Als we soms niet meer wisten wat we hier komen doen, dan is het misschien na het horen van de eerste lezing duidelijk. Een lezing die het volk op zijn plek zet. Het valt me op dat het wel een polderlezing zou kunnen zijn. ‘Als je dan op die drooggevallen zeebodem bent gekomen, dan moet je de eerste vruchten van de oogst voor het altaar brengen’. De kinderen brengen straks vruchten van ons land binnen. Want zeg nou zelf: zo hoort dat! Mijn vader was een gesjochte Arameeër, of een Tukker, een keuterboer uit Brabant of een West-Fries. En het is goed dat we van tijd tot tijd beseffen dat alles wat we zijn en wat we hier doen en maken uw werk is, God. We vergeten het wel eens even. Maar aan het begin van de veertigdagentijd klinkt iets door van: Verbeeld je maar niks. Je bent zelf ook vreemdeling geweest. We zijn allemaal nieuwkomers in dit land. Onze voorouders zijn van verre gekomen; ze hebben twee oorlogen meegemaakt; en wij, hun kleinkinderen, zijn uitgegroeid tot zelfvoldane yuppen. Als je hier komt, vandaag, erken dan wie je bent, erken je wortels. Geef je over aan de God van verleden en toekomst. Vergeet niet het Verbond dat Hij met ons heeft gesloten.
Als je dan even later de evangelietekst hoort, kun je gewoon blijven staan hier voorin de kerk. We hebben voor deze veertig-dagentijd een woestijn binnengehaald. Want we weten maar al te goed hoe belangrijk het is ons van tijd tot tijd wat leeg te maken; wat terug te trekken op datgene wat echt belangrijk is. Alle verleidingen van het leven, alle koninkrijken… wie gaat er niet voor door de knieën? Meer verdienen, meer invloed. Hoeveel mensen heb jij onder je? Een groter huis, de nieuwste geurtjes, de laatste mode. En tegelijk weten we, dat we daar niet echt van leven. Ik kan niet leven van het spectaculaire, van mensen die voor mij buigen van ontzag. Ik kan niet echt verder met een gave rimpelloze huid, waar je de ouderdom niet van af kunt lezen. Ik kan eigenlijk niet echt gelukkig zijn met die nieuwste trends en de laatste mode die de STER-reclame me aanreiken.
Ik zoek naar de rust en de ruimte (hier misschien) om mijn echte levensopdracht op het spoor te komen. Ik zoek mijn naam. Ik zoek de essentie. Mag ik eindelijk worden wie ik ben: gewoon een gesjochte Arameeër, zelf ook als vreemdeling begonnen. Niks pretentie, niks groot doen of meer lijken dan je bent. In de woestijn van veertig dagen hopen we samen wat standvastigheid te vinden waarin we onze eigen luchtbellen durven door te prikken. Terug naar onze voorouders, onze bronnen; zoals Christus die zo consequent durft te leven van ‘Er staat geschreven…!’. Leven van de woorden van de Schrift.
In deze veertig dagen komen we mensen uit Kenia tegen. Hun leven steekt schraal af bij het onze. Zij leven permanent in de woestijn. Misschien dat ze juist daarom ons iets wezenlijks te zeggen hebben. Zij hebben in hun schamelheid geleerd waar hun kracht ligt. Precies in hun kwetsbaarheid komen ze bij elkaar en durven elkaar te zeggen waar het aan schort. In hun liturgie luisteren ze naar elkaars noden. En hun gesprekken zijn steevast het begin van echte verandering.
In de woestijn van onze welvaart zoeken wij eerder onze kracht in heersen, in verzwijgen van de zwakte, in ‘de vuile was binnen houden’. Praten over je kwetsbaarheid vinden we al gauw ‘moeilijk doen’. Zouden we kunnen groeien in echte kracht door aan elkaar onze kwetsbaarheid uit te wisselen? Hoever moet je dan gaan? En wat is onze weg? Worden wie we zijn.