunten kunnen echter niet zonder inspanning, zonder ‘vasten’. Gelukkig wie niet vast blijft steken in angst of onverschilligheid.
“Gerechtigheid is niet dat men zijn gelaat keert naar het oosten of het westen (bij het gebed); de rechtvaardigen zijn zij die geloven in God en in de Laatste Dag, in de engelen en in het Boek, alsook in de profeten; zij die in naam van de Liefde van God hun naaste helpen, de wezen, de armen en de pelgrims en allen die in nood verkeren; zij die de gevangen vrijkopen, die het gebed in ere houden, die aalmoezen geven, die hun beloften naleven, die lijdzaam tegenspoed dragen, harde tijden en geweld. Zij zijn rechtvaardig en vrezen de Heer.” (Uit de Koran, tweede Soerat, vers 172 – in vrije vertaling).
“***Scheurt uw harten, niet uw kleren: Bekeert U tot Jahweh, uw God! Want Hij is genadig en barmhartig, lankmoedig en rijk aan ontferming.” (***Profeet Joël, 2,12).
“Denkt er om: beoefent uw gerechtigheid niet voor het oog van de mensen om de aandacht te trekken; anders hebt gij geen loon bij uw Vader die in de hemel is. Wanneer gij dus een aalmoes geeft, bazuin het dan niet voor u uit, zoals de huichelaars doen in de synagoge en op straat, opdat zij door de mensen geprezen worden. (…) Als gij een aalmoes geeft, laat uw linkerhand dan niet weten wat uw rechter doet, opdat uw aalmoes in het verborgene blijve en uw Vader die in het verborgene ziet, zal het u vergelden.” (Evangelie van Matteüs 6,1-3).
Veertigdagentijd. Gunstige tijd.
“Op de gunstige tijd heb Ik u verhoord, op de dag van het heil ben ik u te hulp gekomen. Nu is er die gunstige tijd, vandaag is het de dag van het heil.” (Tweede brief aan de Korintiërs 6,2).
Die gunstige tijd, dat was toen voor de eerste christenen in de havenstad Korinte, rond de jaren 70 van onze jaartelling. Nú is het de gunstige tijd voor de christenen van Antwerpen, Gent, Sint-Niklaas en … Waasmunster.
De veertigdagentijd is die gunstige tijd. Zoals de tuinliefhebbers het maar al te goed weten: het is nú de tijd om de moestuin om te spitten, om nadien te kunnen zaaien en planten. De handen van de ware tuinliefhebbers beginnen te kriebelen in de lente, zo zullen de harten van de ware christenen beginnen te kriebelen bij het begin van de veertigdagentijd.
De bekoringen blijven echter niet uit. De tuinliefhebber wordt bekoord om de ‘eerste’ en de ‘beste’ te zijn: om de beste groenten te telen, om de mooiste tuin te hebben, om de andere de loef af te steken. Vrij onschuldig is dat wel, en iedereen weet dat een beetje competitiegeest gezond is en een goede stimulans om het nog beter te doen. Zo wordt de christen ook bekoord: hij of zij kan best wat stimulans nodig hebben. Maar er is bij de doorsnee christen helaas te weinig competitiegeest, en te weinig stimulans. De bekoring neemt meestal de vorm aan van laksheid met tegelijk een mix van ongezonde kruiden: de kruidenmengeling om op te vallen en om zichzelf te eren.
Er is die bekoring van de eerzucht. Men zegt: “Wat denkt die wel van mij, dat hij het zelf doet, ik ben geen knecht!” - Of omgekeerd, er is de houding van de ‘toerist’: de toerist geeft een aalmoes , ja, uit compassie, maar zonder zijn handen echt vuil te maken . Niet goed! Want ieder moet zijn druppel water naar de zee dragen.
Er is die bekoring van de vergetelheid. Men is de andere uit het zicht verloren. Men kijkt alleen naar zichzelf , niet naar de andere. Alleen zijn eigen ikje telt: de andere is als een spiegel voor zijn ikje. Vol bewondering gaat men voor die spiegel staan en men heeft slechts aandacht voor zijn eigen ikje. Men bewondert zichzelf in die spiegel: kijk eens hoe goed ik wel ben! Maar men is de andere ‘vergeten’. Niet goed: liefhebben is het geluk van de andere echt willen, niet zichzelf op de voorgrond plaatsen.
Er is de bekoring om God te vergeten. Mensen kunnen – vooral in tijden van nood - de gebeden in tijd en aantal vermenigvuldigen, maar zonder een ogenblik plaats en tijd te gunnen aan God. Zij zoeken zichzelf op, alleen zichzelf. Kardinaal Suenens zei: wij moeten niet bidden totdat God ons verhoort, wij moeten bidden opdat wij zouden horen wat God van ons verwacht.
Nu is er die gunstige tijd, vandaag is het de dag van het heil.” Wat gezonde competitiegeest mag er wel zijn onder christenen. Christenen moeten elkaar tot het goede stimuleren. De tuin van het hart mag mooi zijn en rijke heerlijke vruchten voortbrengen.
Mangenie …
Mangenie ! Eén van die heerlijke woorden uit onze streektaal. Het betekent zoiets als ‘inbeelding’ , of een gedachte die niet met de werkelijkheid strookt. Men heeft er ook een werkwoord voor, het wordt ‘ mangeneren’: zich iets inbeelden, een verkeerde voorstelling hebben over iets of iemand anders. ‘ Mangenie’ zal dikwijls samenvallen met negatief denken. Negatief denken is verlammend, negatief denken is een oorzaak van misverstanden en een bron van geroddel en kwaadsprekerij. Wie zich iets ‘mangeneert’ over een andere zal het geluk van die andere verstoren en ten slotte zichzelf ongelukkig maken. ‘Mangenie’ is een heerlijk woord maar wijst naar een lelijke duivel.
Een vriend liep me op straat voorbij zonder iets tegen me te zeggen … Waarom? De duivel van de ‘mangenie’ doet boze gedachten in mij opkomen. “Hij loopt me voorbij omdat hij met mij niet meer wil spreken. - Waarom? - Ik ben toch zijn beste vriend! - Ik kan daar niet tegen dat een zo gezegde vriend mij voorbijloopt! - Ik zal hem zeker te min zijn! - ’t Is altijd hetzelfde: ik ben het altijd die de eerste stap moet zetten!” De duivel laat mij maar sudderen met mijn ‘mangenie’, de duivel wrijft in zijn handen, hij heeft zijn doel bereikt: ik word boos, ik word er depressief van … Ik laat mijn vriend vallen.
Een vriend liep me op straat voorbij zonder iets tegen me te zeggen … Waarom ? Ik probeer niet eerst aan mezelf te denken . Ik stel mij de vraag: “Mijn vriend zit met een probleem. Misschien is hij wel ziek? Het is zijn gewoonte niet om mij voorbij te lopen zonder iets te zeggen. Ik ben om hem bezorgd. Nee, ik mag hem niet laten vallen.” Ik kijk uit naar een nieuwe ontmoeting. Of moet ik hem eens bellen (mailen) ? Positieve gedachten zullen naar een brug zoeken. ‘Mangenie’ zou ik eerder plaatsen bij wat me noemt: ‘ontregelende gedachten’. Dat zijn gedachten die de verhoopte geluksverhoudingen verstoren.
Bij dit is een gezonde cultuur van de ziel erg belangrijk. Wij hebben allen een innerlijk leven, en wij moeten naar dat innerlijke leren luisteren. Vanuit dat innerlijke vertrekken zowel goede als lelijke gedachten. Als wij die lelijke gedachten hun gang laten gaan, dan zullen wij ook lelijke dingen gaan doen. Onze maatschappij let vooral op de lelijke dingen, dus op de buitenkant. Laten wij meer aandacht hebben voor de binnenkant. Die aandacht kan er maar zijn als wij wat ‘stilte’ toelaten in ons bestaan. ‘Stilte’ is niet alleen het tegendeel van het lawaai, maar ook het tegendeel van de haast en de drukdoenerij.
Bid of zing dan met de woorden van de heilige Augustinus,
herhaal die woorden meermaals, leer deze woorden van buiten:
Jezus, U bent het licht in ons leven:
Laat nimmer toe dat mijn duister tot mij spreekt.
Jezus, U bent het licht in ons leven:
Open mij voor uw liefde, o Heer!
Waarom zou ik niet …
Waarom zou ik niet … ik heb geld genoeg, straks is ons geld niets meer waard, waarom zou ik niet kopen wat ik wil.
Waarom zou ik niet … ik heb een onweerstaanbare behoefte aan liefde, waarom zou ik ‘het’ niet doen, nu de kans zich voordoet.
Waarom zou ik niet … ik wil hogerop, ik ben altijd al heel ambitieus geweest. Mijn collega’s in de kou? Dat is hun probleem! Ik ben toch de beste. Waarom zou ik die kans niet grijpen.
Waarom zou ik niet … (vul zelf maar in).
De mens zit vol verlangen en begeerte. Een stem roept in mij: ‘Doen!’ - ‘ Kopen!’- ‘ Gaan!’
Men denkt: ‘Ik doe toch niemand kwaad!’ Wat is daar verkeerd aan? Wat met anderen gebeurt? Dat is hun probleem.
Zo is er veel consumptie en weinig delen, veel egoïsme en weinig liefde, veel ellebogen werk en weinig solidariteit.
En de mens zal hoe dan ook zichzelf blijven verschonen: “Maar ik doe toch niemand kwaad!” Dat is immers de belangrijkste norm: de anderen niet beschadigen. Voor de rest, ik mag doen wat ik wil, niemand heeft daar zaken mee. Dat is toch geen zonde!
Hoogmoed? - Hoogmoed zorgt ervoor dat je nooit onder een bepaald prestatieniveau komt.
Woede? – Ach kom, een goede colère doet deugd, je moet stoom kunnen afblazen.
Luiheid? – Komaan zeg, luiheid is niets doen, hoe kun je nu luiheid slecht vinden.
Daar heb je al drie van de klassieke zeven hoofdzonden. De overige zijn: afgunst, hebzucht, gulzigheid en begeerte. De mens zal zijn schouders ophalen en spottend zeggen: er is geen zonde zolang is de andere geen schade berokken. Wreedheid en overspel , ja dat zijn grote zonden! Die misdaden moeten streng bestraft worden.
De mens is echter vergeten dat wreedheid het gevolg is van uit de hand gelopen woede en overspel het gevolg van niet gecontroleerde begeerte. Woede en begeerte staan aan het begin van een misdaad. Woede en begeerte komen uit het hart dat pervers is. Het hart, de innerlijke mens zal woede en begeerte uit zijn hart moeten weren.
Waarom zou ik niet … alleen de gezonde innerlijke waarneming kan deze vraag beteugelen.
Er is een gezonde innerlijke waarneming nodig om gezond en gelukkig te leven. Deze innerlijke waarneming betekent aandachtig leven: hoe ga ik met andere mensen om? Hoe ga ik met mezelf om? Hoe ga ik met de dingen om? Men moet zichzelf goed leren kennen hoe men echt ‘van binnen’ is. Wat van buiten te voorschijn komt is het gevolg van de binnenkant. De binnenkant moet mooi zijn. Jezus zei: “Wat de mond uitgaat, komt uit het hart, en dat verontreinigt de mens. Want uit het hart komen slechte gedachten, moord, overspel, ontucht, diefstal, valse getuigenissen en laster. Dat zijn de dingen die de mens onrein maken; niet met ongewassen handen eten maakt de mens niet onrein.” (Matteüs 15,19-20).
Een diepgaand gesprek kan helpen om gezond en gelukkig te leren leven met zichzelf, met de andere en met de dingen. Een diepgaand gesprek is een hulp om een goeie kijk te verwerven op zijn ‘innerlijke”, op zijn hart. Een diepgaand gesprek is de vrucht van oprecht vertrouwen en liefde, een liefde die steeds zal toenemen: gesprek tussen man en vrouw, gesprek tussen ouders en kinderen, gesprek tussen broer en zus, gesprek met ware vrienden, gesprek met de Heer.
(Lees daarover meer in: Gelukslessen van een abt. De benedictijnse weg naar een goed leven. Door: Christopher Jamison. Uitg.Lannoo)
In het postkantoor …
Donderdagnamiddag in het postkantoor. Enkele mensen stonden in de rij te wachten op hun beurt. Er was maar één loket open. Achter het glas luisterde de postmeesteres met veel geduld en aandacht naar de vragen van een onbekende klant. Het was een lange uitleg, met vragen en antwoorden. De klant had duidelijk problemen. Ik voelde ongeduld in mij opkomen en vroeg mij af waarom er nu maar één loket open was… De volgende klant! Eindelijk. Toen bood een dame mij heel vriendelijk aan om voor haar te gaan staan, en ik, aangespoord door het voorbeeld van die eerste dame, bood toen zelf mijn beurt aan een andere, zichtbaar meer ‘gehaaste’ dame aan. Wij begonnen dan maar wat te babbelen en grapjes te vertellen. Een heer kwam ook binnen en glimlachte beleefd naar iedereen: hij luisterde mee naar onze grapjes en deed er zelfs een schepje bij. Toen kwamen wij aan de beurt, de postmeesteres achter het glas lachte ons toe …
‘Verloren tijd!’ Zo schreeuwt het ongeduld in mij. ‘Gewonnen tijd’, zo fluistert de dankbaarheid mij in. De ongeduldige verlaat het postkantoor met een grijns van ergernis op het gezicht. De dankbare verlaat het postkantoor met een deugddoende glimlach. Wat dan verder gebeurt is het domein van de verbeelding. Misschien zal de ongeduldige de straat vlug overlopen, de auto in één oogwenk doen starten, snel optrekken, ongeduldig op het stuur met de vingeren trommelen want het licht staat op rood, sakkeren op de auto die veel te traag optrekt, zo dicht mogelijk ‘ tegen zijn gat rijden’ om hem (of haar) aan te porren om sneller te rijden, eindelijk thuis komen … sakkeren omdat die of die nog niet thuis is en nogmaals sakkeren tegen hij of zij die wel thuis is omdat dit en dat, en het gindse, nog niet gebeurd is . Sakkeren omdat de oven nog niet aanstaat, sakkeren omdat de pc zo traag werkt … De dankbare daarentegen gaat rustig de straat over, nog genietend van het laatste grapje, wandelt naar huis en merkt voor het eerst dat de vogels de lente aankondigen… De eerste, de ongeduldige zal aan jan en alleman zeggen: ‘Ik heb geen tijd. Ik ben zoveel te doen!’ En over die andere, de dankbare, zegt iedereen: ‘Waar vindt hij (zij) de tijd om zoveel te doen?’
Schenk leven aan de tijd.
Dikwijls – meestal – doen de mensen het net andersom: zij haasten zich om tijd te schenken aan het leven. Alles moet vlug gebeuren, om geen tijd te verliezen. Elke seconde is immers zo kostbaar. Elk ogenblik van wachten moet altijd opgevuld worden. Andere mensen doen het net andersom: zij schenken leven aan de tijd die hun gegeven is. Daar lukken zij in, omdat zij geloven dat elke nieuwe dag een geschenk is. Want geen mens is in staat op eigen krachten meer tijd te schenken aan het leven. Omgekeerd kan wel, een vrije mens kan meer leven schenken aan de tijd. Zij bepalen zelf de kwaliteit van de geschonken tijd. Maar waarom rennen de meeste mensen achter de tijd aan, hun eigen schaduw zullen zij toch nooit kunnen inhalen! Het is toch een illusie om te geloven dat het geluk afhangt van de hoeveelheid seconden die wij kunnen inhalen: hoe meer tijd, hoe meer geluk! Vergeet het maar.
Waarom hebben mensen zo’n haast? Waarom zoveel ongeduld? Ik denk dat het samenhangt met het geluk. Men is haastig omdat men op dit ogenblik geen geluk ervaart, omdat men verwacht dat men later wel gelukkiger zal zijn. Men voelt zich niet goed in zijn vel, en daarom wordt men haastig en ongeduldig. Het kan wel anders: niet langer achter de tijd hollen, maar tijd nemen om te leven, en zich niet langer laten insluiten door een spiraal van ongeduld. Wat mij betreft, naar de mis gaan, bidden … daar is inderdaad niets te beleven, en toch is het niet zomaar verloren tijd.
De dood slaat toe.
Het jaar 2010 is noodlottig begonnen. Er waren natuurrampen op vele plaatsen in de wereld, daarenboven oorlogsgeweld en de haast dagelijkse terreuraanslagen, en in eigen land ongelukken en brutale moorden. Het raakte mij persoonlijk bij de onverklaarbare dood van een meisje van 22 en van een jonge vrouw van 37. Velen onder ons zijn eveneens persoonlijk geraakt door het verlies van een dierbare. Noodlot?
Soms zijn er inderdaad geen woorden voor. Wij staan er sprakeloos bij. Onhandig, ontheemd.
Ik voel deze vervreemding steeds pijnlijk aan bij uitvaarten, vooral bij een uitvaart van een jonge mens. Woorden klinken hol, gebeden zo wezenloos, evangelieverhalen zo sprookjesachtig. Allen staan wij voor een mysterie dat ons overstijgt en waarover wij niets weten. Als gelovige kunnen wij slechts hopen en geloven dat de Heer ons iets nieuw zal voorstellen waar wij zullen tot voltooiing brengen wat hier in dit leven reeds begonnen is.
Zeg niet dat het Gods wil is. De dood is nooit Gods wil, nooit of te nooit een verdiende lot of straf. De dood overvalt eenieder, soms vroeg, soms laat, in de stilte van een ziekenkamer of bij een gewelddadig gebeuren, zoals de vele terreuraanslagen laten zien. De dood overvalt altijd, dat is ons tragisch lot.
Noodlot of bestemming.
Wat kan mijn geloof mij dan schenken? Geen garantie op een lang en gelukkig leven hier op aarde. Wel een ‘ziel’, een bestemming, een perspectief op een voltooiing. Het geloof leert ons het leven te aanvaarden als een geschenk, een cadeau. Het geloof weerhoudt ons van een noodlottig denken, van fatalisme. Een fatalist ondergaat het leven als een lot, en als het verkeerd afloopt, als een noodlot (in het Latijn: fatum ). Er is niets erger dan een noodlot: totaal zinloos, leegte. Het lot, dat ondergaat men. Geloven echter niet, daar kiest men voor. Geloven in een bestemming, dat klinkt helemaal anders dan lot, noodlot of straf. Wie in zijn bestemming gelooft, die leeft ernaar. Een bestemming wordt vervuld. De bestemming is altijd persoonlijk, de Heer nodigt ieder mens om zijn eigen bestemming te vervullen . Eigenaardig genoeg, maar het geloof in mijn bestemming, in mijn eigen ‘ziel’, dat precies geeft kleur en zin aan mijn aards bestaan. Het geloof in mijn eigen bestemming richt mij op wat écht belangrijk is, op wat ik wél kan meenemen in het uur van de dood.
Goede Week.
Wij zullen in de kerk samenkomen om het tragische lot van Jezus te herdenken. Voor een fatalist is zijn afgebroken jong leven inderdaad een noodlottig gebeuren geweest. En dezelfde fatalist zal dan met enig genoegen de pijn en het onverdiende lijden des te meer in de verf zetten. Laten wij echter Goede Vrijdag niet als een noodlot beleven, maar als de kruisweg naar de uiteindelijke bestemming. De Bijbel spreekt over de ‘gehoorzaamheid’ van de lijdende dienaar. Dat is geen blinde gehoorzaamheid aan een noodlot, maar de vrijwillige gehoorzaamheid om de weg gaan naar de eeuwige bestemming. Ieder jaar grijpt mij de oude hymne mij naar de keel: Christus factus est pro nobis obediens usque ad morten, morten autem crucis.” (Christus is gehoorzaam geworden tot de dood, de dood op het kruis – Brief aan Filippenzen 2,8).
De vieringen tijdens de Goede Week zijn zo beklijvend omdat wij daar samen beleven dat het lijden en de dood van de Dienaar Jezus veel meer zijn dan het herdenken van een noodlottig gebeuren. Ecce lignus crucis, in quo salus mundi pependit! (Zie het kruishout waaraan het heil van de wereld heeft gehangen). Zo vertaalde ooit dominee J.L.Klink de bestemming of de ‘ziel’ van Jezus:
Hij hielp de zieken met zijn kracht.
Als hij geslagen werd sloeg hij niet terug.
Het meest werd hij gezien bij mensen die veel kwaad hadden gedaan.
Als ze veroordeeld werden, pleitte hij voor hen.
Zelfs heeft hij gezegd:
‘Laat mij dan maar voor hen sterven als ze schuldig zijn. Ik neem het wel op me.’
En zo gebeurde het dat Hij het was die ter dood werd veroordeeld.
En de anderen gingen vrijuit.
Was dat nu de weg van koningszoon? Zelfs zijn mantel namen ze hem nog af.
Nu was hij de minste van de mensen geworden.
Pas na zijn dood hebben enkele mensen begrepen wie hij was.
Iemand wiens liefde zo groot was dat hij zijn leven weggaf voor slechte mensen !
Et ging hun een licht op.
‘Dit moet de Zoon zijn van de Koning der koningen!’
En hij kreeg een naam boven alle namen:
‘Christus, de Zoon van God.’
Goede Vrijdag – Een Goede Dood.
Goede Vrijdag, een goede dood: het opschrift is aanstootgevend, geen enkele dood immers is goed, ook niet de herdenking van de kruisdood van Jezus op de dag die wij in onze taal ‘Goede Vrijdag’ noemen. Goede Vrijdag is sinds oudsher een dag van boete en rouw. De staties van de kruisweg zijn een gruwelijke opgang naar een nog gruwelijkere dood. De gedichten over de lijdende dienaar (uit Jesaja), het passieverhaal volgens het Johannesevangelie, de kruishulde: wat wij op die dag in de kerken herdenken is echt afschuwelijk. Toch spreken wij van ‘Goede’ Vrijdag, zoals men vroeger ook sprak van een goede dood.
Soms lees ik bij een uitvaartdienst uit een bezinningsboekje geschreven door wijlen Henri Nouwen, een Nederlandse priester. De geestelijke schrijver verbindt in zijn bezinning over de dood ook het woordje ‘goed’ aan de dood. Hij schrijft: We gaan allemaal dood. Dat is een van de weinige dingen waar we zeker van zijn. Zullen we op een goede manier sterven? Dat is minder zeker. Goed sterven betekent dat we sterven voor anderen, ons leven vruchtbaar maken voor degenen die achterblijven. Vraag je dus niet af: ’Wat kan ik doen in de jaren die mij nog resten? ’ maar: ‘Hoe kan ik mij zo voorbereiden op mijn dood, dat mijn leven vruchtbaar kan blijven voor de generaties die na mij komen?’ – Jezus stierf op een goede manier omdat Hij daarbij zijn Geest van liefde schonk aan zijn vrienden. Die konden er in hun verdere leven beter tegen omdat de heilige Geest in hen was. Kunnen wij de Geest van liefde ook bij onze vrienden achterlaten als wij sterven? Of zijn we meer bezig met wat wij nog tot stand kunnen brengen? Sterven kan het mooiste worden wat we geven, als we ons voorbereiden om goed te sterven.
De gedachte om op een ‘goede’ manier te sterven neemt de pijn van het sterven geenszins weg. Het sterven komt wel in een ander perspectief te staan. ’t Is te zien hoe men het bekijkt, zeggen de mensen. Inderdaad. Voor de dood zijn allen gelijk, maar hoe iemand zijn heengaan zal beleven kan heel verschillend zijn. Op Goede Vrijdag herdenken de christenen hoe Jezus is gestorven voor de zonden. Hij heeft zijn Geest gegeven, iedere gedoopte leeft vanuit zijn Geest. Het sterven van een christen zal dan ook een sterven zijn om anderen te redden. Het is zoals Henri Nouwen schrijft: Goed sterven betekent dat we sterven voor anderen, ons leven vruchtbaar maken voor degenen die achterblijven. Die gedachte is voor velen in hun laatste strijd een echte troost en sterkte. Het kruisbeeld is niet langer een herinnering aan een afschuwelijke terechtstelling, maar een levend houvast op weg naar onze eindbestemming.
Goede Vrijdag is de nederdaling naar de diepste diepte, maar tegelijk de verheffing op Calvarie. Want door zijn striemen zijn wij gered. Daarvan getuigen de evangelieverhalen. De morgen van Pasen volgt op de verduistering van die ‘goede’ vrijdag.
Veel mensen zeggen: ‘Ik ben niet bang voor de dood,maar wel voor doodgaan.’ Dat is begrijpelijk, want sterven gaat vaak gepaard met ziekte en pijn, afhankelijkheid en eenzaamheid. Angst om te sterven is niet iets om je voor te schamen. Het is een heel menselijke angst. Jezus voelde die angst ook. Hij werd doodsbang, ‘zijn zweet viel als bloeddruppels op de grond’ (Lucas 22,44). Hoe moeten we omgaan met onze angst voor de dood? Net als Jezus moeten we bidden om bijzondere kracht, zodat we deze grote overstap naar nieuw leven kunnen maken. Dan zal God ons een engel sturen om ons te troosten, zoals god ook Jezus een engel zond. (Henri Nouwen)