Lucas ziet het hele leven van Jezus als een lange tocht. Hij is ergens op weg naar toe. Al heel vroeg in zijn evangelie aanvaardt Jezus vastberaden de reis naar Jeruzalem (9,51). Die tocht van Jezus is als een draad waaraan Lucas de rest van de gebeurtenissen met hem, en de verhalen over hem, een voor een rijgt. Bijna alles gebeurt terwijl hij onderweg is. Dat geldt niet alleen voor Jezus zelf. De anderen zijn ook steeds op weg. Maria haast zich naar Elisabeth, de herders komen naar Betlehem, Jozef en Maria gaan van Jeruzalem naar huis zonder Jezus.
Zelfs na de verrijzenis houdt Lucas aan hetzelfde reispatroon vast. Jezus loopt met twee van zijn volgelingen, waarschijnlijk Kleopas en diens niet met name genoemde echtgenote, naar hun huis in Emmaüs. Op het einde van hun dag lopen ze samen met Jezus naar hun huis, weg uit de verwarring en teleurstelling, uit het verdriet en de twijfel. Hij verwarmt hun harten en verlicht hun geesten, zonder dat ze hem zelfs herkennen, tot op het ogenblik dat hij hun brood met hen breekt.
Licht, op het einde van een dag dat alles voorbij scheen te zijn. En dan zijn ook die twee onmiddellijk weer op weg terug naar Jeruzalem - ondanks de gevaren van zo’n tocht -om de anderen te laten weten wat hun overkomen is, en om samen in de grotere gemeenschap opnieuw de aanwezigheid van Christus, zijn belofte en zijn opdracht te beleven. Voor Lucas moet dat Emmaüs-verhaal de norm geweest zijn voor ieder volgen van Jezus. Drie keer noemt Lucas in zijn evangelie wat Jezus ons naliet: ‘de Weg’ (Hand. 9,2; 19,9.23).
Hij vertelt hoe Jezus, voordat hij deze aarde verliet, hun opdracht gaf naar de uiteinden van de wereld te reizen. Iets wat Lucas zelf dan ook deed. Hij bereisde zijn hele wereld van Macedonië tot Syrië, Palestina, Malta, en op het eind zelfs Italië. Zijn boek Handelingen van de apostelen verhaalt hoe de anderen dat deden. Het is één lang verhaal over de apostolische reizen van Petrus, Paulus en zoveel anderen. Hij beschrijft hoe het goede nieuws van de moedergemeente in Jeruzalem reisde naar Judea en Samaria, naar Damascus, Fenicië, Cyprus, en de Romeinse provincies van Cilicië, Galatië, Azië, Achaje, Macedonië en uiteindelijk Rome zelf, ‘het einde van de aarde'.
Ook het evangelie van vandaag gaat eigenlijk over die tocht. Jezus nam Petrus, Johannes en Jakobus met zich mee de berg Tabor op om er te bidden. Jezus begon te bidden, Mozes en Elia verschenen en hij begon te schitteren en stralen, terwijl hij met die twee voorgangers zijn ‘heengaan dat hij in Jeruzalem zou voltrekken’ besprak. Het woord dat Lucas gebruikt voor dat ‘heengaan’ is het Griekse woord exodos. De uittocht vanuit deze wereld naar een nieuwe wereld, vanuit het oude naar het nieuwe, vanuit het verziekte naar het genezene, vanuit het donker naar het licht. De uittocht waarbij al zijn leerlingen uitgenodigd zouden worden. Een exodus die zal leiden tot de glorie, die ze op de berg van binnen in hem plotseling zagen uitstralen.
Dat licht was nodig om de tocht met hem mogelijk te maken. Je loopt nooit het donker in zonder de hoop op weg te zijn naar licht. Niemand waagt zich in een tunnel zonder de zekerheid van licht aan het einde van die tunnel. Afrikaanse straatjongens in Nairobi vertelden hoe ze dagen lang, soms weken lang gelopen hadden op weg naar de lichten van de stad. De eerste dagen, als de stad nog ver weg was, bemoedigden ze elkaar door verhalen over dat licht in de stad. Tot ze op een goede nacht die verhalen niet meer nodig hadden, omdat ze aan de horizon een licht zagen dat niet langer kwam van de maan of van de sterren, maar dat het donkere oranjeachtige licht was, dat als een halve ballon over iedere stad van de wereld hangt. Het was dat licht dat hen aantrok. Het licht van de nieuwe wereld. Een licht waar naar toe ook nu nog miljoenen vluchtelingen op weg zijn.
Voor Lucas zijn we allen op weg. Dat zijn we ook. Daar is iedereen het wel over eens. We worden allemaal aangetrokken door een licht dat ons aantrekt. Het licht van het nieuwe menselijke leven. Het licht dat Jezus zozeer aantrok dat het hemzelf die dag, daar op Tabor, deed oplichten.