Dezer dagen zaten we met enkele mensen bij elkaar en het gesprek kwam op de aantrekkingskracht van nieuwe religieuze bewegingen en op het succes van de E.O. met name op jongeren. Wat bezielt mensen om zich aan te sluiten bij dergelijke bewegingen? Sommigen meenden dat het de warmte, gezelligheid en nabijheid was van de kleine groep. Je wordt er gekend, men heeft interesse in je wel en wee. En dat is al iets in onze grote, vaak koude wereld. Anderen meenden dat het de zekerheid was die daar aangeboden wordt. Alles is duidelijk, voor twijfel geen plaats. De bijbel geeft uitkomst: er staat wat er staat.
Dat je zelf niet alles moet uitzoeken, is voor sommige mensen blijkbaar aantrekkelijk; dat die verantwoordelijkheid wordt overgenomen is gemakkelijk.
Er bestaan, zo is mijn vermoeden, heel wat mensen, die graag zouden willen dat God onze verantwoordelijkheid overneemt. Hij kan immers in zijn almacht onze problemen oplossen. Ook in de bijbel zijn sporen van dit soort denken te vinden. Over een God, die offers vraagt, en in ruil daarvoor mensen thuisbrengt, horen we in de eerste lezing. Een God met wel héél menselijke trekken. Het was immers die God, die in den beginne voor de mensen een schitterend paradijs schiep, een kant en klare tuin, met alles voorhanden en God die aan de touwtjes trekt. De mens hoeft alleen maar te genieten.
Maar mensen zijn daar niet tevreden mee. De mens wil zelf verantwoording en groeide uit tot oppositie tegen al dat schoons. Daarmee verloor hij zijn paradijs. Om zelf te doen, was de hele wereld voorhanden; daar kon hij zijn lot in handen nemen, op eigen benen staan.
Maar als dan het leven te zwaar wordt, komt de herinnering terug aan vroeger toen alles nog koek en ei was. ‘God, neem het maar weer van ons over, schep alstublieft een nieuw paradijs.’ Een begrijpelijke verleiding: Iaat me weer klein en onmondig zijn, zorgt U voor mijn leven. Ik kan het niet! Zeker niet als Kosovo of Rwanda, als kanker of aids in het spel zijn. Dit is precies de verleiding, die de duivel Jezus aanbiedt: maak een nieuw paradijs voor de mensen, brood genoeg en Jij trekt weer aan de touwtjes. Breng alle mensen, alle landen onder één noemer van Jouw macht, resultaat is vrede en rust. Heel aanlokkelijk.
Heel zijn leven is Jezus door die bekoring achtervolgd. Tot op het kruis toe: ‘Kom eraf en redt Jezelf en ons’, zegt de medeveroordeelde. En Jezus zegt: ’nee jij’ en ook nog, dat dit de boodschap is van Godswege: ’niet Ik, maar jij hebt zelf de ver-antwoording.’ En waarom is dat zo? Ik denk, omdat wij dan alleen interessant zijn voor onze medemensen. Alleen dan kunnen liefde en mededogen uit de verf komen. Als alles van Godswege gedaan wordt, hebben we niemand meer nodig. Als God aan het stuur van ons leven staat kunnen we rustig slapen. Maar hoe zullen we dan liefhebben? Welke prikkel is er dan nog om te werken en te bouwen, om bij zware opdrachten Gods hulp in te roepen? Maar dan volgt onmiddellijk de tweede vraag: ‘Wat doet God dan nog, als we het toch zelf moeten opknappen?’
Hij biedt je perspectief. Hij Iaat je een geschiedenis lang zien, waar het heen moet, lees ik in de Schrift. Hij schenkt je vertrouwen, dat je het zult halen. God is in ons diepste weten, in onze intuïtie welke de goede richting is en wat dwaalwegen zijn. En Hij belooft: ‘Ik zal je gezelschap houden, tegen de angst en het doemdenken in.’
Een oud verhaal tot besluit.
De leerling van rabbi Mosche Leib vroeg eens aan zijn meester waarom God de goddeloosheid toeliet? De oude rabbi antwoordde: ‘Opdat jij nooit iemand dood zou laten gaan van de honger, terwijl je hem troost met de hemel en zegt dat hij maar goed moet bidden. Je dient hem te helpen alsof er in de hele wereld geen God is. Alsof jij de enige bent, die hem kan helpen. Jij en niemand anders.’