Ze straalden afgelopen dinsdag van geluk: het presentatorenduo Pauw en Witteman. Ze konden bijna niet wachten het grote nieuws te brengen. In Jerusalem is het graf van Jezus gevonden. En niet alleen van hem, maar ook van Maria Magdalena, hun zoon Judah en Maria de moeder van Jezus. In de studio zat Roderick Vonhögen, pastoor in Amersfoort om commentaar te leveren. Dat deed hij goed, ook al had hij het niet makkelijk. Want eindelijk was duidelijk dat dat hele geloof van die christenen, dat toch gebaseerd is op de verrijzenis van Jezus, een fabeltje was. Pauw en Witteman wisten dat natuurlijk allang, maar nu hadden ze het overtuigende bewijs in handen. Ik was gefascineerd door de gretigheid waarmee beide presentatoren het bewijs van hun ongeloof omarmden. De geldigheid van het bewijs werd door de anders zo kritisch doorvragende journalisten geen moment in twijfel getrokken. Dat het een theorie is van een documentairemaker, een theorie die door bijna alle toonaangevende archeologen als onzin naar de prullebak wordt verwezen, is ineens niet relevant. Het doet me allemaal denken aan de hype, een tijdje geleden alweer over de Da Vinci Code van Dan Brown. Ook toen werd in één vlaag al het door de eeuwen heen zorgvuldig bijeenvergaard theologisch wetenschappelijk werk van tafel geveegd. Dan Brown moest wel gelijk hebben. Er is één groot complot tegen de waarheid, georganiseerd nog wel door de Katholieke Kerk zelf. Wat is dat toch, die blijkbaar onstilbare honger naar tastbaar, zichtbaar bewijs? Alsof je overtuiging niet sterk genoeg is. Ik vind het toch altijd een teken van zwakte. Als je nl. echt overtuigd bent dat religie onzin is, ingebeelde schijnwerkelijkheid om je angsten in bedwang te houden, waarom heb je dan nog bewijs nodig van een Amerikaanse documentairemaker?
Maar andersom is ook waar. Als je gelooft in God die zich in zijn Zoon aan ons heeft geopenbaard, die heeft geleden, is gestorven, begraven en op de derde dag verrezen. En als je gelooft dat Hij het is die ons elke zondag weer hier samenbrengt….. en niet alleen ons nu….. Al eeuwen lang komen mensen in zijn Naam samen. Als je dat gelooft en dat geloof troost je en je put er bijna dagelijks kracht uit. Dan heb je toch geen bewijs nodig. Daar kan dan toch geen leugen aan ten grondslag liggen. Maar toch zie ik ook aan de kant van gelovigen een fascinatie voor tastbaar en zichtbaar bewijs. Expedities bijvoorbeeld die worden georganiseerd naar Oost-Turkije om de restanten te vinden van de Ark van Noach. Alsof het al dan niet vinden van een stuk aangevreten hout ook maar enige invloed zou hebben op mijn geloof. Maar goed, ik geef het eerlijk toe, ook ik heb soms van die momenten dat ik zou willen dat God zich op één of andere manier zou openbaren zoals hij dat bijvoorbeeld doet in het boek Exodus. Met grote wonderen, liefst iets minder gruwelijk, maar net zo overtuigend. Niet dat hij het donker laat worden of sprinkhanen stuurt, maar gewoon een week lang de zon niet onder laat gaan gaan. Onschuldig maar niet minder spectaculair. Dan zou ik Pauw en Witteman wel eens willen zien. ….Soms verlang ik naar zo’n godsbewijs, niets menselijks is mij vreemd. Dat geldt overigens ook voor Petrus uit het evangelie van vandaag. Stelt u zich voor: terwijl zij aan het bidden waren voegden zich ineens Elia en Mozes bij hen. Niet zomaar twee mensen, nee Mozes en Elia. De twee grootste mannen uit de joodse geschiedenis. - Overigens de enige twee mannen ook van wie hier op aarde geen graf is. Zij zijn door God zelf in zijn heerlijkheid opgenomen, net als hij later met Jezus zou doen. - Mozes en Elia, niet de minsten dus en Petrus dacht: Hebbes, en nou niet meer loslaten. “Laten we drie tenten opslaan”, zegt hij tegen Jezus. En voor een deel, denk ik, komt deze suggestie voort uit zijn gastvrijheid, maar voor een ander niet onbelangrijk deel toch ook vanuit de gedachte: Hier is eindelijk het tastbare bewijs van ons geloof, hier is antwoord op alle vragen. Hier komt voorgoed een eind aan alle speculaties over wat Mozes’ of Elia’s antwoord zou zijn op de grote vragen van onze tijd. Vanaf nu wordt het een kwestie van aankloppen, rits open en vragen. Maar het feest ging niet door. “Hij wist niet wat hij zei”, schrijft Lucas veelbetekenend. En Petrus was nog niet uitgesproken of een wolk onttrok Mozes en Elia aan hun oog, zoals dat later ook bij Jezus’ Hemelvaart zou gebeuren. En Petrus blijft achter met zijn vragen. Als je wilt vasthouden, dan verlies je. Alleen als je bereid bent te verliezen, zal je behouden.
Staat u mij toe te speculeren over welke vraag Petrus Mozes zou hebben voorgelegd, ‘s avonds voor de tent, bij een gezellig houtvuur. Op welke vraag had hij zo graag antwoord gewild? Waarschijnlijk is het een vraag waarvan men zegt dat die van alle tijden is. Een vraag misschien die in deze vastentijd aanleiding zou kunnen zijn voor bezinning. De grote vraag naar de relatie tussen God en het lijden in de wereld. Of preciezer: is God de oorzaak van het lijden. Het is een vraag om hoofdpijn van te krijgen. Je komt erniet uit, althans ik kom er niet uit. Want laten we eerlijk zijn: We geloven hier dat God èn rechtvaardig is èn almachtig. Maar hoe kan Hij allebei tegelijk zijn? Want als Hij almachtig is en dus elk moment kan ingrijpen en elke natuurramp kan voorkomen, natuurrampen waar soms honderdduizenden onschuldige mensen, waaronder veel kinderen op een vreselijke manier sterven, als Hij dat zou kunnen voorkomen maar het niet doet, dan kan ik Hem toch moeilijk rechtvaardig noemen. Of andersom, als Hij rechtvaardig is, dan moet er iets met die almacht aan de hand zijn. Dan is Hij misschien minder almachtig dan wij denken of hopen misschien.
Dus het is: God KAN wel ingrijpen, maar WIL het niet, of hij WIL wel ingrijpen maar KAN het niet. Allebei tegelijk: dus wel wìllen ingrijpen en het ook kùnnen, maar niet dòen, dat is onzin. Hoe kan God èn almachtig en rechtvaardig zijn. Als ik moet kiezen houd ik eerlijk gezegd het liefst zijn rechtvaardigheid overeind. Ik ben in eerste instantie best bereid iets van zijn almacht in te leveren, maar laat Hem in godsnaam rechtvaardig zijn. Het is volgens mij de meest gangbare manier om met deze vraag om te gaan. Populair gezegd: het goede komt van God, bijvoorbeeld de liefde tussen twee mensen, de geboorte van een kind…, maar het lijden, bijvoorbeeld in geval van oorlog, daar kan God niets aan doen, dat is dan het gevolg van de vrije wil van de mens of in geval van natuurramp gewoon pech. Want een God die oorlog zou willen of een natuurramp veroorzaakt daar willen u en ik niet aan. Dat verstoort teveel het beeld van de algoede, liefdevolle, rechtvaardige God.
Een voorbeeld: toen ik 15 jaar geleden pastoraal werker was, doopte ik een kind van ouders die al heel lang een kind wilde. Het werd voor beide ouders bijna een obsessie. Alle ziekenhuizen hadden ze van binnen gezien, Niets hielp. Uiteindelijk gaven ze op en legden zich erbij neer dat ze kinderloos verder moesten en toen gebeurde het. Binnen een half jaar was ze zwanger. Je ziet het vaker: als je durft los te laten, ontvang je. Ze kregen een dochter, en noemde haar Sara, naar Abrahams vrouw die ook op late leeftijd zwanger werd. Het was groot feest. Ik kwam woorden te kort om God te loven en te prijzen voor dit grote geschenk. Niemand anders dan Hij was de bron van dit geluk. Maar toen, drie maanden later, gebeurde het onvoorstelbare. Sara was dood, plotseling, wiegedood. De ouders waren ontroostbaar. En ik was onmachtig ook maar één woord van troost te spreken. Die almachtige God die een onvruchtbare schoot had geopend en leven gegeven, diezelfde God had nu het leven genomen. Het ging er bij niet in, en het kwam er dus ook niet uit. Een ding was voor mij zeker, God KON niet almachtig zijn. Van dit lijden was hij niet de oorzaak. Hij leed mee, dat wel, maar hij had er niets aan kunnen doen. Deze gedachte bracht mij, toen althans, enige troost. Maar toch, toch zit het me niet lekker? Ik bleef en blijf eigenlijk nog steeds last houden van de gedachte, dat ik God onrecht doe als ik hem van Zijn almacht beroof. Alsof ik het beeld van God zo aanpas dat IK er mee weg kan, maar blijft God dan nog wel God. Dat is de vraag die mij, vooral in deze lijdenstijd, bezighoudt. Zeker ook na de lezing uit Exodus vandaag. Die laat er nl. misverstand over bestaan. God is almachtig. Hij laat het hagelen wanneer hij wil, de sprinkhanen komen en gaan op zijn bevel, en ook de zon is Hij de baas. Ja, zelfs de halsstarrigheid van de Farao is onderdeel van zijn goddelijk plan. Want zo staat er: “De Heer zorgde ervoor dat de farao hardnekkig bleef weigeren hen te laten gaan”. God is almachtig, daar laat het boek Exodus geen twijfel over bestaan en ook rechtvaardig, want uiteindelijk zal het volk worden bevrijd van slavernij en het beloofde land binnengaan. Maar hoe zijn die beide eigenschappen in één God verenigbaar brengen?
Voor het programma Tussen Hemel en Aarde interviewde ik ooit Elie Wiesel, nobelprijswinnaar voor de Vrede. Als joods jongetje overleefde hij het concentratiekamp. Bij binnenkomst werden zijn moeder en zusje meteen afgevoerd de gaskamer in. Hij bleef met zijn vader over. In zijn boek Nacht vertelt hij hoe hij als elfjarig jongetje getuige is van de moord op zijn vader. Hij ligt met zijn vader op een stapelbed, hij boven, zijn vader onder. Zijn vader is ziek en moet onophoudelijk hoesten. Een bewaker vraagt geirriteerd of hij daarmee wil stoppen maar dat kan hij niet, waarop de bewaker hem met een knuppel in het gezicht slaat. De kleine Elie houdt zich slapende en pas ‘s ochtends durft hij te kijken. Zijn vader is dood. Bijna 60 jaar later leg ik hem die onmogelijke vraag voor. Hoe kan God èn almachtig èn rechtvaardig zijn? Het wordt stil. “Dat weet ik niet”, zegt hij uiteindelijk. “Mijn leven lang ben ik al op zoek naar dat antwoord”. Ik heb nog steeds geen bevredigend antwoord gevonden, althans niet een antwoord dat recht doet aan zowel de almacht als de rechtvaardigheid van God." “Ik heb het nu eindelijk losgelaten,” zegt hij. “Ik heb leren leven met de vraag, zonder nog een antwoord te verwachten. Want liever leven met een onbeantwoorde vraag dan leven met een ontoereikend antwoord.” Tot zover Elie Wiesel.
Daarvan heb ik geleerd. Wij leven in een tijd waarin we geobsedeerd zijn door antwoorden. Dankzij internet leven we in de illusie dat op elke vraag een antwoord bestaat, maar dat is niet zo. Soms moet je leren leven met de vraag. Met de vraag waarom je maar niet gelukkig wordt, de vraag of je overleden vader echt van je gehouden heeft, de vraag waarom jouw kind zo vroeg moest sterven, maar dus ook de vraag naar hoe God èn almachtig èn rechtvaardig kan zijn. Geloof dat het zo is en geef de zoektocht naar het antwoord op de vraag hoe dat dat kan op. Neem geen genoegen met ontoereikende antwoorden, maar laat de vraag de vraag. Dat leerde ik van Elie Wiesel. Leef er mee en wie weet, zonder dat je er erg in hebt leef je het antwoord binnen. Want ook hiervoor geldt: wie loslaat, ontvangt.