Homilie op de 5e zondag in de Veertigdagentijd: “Een schone lei” (Jo. 8, 1-11)
Tielt, 17 maart 2013
Vind je ook niet dat wij allemaal zo gauw en zo gemakkelijk mensen vastpinnen op hun verleden, niet zozeer op het goede dat ze gedaan hebben maar op wat ze fout deden, op de zwakste plekken in hun doen en laten: één maal dief, altijd dief; één maal leugenaar, nooit te betrouwen in wat hij of zij zegt… Ook in de kleine wereld van het gezin worden partners en kinderen zo vlug voor altijd geklasseerd: een misstap van een partner wordt hem of haar na jaren nog verweten; een stommiteit van een kind of puber wordt hem of haar na jaren nog onder de neus gewreven. Het heeft me onlangs getroffen toen ik het interview hoorde van de jongen die enkele maanden geleden zonder reden in Nederland een man in elkaar geslagen had. Hij zei, nochtans met oprechte spijt: “Dat kan ik nooit meer goed maken en het zal de rest van mijn dagen tekenen.”
Wij hebben nogal wat spelregels om iemand buiten spel te zetten: zowel geschreven als ongeschreven spelregels.
Geschreven spelregels zijn wetten en voorschriften. Wie zich daaraan niet houdt wordt buiten spel gezet, krijgt een bekeuring, raakt zijn rijbewijs kwijt, komt in de gevangenis of wordt geïsoleerd in de familie.
Ongeschreven regels zijn vaak veel subtieler. De slachtoffers ervan zijn meestal mensen die wij wat beter kennen, met wie wij zelfs langere tijd een vriendschappelijke relatie hadden. Maar ze hebben iets gedaan of gezegd waarvoor we geen begrip kunnen opbrengen. En dan zeggen wij: die komt bij mij niet meer binnen; ik laat me geen tweede keer beetnemen; die heeft voor altijd bij mij afgedaan.
Buiten spel. Dat zijn onze spelregels. Je kunt er een aantal in twijfel trekken. Maar waar we in ieder geval een vraagteken bij moeten zetten is het onherroepelijke.
Dat doen kinderen niet. Wel kunnen ze ruzie maken, elkaar uitschelden, soms zelfs op de vuist gaan, maar enkele minuten later spelen ze weer met elkaar; alsof er niets gebeurd is.
Dat is zo tegengesteld aan wat de Schriftgeleerden en farizeeën in het evangelie deden. Ze hadden een vrouw bij zich die op overspel was betrapt en ze zijn benieuwd wat die populaire jonge rabbi uit Nazareth daarvan zal zeggen.
“Meester, zeggen ze vleiend, deze vrouw is op heterdaad betrapt terwijl ze overspel bedreef. Nu heeft Mozes ons in de wet bevolen zulke vrouwen te stenigen. Maar Gij, wat zegt Gij daarvan?” Ze proberen Hem daarmee in de val te lokken. Zegt Hij: “Laat die vrouw stenigen”, dan krijgt zijn populariteit van vergevensgezinde mensenvriend een flinke deuk. Zegt Hij: “nee, niet stenigen”, dan is Hij ontrouw aan de wet van Mozes en dat zullen de mensen Hem niet in dank afnemen. Hun vraag is dus in feite een strikvraag.
Af en toe maken wij dat ook mee en willen mensen ons verleiden om met de wet in de hand een duidelijk oordeel te vellen over iemand die in de fout ging. Ik heb zo jaren geleden een meisje gekend dat tijdens een inleefreis in Congo een seksueel avontuurtje gehad had met een Congolees die drager was van het H.I.V.-virus. Ze had er een aidsbesmetting van over gehouden en is een paar jaar later aan aids gestorven. Durf je daar het etiket op plakken van “immanente rechtvaardigheid”? Nochtans deden vele mensen dat en zeiden: “Het is haar schuld!” En sommigen stelden me de vraag, zoals de Schriftgeleerden in het evangelie: “Wat denk jij daarvan?” Wat ik zeker weet is dat Jezus, net als in het evangelie van vandaag, niet zou geantwoord hebben maar zonder woorden in het zand zou geschreven hebben.
Niet om goed te keuren wat dat meisje in Congo meegemaakt had, maar om duidelijk te maken dat je niet alleen de letters van de wet moet kennen, maar ook de geestelijke betekenis ervan.
Jezus kent de wet ook, maar Hij kent eveneens de profeten. De profeten komen altijd op voor de geest van de wet en zetten de wet in het juiste perspectief, altijd ondergeschikt aan het grote gebod van de liefde en steeds weer gericht op het leven van de mens, niet op zijn ondergang. Want een mens veroordelen, afbreken, dat is geen kunst. Maar een mens opbouwen, het betere in hem naar boven halen, het goede in hem versterken, dat is het wat God doet. Dat is het wat Jezus deed in het evangelie.
Hij kwam daarbij met een verrassende interventie, een ontwapenend antwoord, namelijk: “Laat diegene die zonder zonde is, de eerste steen op haar werpen.” En dan laten ze de stenen uit hun hand glijden en druipen ze af, de oudsten het eerst. Ze lieten de vrouw met rust en gaan heen.
De rest van het verhaal kennen we. Jezus zegt tot de vrouw: “Waar zijn ze gebleven? Heeft niemand u veroordeeld?” Zij antwoordde: “Niemand, Heer”. En dan Jezus weer: “Ook ik veroordeel u niet. Ga heen en zondig niet meer.” Zij krijgt een schone lei, met een nieuwe toekomst voor zich.
Toch blijf ik nieuwsgierig naar wat Jezus op de grond schreef. Was dat misschien iets uit het boek van Jesaja, dat we in de eerste lezing hoorden, namelijk: “Denk niet meer aan het verleden en sla geen acht op wat voorbij is… Ik onderneem iets nieuws.”
Zo doet God met de mensen. Zo doet Jezus. Zouden ook wij dat kunnen?
Gabriël Buyse, pastoor-deken em. Tielt
Homilie op Pasen 2013: De kracht van een bloem (Flower-power)
Tielt, 31 maart 2013
Het gebeurde in 1967. Een grote vredesmanifestatie in Washington tegen de oorlog in Vietnam. Een groep jonge manifestanten stond plots tegenover soldaten met de bajonet op het geweer. Onder hen een jong meisje van 17. Jan Rose Kasmir, een echte hippie uit een rijk gezin in de beste Joodse traditie. Ze keek naar die jonge soldaten, amper iets ouder dan zijzelf, die daar zo vastberaden stonden. Ze had nog nooit bajonetten gezien, evenmin als grimmige en tot doden toe bereide jongens van haar leeftijd. Het Joodse meisje wist niet wat ze doen moest. Ze plukte een bloem en ging naar hen toe. Er gebeurde niets. De jonge soldaten bleven even roerloos voor zich uitstaren. Dat een fotograaf dat tafereel heeft vastgelegd, heeft ze pas 12 jaar later vernomen. Toevallig.
Die foto van dat meisje dat naar die grimmige soldaten ging met die simpele bloem in de hand, is wereldberoemd geworden: symbool van de contestatie in de flower-powergeneratie.
Die norse moordende soldaten moesten hun gevoelens verbergen achter een masker van ongenaakbaarheid. Ze roepen in mijn het beeld op van Jezus’ graf, bedekt met een grote steen, te zwaar om door mensenhanden weggerold te worden.
Die grafsteen, die niet rollen kan, staat voor het huis van vele mensen.
Op zo een grafsteen kun je lezen: onverschilligheid. Erachter hebben zich mensen ingegraven die zich om niets of niemand bekommeren. Ze hebben het goed, zwemmen in de weelde en zeggen of denken: “Après nous le déluge (laat na ons de zondvloed maar komen)!” Hun lijfspreuk is: “Elk voor zich!” en “Je hoeft je de miserie van anderen niet aan te trekken!”
Achter andere grafstenen wonen moedeloze mensen: ontgoocheld door de tegenslagen in hun beroep of in hun zaken, of verbitterd omdat hun mooie verwachtingen over hun huwelijk, hun kinderen of kleinkinderen niet ingelost werden.
Vele mensen in ons midden verbergen achter een lachend masker hun ziekte, depressie, verdriet of eenzaamheid. Hun verhaal is dat van die zenuwzieke man, aan wie de psychiater zei: “Het is vanavond circus. Je moet er eens goed lachen met die fameuze clown!” Waarop de depressieve man antwoordde: “Dokter, die clown, dat ben ik!”
Allemaal grafstenen waarop je schrijven kunt: Verleden zonder toekomst! Allemaal stenen waarin je schijnbaar geen beweging krijgt, maar die loodzwaar wegen op het hart van vele mensen.
Daaraan dacht ik bij het bekijken van die bajonetten op de geweren van die roerloze soldaten op die beroemde foto van 1967.
Maar op Pasen moet je vooral kijken naar dat Joodse meisje, dat naar die gruwelijke soldaten toeging met een bloem in de hand: symbool van het geloof en het vertrouwen dat ontgoocheling of verbittering niet het laatste woord heeft, evenmin als depressie, verdriet of eenzaamheid. Symbool van het geloof in het open graf, waarvan de steen op Pasen werd weggerold, van de boodschap van Jezus’ verrijzenis. Wantrouwen kan omslaan in vriendschap, wanhoop in hoop. Bedroefde, depressieve, verbitterde en ontgoochelde mensen kunnen weer hartelijk lachen. Op Pasen horen we de bevrijdende boodschap: de steen is weggerold! De dood is nooit het laatste!
Op voorwaarde dat je gelooft in de kracht van de verrezen Heer, die de loodzware steen op je hart of de grafsteen voor je huis wegrolt. Op voorwaarde dat je zelf weer leert kijken met verrijzenisogen, dat je de ontmoedigde mensen bemoedigt met verrijzeniswoorden en verrijzenisdaden. Op voorwaarde dat je weer gelooft in een nieuwe toekomst voor jezelf en voor elkeen, in het verhaal van dood naar leven, van haat naar liefde, van angst naar hoop. Op voorwaarde dat je, net als dat zeventienjarige Joodse meisje in 1967, naar de verzuurde mensen gaat met een simpele bloem in de hand.
Pasen: het feest van de flower-power, wat, letterlijk vertaald, betekent: de kracht van een bloem. Pasen, net als de bloem in de hand van dat Joodse meisje bij die grimmige soldaten, de start van een nieuwe flower-powergeneratie, het begin van een bevrijdende contestatiebeweging in onze harde en soms meedogenloze maatschappij.
Ik wens elkeen van harte een bloemig Paasfeest.
Gabriël Buyse, pastoor-deken em. Tielt