Ik zei: ‘Mijn vader was een ontginner uit de Peel. Hij ploegde door het land totdat de woeste grond veranderd was in akkers, weiden, bossen. Mijn moeder was een boerendochter uit de polder, die veertien kinderen baarde, en hoge verwachtingen zaaide. Een vruchtbare wingerd was zij’.
Maar ik las iets anders. Dit: ‘Mijn vader was een Aramese zwerver, mijn moeder was een onvruchtbare vrouw, mijn voorgeslacht moest levenslang zoeken naar leven, op vreemde grond'.
Ik zei: ‘Mijn broers zijn mannen van stavast die boren onder de grond door, die wegen bouwen en huizen. Mijn zussen zijn wonderen van kracht en van zachtheid’. Dat zei ik.
Maar ik las iets anders. Dit: ‘Mijn broers groeiden uit tot een slavenvolk, mijn zussen schreeuwden om hulp’. Mijn familie: buitenlanders, vreemdelingen, zwervers, asielzoekers. Dat is mijn afkomst, bij dat soort volk hoor ik thuis. Al meer dan veertig jaar lang.
Ik zei: ‘Ik heb mijn plek veroverd. Ik heb een eigen huis, en ik kan de hypotheek betalen ook nog. Ik heb een auto (de rechterhelft), ik heb vrouw en kinderen (zo zeg je dat). Een vaste baan, nat en droog: ik zit goed, ik heb mijn stek gevonden’. Zo sprak ik.
Maar ik hoorde iets anders. Dit: ‘Je wieg stond in de woestijn, je aanvang is de leegte en al wat je hebt is je gegeven om niet je hebt het slechts te leen. Al je brood is genadebrood. Je melk en je honing zijn geen verdiensten, maar geschenken, jou in de schoot geworpen. Leg het neer en buig je neer voor de Enige, voor God'.
Ik zei: ‘Wat ik ben en wat ik doe, is een kwestie van genen, milieu en toeval. Het is zoals het is en het gaat zoals het gaat. Ik zie wel wat het lot mij brengt en zal op tijd mijn kansen grijpen’. Zo sprak ik.
Maar ik hoorde iets anders. Dit: ‘Je wordt de woestijn ingedreven, je wordt getest en op de proef gesteld totdat je honger krijgt. En dan komt het aan op kiezen ter zake van ja en nee, van voor en tegen. Als je kiest, kies je toch. Als je niet kiest leef je niet. Leven is ja-zeggen op wat gegeven wordt. Maar wie A zegt, moet ook B zeggen, wie ja zegt moet ook nee zeggen. En soms, minstens één maal per jaar, moet je beginnen met een hartgrondig nee.'
Wat ik las en hoorde staat opgeschreven in het Boek van boeken, in dat vreemde wat wij Bijbel noemen. Die Bijbel past mijn begrensde leven in in een grotere geschiedenis van slavernij en bevrijding. Verhalen van lang geleden brengen mijn toekomst in het geding. Profeten van ver weg brengen mij hier en nu tot rede. Uitheemse liederen geven mij adem, geven mij aan mijzelf terug. Dit is wat dat boek kan doen, wil doen: mij in verband brengen, mijn particuliere vallen en opstaan verbinden met een wereldomvattend gevecht om iets meer recht, waarheid, schoonheid, vrede. Mijn denken gecorrigeerd, mijn weten gescherpt, mijn hart getart en getroost, mijn ziel ontbolsterd en verruimd: dat is wat mij gebeuren kan als ik lees en hoor.
Tegenover het ‘ik-en-zij’, de scheiding tussen hier en daar, de mentaliteit van ieder-voor-zich en ze-zoeken-het-maar-uit, hoor en lees ik dat ik ben ‘ik-en-jij’ en ‘ik-voor-jou’, dialoog en samenspel, levend verband tussen daar en hier. De verdoving van mijn gesettled zijn en de halfzachtheid van mijn daagse doen worden doorbroken door de vervoering en de pijn van zwerverschap en zwangerschap, door de grondvragen van het bestaan: wie ben je? waar ben je? waar is je naaste?
Is het een boek met onmogelijke eisen? Nee. Het is een boek over mensen als wij: sukkelaars en gewiekste zakenlui, zangers van niks en dromers van alles bouwers en brekers, kinderen van de aarde. Het is een boek, tegelijk, over de mensen die wij kunnen worden: mensen van licht en adem, gedeelde genade, recht en rede, vrouwen en mannen, mens geworden. Het is het boek van een begaanbare weg: de weg van Israël, de weg van Jezus. Een visioen dat te doen is, een droom die te waar is om alleen maar mooi te zijn. Het is een boek dat tegenover de goden van macht en majesteit een vragende God presenteert, als een spiegel, als een confronterende moeder, een toegenegen kleine vader. Het is een boek dat ons met beide benen op de grond zet, in de woestijn van zwerven en kiezen.
Lief vreemd Boek van boeken: zo zou het kunnen. Maar soms lijk je op een uitgewoond huis, niet geleefd, maar afgeleefd. Een versleten gevangenis waarin mensen worden geknecht, gekneed tot kerkorde en burgermansfatsoen, wat goed dat je tralies verroest zijn. Soms lijkje op een hoer waar iedereen terecht kan om de bevrediging van zijn gelijk te halen: duivels en priesters citeren jou, naar hartenlust, bisschoppen en politici misbruiken jou.
Lief vreemd Boek, zou jij weer kunnen worden een moeder die mij verbindt met aarde en hemel, een geliefde in kracht en tederheid, een kind dat zeurt en schreeuwt om leven? Ik zou lezen, horen en doen. Ik zou niet mijn ziel in stukjes en beetjes verkopen voor brood, macht en eigendunk. Ik zou door duizend doden heen mens worden. En zie: mijn dochter zou wonen in recht en vrede, mijn zonen zouden vruchtbaar worden. De aarde, woest en leeg, zou veranderen in goed wijd land. De kinderen van de armen zouden melk en honing vinden.