Als het over vasten gaat, gaat het vaak over iets extra’s. Iets wat eigenlijk niet nodig schijnt te zijn, en waarop we daarom trots kunnen zijn. Het is iets wat vasten tot iets uiterlijks maakt, iets waar Jezus ons voor waarschuwt. Dat is niet de enige reden waarom het ouderwetse vasten als een godsdienstige praktijk een beetje uit de mode is geraakt. Overal om ons heen wordt gevast. Vooral in een land als de Verenig Staten bepaalt het zich onthouden van bepaalde soorten voedsel met het oog op gezondheid, sportprestaties, lichaamslijn en prestige praktisch het hele leven van vele mensen.
Om allerhande redenen wordt het lichaam geweld aange-daan. De redenen waarom men dat vroeger deed worden vaak beter doorzien en de vastenpraktijken van sommige heiligen worden nu eerder gezien als afwijkingen dan als gezonde uitingen van devotie.
Aan wie was men in die gevallen eigenlijk toegewijd? In ons land spitste de discussie rond dit alles zich toe rond het boek Innerlijk leven van professor Grossouw. In mijn seminarietijd mochten we dat boek alleen maar tot de zesde druk gebruiken. Dat was de druk waarin hij ‘vasten’ en ‘versterving’ op de helling begon te zetten. Het is daarom goed onze aandacht te richten op de tekst van Paulus die op Aswoensdag gelezen wordt. In die tekst noemt Paulus zich een cowerker van Jezus Christus, en worden ook wij aangespoord onszelf zo te zien. Het gaat dan om werk.
Dat ‘werk’ als vasten gezien kan worden is niet nieuw. De ouderen onder ons kunnen zich nog wel herinneren hoe ‘zwaar werk’ ons tijdens de vasten kon ontslaan van de voedselbeperkingen die we opgelegd kregen. Het gaat niet om werk zonder meer. Het gaat om ‘waarom’ en ‘hoe’ we werken.
In een recent onderzoek in de Verenigde Staten werd studenten in de rechten gevraagd waarom ze die keuze voor dat vak hadden gemaakt. Een hoog percentage gaf aan dat geld de drijfveer was, anderen noemden prestige en invloed, dertig procent antwoordde dat ze voor het vak rechten hadden gekozen, omdat ze geïnteresseerd waren in een rechtvaardiger wereld. Het is in dat laatste geval dat we in ‘werk’ hetzelfde soort van ascetisme aantreffen dat we in het leven van Jezus kunnen terugvinden. Het is een aspect dat vooral de laatste jaren benadrukt is in verschillende pauselijke documenten. We werken natuurlijk voor ons levensonderhoud, en het is - voor hen die zoiets graag bevestigd zien -volgens Johannes Paulus II juist dat we daarbij ook op de kwaliteit van ons leven letten.
Dat is niet alles. We staan voor meer dan alleen maar dat. Zelfs voor meer dan het meewerken aan het verwerkelijken van een behoorlijk levensbestaan - kwantitatief en kwalitatief - voor anderen. We werken voor de realisatie van het rijk van God hier op aarde. Hierin doet de mogelijkheid zich voor om al wat wij beroepshalve of vrijwillig aan werk verrichten - werk dat altijd zijn harde kanten heeft - te zien in het licht van Paulus’ idee van een co-werker van Jezus Christus. Als we de zwaarte van ons werk en bestaan dragen in vereniging met Jezus Christus, die aan de bevrijding en geboorte van die nieuwe aarde en hemel onder ons werkte, dan krijgt ons werken een uiteindelijke zin.
Het krijgt die uiteindelijke zin, omdat we op het einde van de vasten Pasen vieren. Het is immers met Pasen dat we vieren dat wat hij onder ons bewerkte niet verloren ging en nooit verloren gaat. Het is op die manier dat ‘vasten’ ons inderdaad naar Pasen voert.