Homilie op de 3e zondag in de Veertigdagentijd: “Geloof in beterschap”
(Ex. 3, 1-8a.13.15 en Lc. 13, 1-9)
Tielt, 3 maart 2013
De liturgie herinnert ons aan de grote verhalen uit het verleden. Maar het gaat niet om vroeger. Het gaat veeleer om nu en om een betere toekomst.
Luister maar naar wat we hoorden in de eerste lezing uit het oudtestamentische Boek Exodus. Vanuit de brandende doornstruik riep God tot Mozes: “Ik heb de ellende van mijn volk in Egypte gezien, de jammerklachten van zijn onderdrukkers gehoord; ja, ik ken zijn lijden. Ik kom af om mijn volk te bevrijden uit de macht van Egypte.”
Er is nog steeds slavernij, anders dan lang geleden, maar nog steeds in vele continenten mensonterend, mensonwaardig. En hoeveel mensen zijn verslaafd aan de welvaart, gaan gebukt onder luxeproblemen als de beurscrash van de laatste jaren. Mensen zijn verslaafd aan hun werk, aan de T.V., aan drank of drugs. Of aan de auto: ze maken zich druk omdat er door de nieuwe aanleg van een stadscentrum enkele parkeerplaatsen minder zullen zijn. En hoeveel mensen worden niet klein gemaakt en zijn gebonden door armoede, honger, ziekte, werkloosheid of tegenslagen in hun bedrijf! Ook nu nog zou God mogen zeggen wat Hij zei aan Mozes vanuit de brandende doornstruik: “Ik daal af om mijn volk te bevrijden: het verwaarloosde of geminachte kind uit de greep van zijn ongemotiveerde ouders of opvoeders, het kind dat door pedofielen seksueel wordt misbruikt, de eenzame bejaarde uit zijn geïsoleerd bestaan, de politieke gevangene uit zijn cel, de laagstbetaalde uit zijn sociaal verdomhoekje. Ik daal af om de chauffeur, die in zijn verstrooidheid of uit onvoorzichtigheid, - ik weet het niet! – een kind doodreed, te bevrijden uit zijn schuldgevoelens waardoor hij hele nachten wakker ligt. Ik daal af om de aidspatiënten menswaardige dagen te geven, zolang ze nog te leven hebben; om het strafblad van dieven of misdadigers om te draaien en ze nieuwe kansen te geven.” Daarom zend ik jou. Straffe taal, die velen niet graag horen! De Clarissen van Malonne hebben het ondervonden toen ze aan Michelle Martin onderdak gaven.
Begrijpelijk! Want wie ben ik om te denken dat ik de wereld ga bekeren of veranderen? Wie zijn wij dat we de voorlopers kunnen zijn van een nieuwe wereld? En toch wordt het ons gevraagd. Misschien te veel gevraagd? Te hoog gegrepen!
Daarom vertelt Jezus ons vandaag over een vijgenboom die al drie jaar niets oplevert, even dor als een doornstruik in de woestijn. De eigenaar, die toevallig eens langs komt, zegt: “Omhakken die boom!” Dat zeggen vele mensen: “Schoonschip maken! De gevangenis in voor de rest van hun dagen en de pedofielen chemisch castreren!”
Die harde taal horen we niet in het evangelie van vandaag. Integendeel! De knecht, die al jaren werkt in de wijngaard, vraagt om uitstel. “Laat me die onvruchtbare vijgenboom nog een kans geven. Laat me het nog een jaar proberen. Ik wil de grond nog eens omspitten, extra bemesten. Misschien draagt hij volgend jaar wel vrucht.”
Degenen die de baas zijn, hoger zijn geklommen, af en toe eens langs komen, hebben heel vaak een snel oordeel, een duidelijke mening en weten hoe het moet. Misschien bezondigen de hogere bevoegde instanties in de Kerk zich ook soms daaraan. Ze weten goed hoe het moet: “Nooit echtscheiding, nooit abortus of euthanasie en geen condooms voor de ontwikkelingslanden!” Maar de dokter naast het sterfbed, de verpleegkundige op de werkvloer, dicht bij de patiënt, de missionaris iedere dag werkzaam tussen aidspatiënten, zij die dicht bij de mensen staan, weten dat het leven soms veel te ingewikkeld is om het allemaal zo duidelijk te stellen en meteen te weten. Dat ervaren ook de ouders van een lastige en onhandelbare puber met wie geen huis te bezeilen valt, de leerkrachten van een leerling die een hele klas verpest en naar de vaantjes helpt, de collega van een man of vrouw met wie niet samen te werken valt. Omhakken is gauw gezegd, een oordeel snel geveld.
De eigenaar had misschien groot gelijk en de bevoegde instanties moeten een helder standpunt innemen. Maar God is geen instantie die van bovenaf oordeelt. Hij lijkt meer op de knecht die geduld heeft met die dorre vijgenboom. Hij lijkt meer op die wijze dokter bij een terminaal zieke patiënt, die lieve verpleegster op de werkvloer, die missionaris die dicht bij de mensen staat, die vader of moeder, die leerkracht of opvoeder die dicht bij die jongen of dat meisje staat, de aalmoezenier van de gevangenis die elke dag tussen de gevangenen leeft en hun verhaal kent. Zij doen meestal wat God van hen vraagt: met geduld en mededogen met hen omgaan en ze nieuwe kansen geven.
Best ook voor elkeen van ons dat mensen ons nieuwe kansen willen geven!
Wie de botte bijl hanteert, maakt veel kapot. Wie geduld oefent, wie blijft geloven in beterschap, ziet soms onverwacht vruchten groeien. Niet nu meteen, maar volgend jaar misschien…
Maar de hoop, zo schreef de Franse schrijver Charles Péguy, blijft de moeilijkste deugd: moeilijker dan het geloof, minder evident dan de liefde!
Gabriël Buyse, pastoor-deken em. Tielt